Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-03-06
ECLI:NL:RBLIM:2024:1128
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,988 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10814472 \ CV EXPL 23-5186
Vonnis van 6 maart 2024
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
2 [eiseres sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. B.C. van Hees,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende in de [woonplaats 2] op een geheim adres,
procederend in persoon,2. [gedaagde sub 2],
wonende [adres] ,
[woonplaats 3] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het verzoek om uitstel van [gedaagde sub 1]
- het tegen gedaagde [gedaagde sub 2] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[eisers] vorderen - samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van:
een bedrag van € 3.303,01, te vermeerderen met wettelijke rente,
een bedrag van € 455,30 aan buitengerechtelijke incassokosten,
de kosten van de procedure, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
2.2.
[eisers] leggen daaraan het volgende ten grondslag.
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Doordat de overeengekomen werkzaamheden ondeugdelijk en deels niet zijn hebben [eisers] schade geleden. [eisers] hebben de overeenkomst partieel ontbonden en schadevergoeding gevorderd. Partijen hebben een betalingsregeling getroffen. [gedaagden] blijven in gebreke met betaling van een bedrag van € 3.303,01. Voorts [eisers] dat [gedaagden] aan hen een vergoeding van € 455,30 voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter stelt vast dat ten aanzien van de niet verschenen [gedaagde sub 2] de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 140 Rv wordt tegen deze partij verstek verleend en wordt, nu [gedaagde sub 1] in de procedure is verschenen, tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
3.2.
[gedaagde sub 1] heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord. De vordering van [eisers] ten aanzien van de hoofdsom en de wettelijke rente staat daarom als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen.
3.3.
[eisers] maken aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.
De kantonrechter stelt vast dat [eisers] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten groot € 455,30 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
3.4.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
3.303,01
- buitengerechtelijke incassokosten
€
455,30
+
totaal
€
3.758,31
- betalingen
€
0,00
-/-
Totaal
€
3.758,31
3.5.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
130,56
- griffierecht
€
244,00
- salaris gemachtigde
€
271,00
(1,00 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
780,56
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.7.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 3.758,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de toegewezen hoofdsom vanaf de dag van verzuim tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 780,56, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.V.L. Heuts en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024.
type: JEC