Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-03-06
ECLI:NL:RBLIM:2024:1116
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,755 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10588881 \ CV EXPL 23-2804
Vonnis van 6 maart 2024
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.M.B. Lukassen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende [adres] ,
[woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De verdere procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 november 2023
- de aantekening van de griffier op de rol van 3 januari 2024 dat [gedaagde] niet heeft gereageerd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter:
- overwogen voornemens te zijn de betalingsverplichting van [gedaagde] met 25% te verminderen
- [gedaagde] in de gelegenheid gesteld zich over de voorgenomen vernietiging uit
te laten, waarna [eiser] in de gelegenheid zal worden gesteld een antwoordakte te nemen.
2.2.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om terug te komen van hetgeen in het tussenvonnis is overwogen. [gedaagde] heeft niet gereageerd.
2.3.
Op grond van voorgaande overwegingen zal een bedrag van € 1.871,25 aan gesanctioneerde hoofdsom worden toegewezen.
2.4.
De gevorderde vervallen wettelijke rente vanaf 30 oktober 2022 tot en met 26 mei 2023 ten bedrage van € 31,91 is niet toewijsbaar aangezien deze over een te hoog bedrag is berekend.
2.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is op of na 1 juli 2012 ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden 5 en 6 BW). De gevorderde vergoeding van € 246,75 komt niet voor toewijzing in aanmerking. Er is namelijk niet gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW.
2.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
1.871,25
- buitengerechtelijke incassokosten
€
0,00
+
totaal
€
1.871,25
- betalingen
€
850,00
-/-
Totaal
€
1.021,25
2.7.
De wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal worden toegewezen vanaf 9 juni 2023 (= de datum van dagvaarding).
2.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.021,25 blijft een deel van het griffierecht, zijnde een bedrag van € 30,00 (€ 244,00 -/- € 214,00) voor rekening van [eiser] . Het salaris voor de gemachtigde zal worden toegekend op basis van het toegewezen bedrag. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
107,32
- griffierecht
€
214,00
- salaris gemachtigde
€
135,00
(1,00 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
523,82
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.021,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.021,25, met ingang van 9 juni 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 523,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.V.L. Heuts en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024.
type: JEC