Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-10-10
ECLI:NL:RBLIM:2023:7593
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,084 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 10601836 \ AZ VERZ 23-78
Beschikking van de kantonrechter van 10 oktober 2023
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonend [adres] ,
[postcode] [plaatsnaam] ,
werknemer,
gemachtigde mr. R.A.J. van der Leeuw,
verzoekende partij,
tegen:
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [plaatsnaam] ,
werkgever,
gemachtigde mr. H.J.F. Wekking,
verwerende partij.
Partijen zullen hierna [verzoeker] en [verweerder] worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 7 juli 2023 ter griffie ontvangen verzoekschrift,
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling d.d. 29 augustus 2023.
1.2.
Daarna is beschikking bepaald.
Feiten
2.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1999, is op 1 mei 2022 bij [verweerder] in dienst getreden en vervulde laatstelijk de functie van [functienaam] tegen een loon van € 2.089,15 bruto per maand, inclusief vakantiebijslag. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd eindigend op 31 december 2022. De overeenkomst is daarna stilzwijgend voortgezet en zou voortduren tot 1 september 2023.
2.2.
Op 18 januari 2023 is de boekhouder van [verweerder] , de heer [boekhouder] , bij het afstorten van een geldbedrag van € 30.000,00 overvallen. De auto waarin [boekhouder] reed is daarbij door een andere auto aangereden, vervolgens is [boekhouder] met een ijzeren buis geslagen en is de bestuurder er met de tas met geld vandoor gegaan.
2.3.
[verdachte] wordt verdacht van de roofoverval. [verzoeker] en [verdachte] kennen elkaar van een eerdere gezamenlijke periode in detentie. [verzoeker] is op 14 maart 2023 als getuige door de politie verhoord.
2.4.
Op 11 mei 2023 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder] en [verzoeker] over de roofoverval. In verband met zijn vermeende betrokkenheid bij de roofoverval is [verzoeker] in dit gesprek op staande voet ontslagen. [verzoeker] berust in het gegeven ontslag op staande voet.
2.5.
[verweerder] heeft nog geen eindafrekening opgemaakt en uitbetaald.
Geschil
3.1.
[verzoeker] verzoekt – kort weergegeven – :
Te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig en zonder dringende reden is opgezegd;
[verweerder] te veroordelen tot betaling van het netto equivalent van:
a. € 1.111,97 bruto aan achterstallig loon inclusief vakantiegeld en wettelijke verhoging;
b. € 7.642,29 bruto aan gefixeerde schadevergoeding;
c. € 7.642,29 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedragen, aan billijke vergoeding;
d. € 754,42 aan transitievergoeding
afgifte van een bruto-netto specificatie op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;
betaling van de proceskosten
betaling van de wettelijke rente.
3.2.
[verweerder] heeft verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Op 29 augustus 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is daarbij niet verschenen. De reden daarvoor was, volgens zijn gemachtigde, dat de moeder van [verzoeker] met spoed in het ziekenhuis van Sofia, Bulgarije, was opgenomen. Dit is pas ter zitting naar voren gebracht door de gemachtigde van [verzoeker] . [verzoeker] heeft als gevolg daarvan zijn standpunt niet mondeling kunnen toelichten en de kantonrechter heeft hem niet kunnen bevragen over de feitelijke situatie. Dit komt voor zijn rekening en risico. [verweerder] is wel verschenen bij de mondelinge behandeling en zij heeft haar stellingen mondeling toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Door niet te verschijnen heeft [verzoeker] hetgeen door [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling is verklaard op een aantal punten onweersproken gelaten (waarover hierna meer). Dit komt eveneens voor zijn rekening en risico.
Het ontslag op staande voet
4.2.
[verzoeker] heeft berust in het ontslag op staande voet, zodat per 11 mei 2023 een einde is gekomen aan het dienstverband. Omdat hij aanspraak maakt op een aantal vergoedingen moet de vraag beantwoord worden of het ontslag op staande voet terecht is gegeven.
4.3.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor [verweerder] als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [verzoeker] , die ten gevolge hebben dat van [verweerder] redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
4.4.
In dit geval is [verzoeker] niet veroordeeld voor betrokkenheid bij de roofoverval. Evenmin is [verzoeker] daarvoor vervolgd. Dat laat onverlet dat de omstandigheden van het geval zodanig kunnen zijn dat van [verweerder] redelijkerwijze niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Een beroep op de onschuldpresumptie, zoals [verzoeker] in deze procedure doet, is onvoldoende om te concluderen dat een dringende reden ontbrak.
4.5.
