Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-02-07
ECLI:NL:RBLIM:2023:938
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,635 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 20/3070
uitspraak van de rechtbank van 07 februari 2023 op het beroep in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.G.P. Voragen),
en
de Burgemeester van de gemeente Heerlen, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J.A. Bertholet).
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van een sluiting van de woning aan de [adres] te [plaats] (de woning) met ingang van
20 augustus 2020 voor de duur van zes maanden.
Bij besluit van 13 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 20/3361). Dit verzoek heeft eiser vervolgens op 26 januari 2021 ingetrokken omdat de woning verkocht is en het spoedeisend belang derhalve ontbreekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2022. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Het gaat in deze zaak om de sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Deze bepaling maakt het mogelijk – kort gezegd – een woning te sluiten indien vanuit die woning hard- of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder de bevoegdheid had de woning te sluiten en van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Wat ging aan deze zaak vooraf?
2. In de bestuurlijke rapportage is vermeld dat op 30 juni 2020 in de woning een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen is bestaande uit 229 hennepplanten alsmede de attributen die te relateren zijn aan drughandel. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder besloten de woning te sluiten voor een periode van zes maanden. Eiser heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer AWB 20/2021). In de uitspraak van 25 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van en voorlopige voorziening afgewezen.
3. De woning is feitelijk gesloten op 1 september 2020. Verder is de betreffende woning eind december 2020/januari 2021 verkocht. De rechtbank neemt evenwel aan dat eiser nog belang bij de onderhavige procedure heeft.
4. Naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder met het thans bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. Kort gezegd stelt verweerder zich op het standpunt dat de woning, gelet op de bestuurlijke rapportage, onbewoond was althans geen sporen werden aangetroffen die duiden op permanente bewoning. In beginsel mag van de conclusies daarvan worden uitgegaan. De foto’s die eiser heeft overgelegd geven, aldus verweerder, geen aanleiding hieraan te twijfelen. Verder is er evenmin tegenbewijs aangeleverd. Gelet op verweerders beleid mag tot directe sluiting overgaan worden indien de woning in overwegende mate gebruikt wordt ten behoeve van de handel in hennep. Daarvan is in geval van eiser sprake. Daarnaast stelt verweerder dat er sprake is van een ernstige en spoedeisende situatie op basis waarvan in het belang van de openbare orde en veiligheid tot onmiddellijke sluiting overgegaan kan worden. De woning ligt in een stedelijk gebied. Gelet hierop meent verweerder dat afgeweken kan worden van het beleid om bij een eerste constatering eerst een waarschuwing op te leggen. Verweerder meent voorts dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. De duur van de sluiting is in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
5. Eiser stelt in beroep dat verweerder ten onrechte van zijn beleid dat bij een eerste hennepplantage een waarschuwing wordt gegeven is afgeweken. Er was sprake van een eerste teelt en de hennepplantage was pas enkele dagen in bedrijf in een beperkt gedeelte van de woning. Verweerder heeft ten onrechte de andere gezichtspunten uit zijn beleid niet in de overweging betrokken waardoor er sprake is van een motiveringsgebrek. Eiser stond ingeschreven op het adres, de hoeveelheid planten stond in een zeer klein gedeelte van de woning, alle kamers konden perfect gebruikt worden, eiser is al lange tijd eigenaar van het huis, er zijn geen spookburgers, hypotheek wordt betaald, eiser is traceerbaar als eigenaar en staat in de persoonsregistratie vermeld; waarmee eiser niet voldeed aan de indicaties die volgens verweerders beleid erop wijzen dat een woning geen of slechts ondergeschikte woonfunctie heeft. Over slechts enkele van die indicaties kan een discussie zijn. Dan dient er een waarschuwing opgelegd te worden.
Was verweerder bevoegd tot sluiting over te gaan?
6. De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid van verweerder om over te gaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet niet in geschil is. In de woning is een in werking zijnde hennepkwekerij met 229 planten aangetroffen alsmede de attributen die te relateren zijn aan drugshandel. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik had mogen maken.
