Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-03-12
ECLI:NL:RBLIM:2024:1173
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,656 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 24/365
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het verzoek om het bezwaar van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 24 januari 2024 rechtsreeks als beroep in behandeling te nemen.
2. Omdat de rechtbank niet instemt met het rechtstreeks beroep, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3. Op deze zaak is ingevolge de Invoeringswet Omgevingswet nog het recht van toepassing zoals dat gold vóór de inwerkingtreding per 1 januari 2024 van de Omgevingswet. Met name gaat het hier om de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Beoordeling
4. Met het bestreden besluit heeft het college beslist op de aanvraag van eiser van 26 oktober 2023 om een omgevingsvergunning en daarbij de aanvraag buiten behandeling gelaten vanwege het ontbreken van volgens het college vereiste gegevens (namelijk: een goede ruimtelijke onderbouwing). Eiser is van mening dat een dergelijke ruimtelijke onderbouwing niet nodig is omdat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. In dat verband is eiser ook van mening dat reeds van rechtswege een vergunning verleend is. Eisers beroep tegen het niet tijdig bekendmaken van die volgens hem van rechtswege verleende vergunning wordt bij uitspraak van vandaag in zaak ROE 24/605 niet-ontvankelijk verklaard. De reden daarvoor is dat hij bij beoordeling van dat beroep geen procesbelang heeft, gelet op het bestreden besluit van 24 januari 2024 waartegen eiser rechtsmiddelen kan aanwenden en ook heeft aangewend.
5. Bij brief van 30 januari 2024 heeft het college verzocht om het bezwaarschrift van 25 januari 2024 van eiser tegen het bestreden besluit als beroep te behandelen en te voegen in de tussen partijen reeds lopende beroepszaak ROE 23/924 over de weigering van een eerder door eiser aangevraagde omgevingsvergunning (besluit van 15 maart 2023). Het college verwijst in dit verband naar de regeling van rechtstreeks beroep. Eiser heeft ingestemd met dit verzoek.
6. De rechtbank wijst dit verzoek af. De betreffende regeling in artikel 7:1a van de Awb houdt in dat 1) uitsluitend bezwaarmaker, 2) in het bezwaarschrift zelf, het bestuursorgaan kan verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep. Aan beide vereisten is in dit geval niet voldaan. Het is immers niet bezwaarmaker die om rechtstreeks beroep vraagt (in het bezwaarschrift) aan het college, maar het is het college dat het initiatief tot rechtstreeks beroep heeft genomen. Dat betekent feitelijk ook dat van een verzoek tot toepassing van artikel 7:1a van de Awb geen sprake is. Het college kan een dergelijk verzoek niet doen, ook niet met instemming van bezwaarmaker.
7. Een andere grondslag voor het verzoek is niet genoemd en de rechtbank ziet ook geen andere grondslag. Van een situatie als bedoeld in artikel 6:15 van de Awb is geen sprake, nu het college bevoegd is te beslissen op het bezwaar. Er is ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Het college stelt dat het bestreden besluit is genomen op een vrijwel gelijke aanvraag als waarop het college eerder heeft beslist (met het besluit van 15 maart 2023), maar dat is dus een nieuwe aanvraag. Van een wijziging van de oorspronkelijke aanvraag lijkt geen sprake, in ieder geval betreft het besluit geen wijziging of vervanging van het eerdere besluit van 15 maart 2023. Er is ook geen sprake van een afwijzing op grond van artikel 4:6 van de Awb. Het besluit betreft een buiten behandeling stelling die, alleen al gelet op het karakter van een dergelijk besluit, geen verband houdt met het eerdere besluit van 15 maart 2023 (een afwijzing op inhoudelijke gronden).
Geschil
9. De rechtbank ziet gelet op hetgeen onder 8 is overwogen geen aanleiding om het bezwaarschrift, ondanks het onder 6 geconstateerde gebrek, toch als beroepschrift in behandeling te nemen. Hoewel de rechtbank terughoudend moet zijn met het hanteren van zijn terugverwijzingsbevoegdheid, leidt hetgeen onder 6 en 8 is overwogen tot het oordeel dat terugverwijzing geboden is.
10. De rechtbank wijst kortom het (buitenwettelijke) verzoek tot in behandeling nemen van het bezwaarschrift als beroepschrift af met analoge toepassing van artikel 8:54a van de Awb. Het college heeft het bezwaarschrift ten onrechte getransformeerd tot beroepschrift en naar de rechtbank doorgezonden. De rechtbank bepaalt daarom dat het college het aan de rechtbank (ter behandeling als beroepschrift) doorgezonden bezwaarschrift alsnog zelf als bezwaarschrift behandelt. De rechtbank zal daartoe het bezwaarschrift naar het college terugzenden.
11. De rechtbank ziet in het feit dat het initiatief voor het rechtstreeks beroep bij het college heeft gelegen, aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht aan eiser dient te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
bepaalt dat het beroepschrift als bezwaarschrift moet worden behandeld;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,00 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 maart 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 7:1a van de Awb.
Zie hierover ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:302.
Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 17 juni 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:5518.
Met verwijzing naar artikel 7:1a (vijfde lid) van de Awb.
Artikel 8:74, tweede lid, van de Awb verleent de rechtbank de bevoegdheid dit te doen.