Vast staat dat [verzoeker] en de verdachte [verdachte] elkaar kenden. Uit het opgemaakte politierapport blijkt dat, na uitlezen van de mobiele telefoon van [verdachte] , daarin [verzoeker] als contact stond opgeslagen als “ [verzoeker] ” met zijn mobiele telefoonnummer. Ook blijkt dat er een chat tussen [verzoeker] en [verdachte] heeft plaatsgevonden vanaf 11 juli 2022. In het rapport wordt daarover het volgende opgemerkt:
“Er werd gesproken over “morgen 100%”, “morgen is het zover”, “dan app me zodra hij gaat” en [verzoeker] reageerde met “morgen heeft die geen tandartsafspraak”. De [verdachte] heeft ook nog gestuurd “wis na je antwoord alles”, en [verzoeker] heeft hier gehoor aan gegeven. Hierdoor is de context van het gesprek moeilijk vast te stellen. Echter gezien de gebeurtenissen is het mogelijk dat [verzoeker] en [verdachte] iets aan het voorbereiden/beramen zijn. Verder werden er namelijk ook nog foto’s van de auto van de aangever ( [automerk] ) aangetroffen op de telefoon van [verdachte] ”.
4.6.
In het kader van het politieonderzoek is [verzoeker] op 14 maart 2023 als getuige door de politie verhoord. Nadat de politie [verzoeker] had geconfronteerd met de chatgesprekken heeft [verzoeker] enkel ontwijkende antwoorden gegeven op de vragen die hem werden gesteld over [verdachte] en over de chatgesprekken. Zo verklaart [verzoeker] in eerste instantie dat hij [verdachte] niet kent. Pas na aandringen geeft [verzoeker] toe dat hij [verdachte] toch kent. Verder verklaart [verzoeker] eerst dat hij slechts één of twee keer is gebeld door [verdachte] na zijn detentie, omdat laatstgenoemde geld wilde lenen. Na confrontatie met enkele chats waaruit blijkt dat is gesproken over andere zaken dan het lenen van geld, geeft [verzoeker] enkel ontwijkende antwoorden. Zo verklaart [verzoeker] dat hij niet meer weet wanneer hij met [verdachte] geappt heeft en waarover de gesprekken gingen. Ook over de tandartsafspraak en het aantreffen van een foto op de telefoon van [verdachte] in de periode waarin de gesprekken tussen [verzoeker] en [verdachte] plaatsvonden en waarop de auto van het slachtoffer op de plaats waar deze uiteindelijk is overvallen, wordt geen duidelijkheid verschaft.
4.7.
Op de mondelinge behandeling heeft [verweerder] verklaard dat in het gesprek op 11 mei 2023 is gesproken over de roofoverval en over de betrokkenheid van [verzoeker] . Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] de betrokkenheid eenvoudigweg ontkend zonder daar veel woorden aan vuil te maken. [verzoeker] verklaarde “er niks aan hebben toe te voegen”. [verzoeker] heeft dit niet weerlegd omdat hij niet op de mondelinge behandeling is verschenen. De toelichting van [verweerder] op dit punt staat daarom als onweersproken vast.
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter levert het complex van voornoemde feiten en omstandigheden voldoende grond op voor een ontslag op staande voet. [verweerder] mocht op basis van het eindrapport van de politie en het proces-verbaal van verhoor van [verzoeker] redelijkerwijze concluderen dat [verzoeker] enige betrokkenheid had bij de roofoverval op [boekhouder] . Met name de ontwijkende antwoorden van [verzoeker] en het ontbreken van een zinnig weerwoord tijdens het gesprek op 11 mei 2023 zijn daarbij doorslaggevend. Daar komt bij dat in dit geval niet sprake is van een roofoverval op een derde die niets met [verweerder] te maken heeft. De roofoverval vond plaats op andere medewerker van [verweerder] en daarbij is een grote som geld van [verweerder] gestolen. Verder weegt mee dat [verzoeker] nog niet erg lang bij [verweerder] werkte.
[verweerder] mocht daarom overgaan tot het geven van ontslag op staande voet.
4.9.
De kantonrechter is ook van oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven. [verweerder] is immers eerst op 10 mei 2023 in het bezit gesteld van de eindrapportage van de politie waarna zij meteen de dag erna in gesprek is gegaan met [verzoeker] en hem per die datum op staande voet heeft ontslagen. De eindrapportage is aan [verweerder] verstrekt in de strafrechtelijke procedure tegen [verdachte] . [verweerder] heeft ter onderbouwing van de datum van ontvangst een emailbericht van haar advocaat in die strafrechtelijke procedure overgelegd. [verzoeker] heeft niets daar tegenover gesteld waaruit zou volgen dat [verweerder] eerder in het bezit was van de eindrapportage. Uit de eindrapportage blijkt dat [verzoeker] als getuige is gehoord door de politie en dat chats hebben plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [verdachte] .
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van het netto equivalent van het bedrag van € 1.111,97 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien betaling niet binnen zeven dagen na betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden,
5.2.
veroordeelt [verweerder] om uiterlijk binnen zeven dagen na het betekenen van deze beschikking een deugdelijke bruto/netto specificatie aan [verzoeker] te verstrekken waaruit de eindafrekening van het dienstverband blijkt,
5.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart deze beschikking ten aanzien van de hierin uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. T. Dohmen en in het openbaar uitgesproken.
type: PLG
coll: