Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-03-20
ECLI:NL:RBLIM:2024:1300
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,093 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/340
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. L.M. van den Dungen),
en
de Burgemeester van de gemeente Venray
(gemachtigde: mr. S. Romijn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening over het bezwaar dat verzoeker heeft gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van 29 januari 2024 (het bestreden besluit).
1.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd die ertoe strekt dat hij zijn kamer aan de [adres] in [plaats] op 5 februari 2024 moet sluiten en voor zes maanden gesloten moet houden op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
1.2.
De burgemeester heeft de voorzieningenrechter desgevraagd laten weten dat hij bereid is om in afwachting van de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening geen uitvoering te geven aan het bestreden besluit.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de waarnemer van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter beoordeelt of de burgemeester verzoeker in redelijkheid mocht gelasten de kamer te sluiten en voor zes maanden gesloten te houden. De voorzieningenrechter doet dat aan de hand van de gronden die verzoeker in deze procedure en in de procedure in bezwaar heeft aangevoerd. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) beroepsprocedure niet.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter kan een voorziening treffen, als er ook een bezwaar of beroep tegen het besluit loopt. Dit wordt het connexiteitsvereiste genoemd. Nu verzoekster op 30 januari 2024 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het bestreden besluit is aan dat vereiste voldaan.
5. Ook moet er spoedeisend belang zijn om een voorlopige voorziening te kunnen treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen dan heeft verzoeker zes maanden geen toegang tot de kamer.
Relevante feiten en omstandigheden
6. Verzoeker is een van de bewoners van de woning aan de [adres] te [plaats] . Er wonen nog zes andere personen in het pand. In het proces-verbaal van 18 december 2023 van de politie staat dat in de kamer van verzoeker op 14 december 2023 het volgende is gevonden: 393,7 gram heroïne en 192,1 gram bruin poeder (mogelijk versnijdingsmiddel). Daarnaast zijn er ook attributen aangetroffen die duiden op drugshandel: weegschaal, verpakkingsmaterialen, sealtjes en verschillende sealtjes met heroine. Teven is er € 5030,- aan briefgeld aangetroffen.
Toetsingskader
7. De burgemeester is bevoegd tot het sluiten van de woning als – voor zover hier van belang – softdrugs of harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig is.
7.1.
De burgemeester heeft Beleidsregels artikel 13b Opiumwet (Damocles) van de burgemeesters van Mook en Middelaar, Gennep, Bergen en Venray vastgesteld (hierna: de Beleidsregels). Op grond van hoofdstuk 2 van deze beleidsregels is er sprake van een overtreding indien er sprake is van het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig hebben van verdovende middelen en als er sprake is van een handelshoeveelheid dan wel (bij hennepplanten) van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, voor de uitleg waarvan aansluiting wordt gezocht bij het daartoe gestelde in de aanwijzing Opiumwet. Concreet betekent dit dat er sprake is van een overtreding in de zin van dit beleid bij een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram of 0,5 ml harddrugs, 5 gram softdrugs of 5 hennepplanten. Volgens de Beleidsregels is sprake van een ernstig geval als één of meer van de staande indicatoren van toepassing zijn. In het geval van verzoeker is er sprake van een ernstig geval aangezien één of meer van de genoemde indicatoren van toepassing zijn. Volgens de Beleidsregels wordt een woning en het bijbehorend erf in het geval van een eerste overtreding van de Opiumwet aangaande harddrugs 6 maanden gesloten.
7.2.
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hierbij moet het toetsingskader zoals door de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken in haar uitspraak van 28 augustus 2019 (hierna: de overzichtsuitspraak) uiteengezet, in acht worden genomen. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet allereerst beoordeeld worden in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Anders is er geen bevoegdheid om de woning te sluiten. Als de bevoegdheid er is moet de sluiting van een woning moet ook geschikt en noodzakelijk zijn om de beoogde doelen te bereiken. Tot slot moet de sluiting evenredig zijn.
