Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-03-20
ECLI:NL:RBLIM:2024:1250
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,043 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 10720236 \ CV EXPL 23-4688
Vonnis van 20 maart 2024
in de zaak van
1GROENE HEUVELS EXPLOITATIE B.V.,
te Ewijk,
hierna te noemen: GHE,2. VERENIGING VAN BUNGALOWEIGENAREN DE GROENE HEUVELS,
te Ewijk,
hierna te noemen: Vebegh,
eisende partij,
hierna samen te noemen: eisende partij,
gemachtigde: mr. H.C.J. Oomen,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaatsnaam] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E.M.J. Keijzer (DAS Rechtsbijstand).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties; - de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis, met producties; - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
GHE exploiteert, in opdracht van Vebegh en Groene Heuvels Holding BV (verder: GHH) vakantiepark “t Broeckhuys” in Ewijk. GHH heeft de ondergrond van het park in erfpacht van een derde.
2.2.
Op dit vakantiepark heeft [gedaagde] sinds het jaar 2020 een vakantiebungalow in eigendom. De grond onder de bungalow heeft [gedaagde] in ondererfpacht van GHH.
2.3.
Vebegh verenigt het grootste gedeelte van de eigenaren van de bungalows op het park. In de algemene vergadering van Vebegh worden alle onderwerpen die voor de eigenaren van belang zijn besproken en daarover worden vervolgens besluiten genomen. Zo wordt jaarlijks, op voorstel van GHE, in de algemene vergadering de hoogte van de door de bungaloweigenaren te betalen parkbijdrage (ook wel genoemd: parklasten) vastgesteld. Vebegh laat het factureren en incasseren van de parkbijdrage sinds 1 januari 2022 over aan GHE.
2.4.
[gedaagde] is geen lid van Vebegh.
2.5.
Een aantal bungaloweigenaren heeft in 2016 tegen Vebegh een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Gelderland over de parkbijdragen voor de jaren 2015 en 2016. In het eindvonnis van 15 februari 2023 heeft de rechtbank (i) de parkbijdrage 2015 naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 138,- exclusief btw per maand, (ii) de parkbijdrage 2016 op een bedrag van € 149,40 exclusief btw per maand, en (iii) bepaald dat de parkbijdragen van de daaropvolgende jaren slechts kunnen worden verhoogd met de prijsindex van het CBS voor consumenten.
2.6.
Naast de parkbijdrage brengen Vebegh en/of GHE aan de bungaloweigenaren afzonderlijk aanvullende kosten in rekening voor de afname van water, waterzuiveringslasten en afvalservice. Deze kosten zijn niet aan de orde geweest in de procedure bij de rechtbank Gelderland.
2.7.
[gedaagde] heeft een deel van de in rekening gebrachte parklasten en aanvullende kosten (hierna gezamenlijk ook te noemen: verleende diensten), ondanks aanmaning, onbetaald gelaten.
Geschil
3.1.
Eisende partij vordert, na vermindering van eis bij repliek - samengevat –
Aan GHE te betalen een bedrag van € 3.091,24 voor verleende diensten over de periode 1 januari 2022 tot en met 1 april 2023, inclusief € 410,64 aan buitengerechtelijke incassokosten;
Aan Vebegh te betalen een bedrag van € 1.789,44 voor verleende diensten over het jaar 2021, inclusief € 325,11 aan buitengerechtelijke incassokosten;
Betaling van de na 1 oktober 2023 verschuldigde parklasten en aanvullende kosten; voor zolang als hij rechthebbende is van het ondererfpachtrecht;
Betaling van de proceskosten.
3.2.
Eisende partij legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. In diverse uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven is bepaald, dat ook een bungaloweigenaar die geen lid is van een vereniging van eigenaren of geen overeenkomst heeft gesloten met een exploitant van een vakantiepark niettemin op grond van de redelijkheid en billijkheid/ongerechtvaardigde verrijking gehouden is parklasten en aanvullende kosten te betalen. De rechtbank Gelderland heeft na uitgebreid deskundigenonderzoek de parklasten vastgesteld. De parklasten en de aanvullende kosten worden jaarlijks in de ALV van Vebegh behandeld en vastgesteld. [gedaagde] kiest er zelf voor om geen lid te zijn van Vebegh en daarmee kiest hij er zelf voor om geen rekening en verantwoording meer te kunnen verlangen van eisende partij voor de verleende diensten. Eisende partij verwijst naar overweging 2.3 in het vonnis van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2023.
3.3.
[gedaagde] voert – samengevat – het volgende verweer.
[gedaagde] wil wel bijdragen en doet dit ook deels, maar vindt dat eisende partij transparant moet zijn over de opgevoerde kosten en de uitgaven. Hij wil kunnen controleren of de parkbijdrage ook daadwerkelijk wordt uitgegeven aan het vakantiepark. Eisende partij dient daartoe de in rekening gebrachte parkbijdrage op verifieerbare wijze te onderbouwen met facturen en betaalbewijzen. Voor de aanvullende kosten geldt dat sprake is van een voorschotbedrag en dat jaarlijks op basis van de werkelijk verbruik (watermeter of verdeelsleutel) dient te worden afgerekend onder overlegging van de onderliggende facturen. Eisende partij weigert echter de kosten verifieerbaar te onderbouwen.
Beoordeling
4.1.
GHE en Vebegh vorderen betaling van facturen die zien op de parklasten, ook wel parkbijdrage genoemd en aanvullende kosten. Tot 2022 werden die gefactureerd door Vebegh, sinds 2022 door GHE.