7. Ter uitoefening van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b, van de Opiumwet heeft verweerder beleidsregels vastgelegd in het Gemeente Heerlen – Damoclesbeleid (hierna: het beleid).
In artikel 1 is onder meer het volgende bepaald:
Indien uit de aangetroffen omstandigheden en feiten in een woning blijkt dat deze woning geen of slechts een ondergeschikte woonfunctie heeft is er sprake van bedrijfsmatige en professionele hennepteelt en -handel. De woning wordt dan geacht een belangrijke schakel te zijn in de criminele keten van de productie van en de handel in softdrugs. Er kan dan in redelijkheid niet meer worden volstaan met een waarschuwing. De woning wordt dan ook zonder voorafgaande waarschuwing gesloten voor de duur van 6 maanden.
Indicaties (niet-limitatief) die erop kunnen duiden dat een woning geen of slechts een ondergeschikte woonfunctie heeft zijn:
•op het adres is geen actuele inschrijving in de Brp bekend;
•de hoeveelheid planten in verhouding tot de beschikbare ruimte;
•het niet op een normale wijze kunnen gebruiken van bijvoorbeeld de badkamer en/of het toilet en/of de keuken;
•een minimale inrichting om te slapen, verzorgen en koken;
•aanwijzingen dat de bewoning enkel bedoeld is voor de persoon die de plantage verzorgt en/of bewaakt;
•de professionaliteit waarmee de hennepplantage is opgebouwd;
•inschrijving van zogenoemde ‘spookburgers’;
•de woning is zonder hypotheek aangekocht;
•de eigenaar is een niet traceerbaar persoon;
•het aantreffen van personen die niet ingeschreven staan in de Basisregistratie personen of niet over een verblijfstitel in Nederland beschikken.
De woning wordt eveneens zonder voorafgaande waarschuwing gesloten voor de duur van 6 maanden indien er sprake is van het aantreffen van significante handelshoeveelheden softdrugs voor opslag en/of overslag. Hieronder wordt ook verstaan het op bedrijfsmatige schaal drogen/verwerken van hennep.
Heeft verweerder gehandeld in overeenstemming met zijn beleid?
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de woning in overwegende mate gebruikt werd ten behoeve van de teelt, verwerking, handel, bewerking en/of opslag van hennep, zodat in zoverre voldaan is aan de voorwaarden die in de beleidsregels zijn gesteld om niet eerst een waarschuwing te geven. Dat de woning van eiser in overwegende mate voor de hennepteelt is gebruikt, vindt steun in de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van 30 juni 2020 en de daarbij aanwezige foto’s. Daartoe overweegt de rechtbank dat in de bestuurlijke rapportage van 30 juni 2020 is vermeld dat de plantage zich bevond op de begane grond in een ruimte naast de keuken. In de keuken voor de keukenkastjes stonden meerdere afval zakken. Het aanrechtblad van de keuken was al een tijdje niet schoon gemaakt. In de ruimte die via de keuken te bereiken was stond een wasmachine en bevond zich een verplaatsbaar watervat. Aan de wateraansluiting in deze ruimte waren de waterleidingen ten behoeve van de Opticlimates en de kweekruimtes bevestigd. Tevens was er in deze ruimte een gat in de muur gemaakt, via dit gat kwam men in een soort berging/opslag. In deze berging/opslag lagen meerdere lege dozen met daarin lege stekkenbakken. Ook lagen er in deze ruimte lege zakken potgrond. In het pand werden geen vuile en/of schone kleren aangetroffen. Op de bovenverdieping stond een matras rechtop. De matras werd niet gebruikt om op te slapen. Verder werden er op de bovenverdieping geen persoonlijke spullen aangetroffen. In het pand stonden her en der wel spullen (kasten e.d.) maar geen persoonlijke gebruiksartikelen. Het pand maakte in zijn geheel een onbewoonde indruk. In het pand zouden volgens de melding wel personen komen, maar in de woning is geen sprake van enige normale bewoning.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 07 februari 2023
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 07 februari 2023
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
bijvoorbeeld de uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8566.