Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-01-10
ECLI:NL:RBLIM:2024:112
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 23/962
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2024 in de zaak tussen
[eiseres 1] en [eiseres 2] , uit [woonplaats] , eiseressen
(gemachtigde: mr. R.M.M. Jacobs),
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.
Procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseressen tegen het besluit van verweerder van 21 maart 2023.
2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat het in deze zaak niet nodig is. Eiseressen hebben namelijk het griffierecht niet (op tijd) betaald, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Overwegingen
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). In een zaak als deze is het griffierecht € 50,00.
4. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiseressen niets aan kunnen doen.
Hebben eiseressen het griffierecht betaald?
5. De griffier heeft de gemachtigde van eiseressen op 26 mei 2023 een brief gestuurd, waarin staat dat eiseressen het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Vervolgens heeft de griffier op 24 juni 2023 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiseressen het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 27 juni 2023 om 11.10 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend.
5.1.
De rechtbank heeft het bedrag niet (op tijd) ontvangen.
Is er een geldige reden voor het niet betalen van het griffierecht?
6. De gemachtigde van eiseressen heeft namens eiseres [eiseres 2] in het beroepschrift verzocht om haar vrij te stellen van griffierecht. De rechtbank heeft daar niet (eerder) expliciet op gereageerd en heeft ook niet op dit verzoek beslist. Dat zou wel beter zijn geweest. De beslissing van de rechtbank om de zaak niet inhoudelijk te behandelen wordt daardoor echter niet anders. De rechtbank legt dat hieronder uit.
6.1.
Als twee indieners in één beroepschrift tegen hetzelfde besluit beroep instellen, is maar één keer griffierecht verschuldigd. Voor deze beroepszaak betekent dit dat eiseressen samen éénmaal het griffierecht van € 50,00 moeten betalen. Eiseressen zullen dit bedrag samen moeten voldoen. Wie welk deel betaalt, moeten eiseressen onderling regelen. Nu eiseressen samen éénmaal het griffierecht zijn verschuldigd, heeft de omstandigheid dat eiseres [eiseres 2] mogelijk geen griffierecht kan betalen geen invloed op de hoogte van het griffierecht.
6.2.
Eiseressen hebben het griffierecht niet betaald en daarvoor geen reden gegeven. Er is hiervoor dus geen verontschuldiging gebleken.
Conclusie
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en het besluit van verweerder van 21 maart 2023 blijft in stand.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van E.M. Hendriksvan der Haar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2024 .
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 januari 2024
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dat staat in artikel 8:41, derde lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.