4.2.
De vraag die allereerst dient te worden beantwoord, is of er op [gedaagde] een betalingsverplichting ten aanzien van de facturen rust. Voor een betalingsverplichting is een rechtsgrond nodig, anders zou de betaling onverschuldigd zijn. Een rechtsgrond kan worden gevonden in een overeenkomst tussen partijen, die inhoudt dat de ene partij een prestatie levert waarvoor de andere partij betaalt. Tussen partijen staat vast dat er geen contractuele relatie bestaat op basis waarvan de parkbijdrage voldaan dient te worden. Er moet dus sprake zijn van een andere rechtsgrond om tot een betalingsverplichting te komen. In de rechtspraak werd deze rechtsgrond eerder gevonden in het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking en/of in de redelijkheid en billijkheid. Door eisers worden beide gronden ook genoemd.
4.2.1.
Ongerechtvaardigde verrijking is een verbintenis uit de wet en verplicht de schuldenaar de schade te vergoeden van degene ten koste van wie hij, de schuldenaar, is verrijkt. Voor een schadevergoedingsvordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking moet aan vier vereisten zijn voldaan:
(i) een verarming (de schade);
(ii) een verrijking (vermogensvermeerdering);
(iii) een zeker verband tussen de verrijking en de verarming; en
(iv) de verrijking moet ongerechtvaardigd zijn (er bestaat geen redelijke oorzaak of rechtvaardigingsgrond voor de verrijking).
Op geen enkele wijze hebben eisers deze vereisten specifiek gesteld of onderbouwd. Als rechtsgrond voor de betalinsgverplichting dient dan ook ongerechtvaardigde verrijking gepasseerd te worden.
4.2.2.
Rest de grondslag redelijkheid en billijkheid. In de rechtspraak is de redelijkheid en billijkheid als aparte rechtsgrond aangenomen voor de verplichting van een niet-lid om bij te dragen aan de kosten van beheer en onderhoud (van een vakantiepark). In het geval dat een contractuele relatie ontbreekt kan alleen in bijzondere omstandigheden worden aangenomen dat op een niet-lid een betalingsverplichting rust. Dit zou een beperking inhouden van de vrijheid om te bepalen met welke partij een verplichting wordt aangegaan. In geval van een vakantiewoning op een vakantiepark doen zich dergelijke bijzondere omstandigheden voor. De vakantiewoning staat immers niet op zichzelf maar maakt deel uit van een park met een aantal dergelijke woningen en een aantal ten behoeve van die woningen aangelegde gemeenschappelijke voorzieningen. De aard van de woning brengt mee dat deze hier niet los van kan worden gezien en dit was voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst voor de koper duidelijk. Met eisers is de kantonrechter derhalve van oordeel dat er in beginsel een betalingsverplichting op [gedaagde] rust.
4.3.
Dit leidt echter nog niet tot de conclusie dat de vorderingen kunnen worden toegewezen. De totstandkoming en opbouw van de parkbijdrage en aanvullende kosten is door eisers op geen enkele wijze onderbouwd of gesteld, anders dan met een verwijzing naar een rechterlijke uitspraak tussen een aantal -kennelijk- andere eigenaren en één van eisers.
4.3.1.
Het gaat hier allereerst om kracht van gewijsde. Met die term wordt de bindende kracht van het vonnis aangeduid. Deze houdt in dat voor partijen bindend is, en dus in latere procedures tussen hen vaststaat, hetgeen de rechter omtrent de rechtsbetrekking tussen hen in zijn vonnis heeft beslist. Het gezag van gewijsde geldt in beginsel slechts in een opvolgende procedure tussen dezelfde materiële procespartijen. Dit is slechts anders indien dat uit de wet voortvloeit; volgens de Memorie van Toelichting kan in dit verband bijvoorbeeld worden gedacht aan de bescherming die de wet aan bepaalde derden te goeder trouw verleent (bijvoorbeeld art. 3:24, 3:86 of 8:441 BW). Dat hier van een uitzondering sprake is waarbij kracht van gewijsde ook jegens [gedaagde] inroepbaar is, is niet gesteld of gebleken.
In zoverre heeft het vonnis slechts algemene bewijskracht. Zonder de in die procedure aangevoerde en onderbouwde stukken waaronder kennelijk een deskundigenrapport en de daarover ingenomen standpunten kan hier echter weinig uit afgeleid worden. Zeker kan hier niet uit afgeleid worden dat door eisers is voldaan aan hun verplichting de facturen correct en inzichtelijk te onderbouwen.
4.3.2.
Verder is het weliswaar zo dat -zoals door eisers gesteld- [gedaagde] lid kan worden van Vebegh en op die manier kennis kan nemen van onderbouwing en totstandkoming van de parkbijdrage, maar daartoe bestaat geen verplichting. Het opleggen van een dergelijke verplichting is niet ongebruikelijk maar is in de onderhavige situatie kennelijk niet of niet langer gebeurd. Het risico daarvan mag niet enkel bij de niet-lid eigenaren gelegd worden, een andere opvatting zou immers alsnog leiden tot een niet-contractuele verplichting die zich niet verhoudt tot de vrijheid om te bepalen met welke partij een verplichting wordt aangegaan.
4.4.
Conclusie
4.5.
Eisende partij wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 678,- (2 punten x € 339,-) aan gemachtigdensalaris en € 135,- aan nakosten, totaal € 813,- (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten van € 813,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als eisende partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024.
eb