Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2024-05-14
ECLI:NL:RBLIM:2024:10139
Civiel recht
Wraking
1,006 tokens
Dictum
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/330329/ HA RK 24/85
Dictum
op het verzoek van
[verzoeker]
, (hierna te noemen verzoeker),
wonende te [woonplaats] ,
dat strekt tot wraking van mr. N.H.J. Lafghani, rechter in de rechtbank Limburg, hierna de rechter.
Procesverloop
Op 25 april 2024 is ter griffie een bericht ontvangen van verzoeker, inhoudende een verzoek tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 10967464 CV EXPL 24-1098.
De rechter heeft de wrakingskamer medegedeeld dat zij niet in de wraking berust. Op 3 mei 2024 heeft de rechter een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek gegeven.
De wrakingskamer heeft op 14 mei 2024 uitspraak gedaan en verzoeker daarvan in kennis gesteld. Hierna legt de wrakingskamer uit hoe zij tot haar oordeel komt.
2De gronden van het verzoek
Verzoeker voert aan dat er, aangezien er geen openbare zitting gaat plaatsvinden aangaande zijn zaak, het voor hem onmogelijk is om mondeling zijn zaak toe te lichten, terwijl hij daar wel recht op heeft. Daarnaast is hij stellig in de overtuiging dat met zekerheid de uitkomst van zijn zaak (dat hij de zaak verliest) al vaststaat.
Beoordeling
Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter uit hoofde van haar of zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, of dat de bij verzoeker daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek en de schriftelijke reactie van de rechter. Hieruit volgt dat verzoeker tweemaal heeft verzocht om uitstel voor het nemen van zijn conclusie van antwoord en dat de rechter als rolrechter het tweede verzoek om uitstel heeft afgewezen conform artikel 2.9 van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton. Aan verzoeker is vervolgens bericht dat, aangezien hij geen conclusie van antwoord heeft genomen, geen mondelinge behandeling wordt gepland en dat de zaak voor vonnis staat.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit verzoek tot wraking ongegrond is. Het afwijzen van het tweede verzoek tot uitstel is een processuele beslissing, die geen grond voor wraking kan opleveren. Dit is alleen anders als er geen andere verklaring voor die beslissing te geven is dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Met inachtneming van hetgeen door de rechter in haar schriftelijke reactie is aangevoerd is de wrakingskamer van oordeel dat er geen sprake is van feiten of omstandigheden die een aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek geen doel kan treffen. Het verzoek wordt dan ook, zonder nadere mondelinge behandeling, kennelijk ongegrond verklaard.
Dictum
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.A.J. van Leeuwen, mr. M.J.A.G. van Baal en
mr. A.K. Kleine, bijgestaan door mr. F.A.E. van de Venne en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2024.