Bevoegdheid tot sluiting
8. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de burgemeester geen bevoegdheid heeft om tot sluiting over te gaan. Uit de processen-verbaal komt naar voren dat er gesproken wordt over indicatief geteste heroïne. Er is niet komen vast te staan door middel van deskundig onderzoek dat de aangetroffen stoffen daadwerkelijk heroïne betroffen. Verzoeker is van mening dat de burgemeester pas van zijn bevoegdheid mag gebruik maken zodra is vast komen te staan dat de aangetroffen stoffen daadwerkelijk harddrugs zijn.
9. De Afdeling heeft overwogen dat in een bestuursrechtelijke procedure als deze geen strafrechtelijke bewijsregels gelden. De voorzieningenrechter stelt vast dat het proces-verbaal van 18 december 2023 op ambtseed is opgemaakt en ondertekend is door de rapporteur. Volgens vaste rechtspraak mag de burgemeester in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van de politie, tenzij tegenbewijs aanleiding geeft tot het afwijken van dit uitgangspunt. Dat er gebruik is gemaakt van een indicatieve test doet hier niets aan af. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen concrete aanwijzing om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat de burgemeester bevoegd is om het pand te sluiten.
Is het sluiten van de kamer noodzakelijk?
10. Als de burgmeester bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding wordt beoordeeld of sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij gaat het om de vraag of vanuit de woning werd gehandeld, maar ook om andere omstandigheden, zoals het aantreffen van harddrugs, een recidive situatie of de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk.
11. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de noodzaak voor de last ontbreekt. De burgemeester heeft namelijk de handel vanuit zijn kamer niet aangetoond. Allereerst hangen meerdere drugsgebruikers rond in de buurt van de kamer van verzoeker. Daarnaast tonen de processen-verbaal geen causaal verband aan tussen het bezoeken van de kamer van verzoeker en het op zak hebben van drugs van de gebruikers. Ook is verzoeker van mening dat hij een plausibele verklaring heeft voor de aanwezigheid van de aangetroffen stoffen en attributen, nu een vriend van hem deze bij hem heeft achtergelaten. Ook wordt er verwezen naar MMA meldingen, welke anoniem zijn en dus niet controleerbaar. De juistheid van deze meldingen valt niet te controleren, waardoor er geen wederhoor aan de zijde van verzoeker is toegepast.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich in alle redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval sluiting noodzakelijk is. Er is sprake van een ernstige overtreding gelet op de hoeveelheid aangetroffen drugs. Het gaat bovendien om harddrugs en er zijn diverse attributen aangetroffen die duiden op feitelijke handel, namelijk een weegschaal, verpakkingsmaterialen, sealtjes, verschillende sealtjes met heroïne en een grote hoeveelheid contant geld. Daarnaast heeft de politie vanuit haar eigen waarnemingen geconstateerd dat er meerdere malen drugs is verhandeld in de woning.
Conclusie
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woningsluiting op dit moment niet wordt opgeschort en de burgemeester tot sluiting van de woning kan overgaan. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat ter zitting door de gemachtigde van de burgemeester is toegezegd dat er (minstens) een week tussen de bekendmaking van deze uitspraak en de feitelijke sluiting zal zitten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2024. .
De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 maart 2024.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit vereiste staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is bepaald dat als tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ook dit vereiste staat in artikel 8:81 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Hiervoor is het van belang dat het gaat om drugs die is opgenomen in Lijst I of II van de Opiumwet. Heroïne is vermeld op lijst I van de Opiumwet.
In werking getreden op 27 oktober 2023.
Hoofdstuk 7, artikel 3 van de Beleidsregels.
Hoofdstuk 7, artikel 2 van de Beleidsregels.
Op grond van artikel 4:84 van de Awb.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)
Overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.
ECLI:NL:RVS:2019:2625.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916 en ECLI:NL:RVS:2022:1910.