Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-12-06
ECLI:NL:RBLIM:2023:7158
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,090 tokens
Inleiding
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10573433 \ CV EXPL 23-2655
Vonnis van 6 december 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap [eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord en de producties die [gedaagde] dezelfde dag overgelegd heeft, - de brief van 17 augustus 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] heeft op grond van een overeenkomst van opdracht juridische werkzaamheden verricht voor [gedaagde] . Voor deze werkzaamheden heeft [eiseres] facturen aan [gedaagde] gezonden. Op grond daarvan heeft [eiseres] voor de door haar verrichte werkzaamheden facturen aan [gedaagde] gezonden. Ondanks sommaties van [eiseres] heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.992,76 onbetaald gelaten.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.417,04, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[eiseres] heeft de desbetreffende facturen in het geding gebracht. Die facturen bevatten specificaties van de door [eiseres] verrichte werkzaamheden. [gedaagde] betwist niet dat die werkzaamheden zijn verricht op basis van de met [eiseres] gesloten overeenkomst. Ook betwist [gedaagde] niet de juistheid van de bedragen die [eiseres] gefactureerd heeft en evenmin betwist [gedaagde] dat hij deze facturen niet betaald heeft. In beginsel is [gedaagde] dan ook de gevorderde hoofdsom aan [eiseres] verschuldigd.
4.2.
Het verweer van [gedaagde] biedt onvoldoende grond om de gevorderde hoofdsom van € 2.992,76 geheel of deels af te wijzen. [gedaagde] is van mening dat [eiseres] hem niet goed heeft bijgestaan in diverse procedures. Hij stelt dat [eiseres] meerdere fouten heeft gemaakt en dat de alimentatie daardoor te hoog is ingeschat. Zelfs als deze stellingen van [gedaagde] juist zijn, is hij toch de gevorderde hoofdsom verschuldigd. Hij is dat bedrag nu eenmaal verschuldigd op grond van de met [eiseres] gesloten overeenkomst. Dat zou anders kunnen zijn in het geval hij aan de (gestelde) wanprestatie van [eiseres] juridisch relevante gevolgen zou verbinden. Het simpelweg niet betalen van de facturen valt daar niet onder.
4.3.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat de gestelde wanprestatie van [eiseres] niet is komen vast te staan. [eiseres] heeft namelijk aangevoerd dat zij [gedaagde] in verband met de alimentatieprocedure via e-mails en apps heeft gevraagd de relevante gegevens aan te leveren en dat [gedaagde] in reactie daarop heeft geantwoord deze informatie niet te willen geven. [gedaagde] stelling dat hij die gegevens later alsnog persoonlijk naar het kantoor van [eiseres] heeft gebracht, kan hem niet baten. Uit de stellingen van [eiseres] blijkt namelijk dat [eiseres] dit betwist en [gedaagde] heeft zelf verklaard dat hij geen bewijs heeft van het aanleveren van de stukken aan [eiseres] . Op grond van deze partijdiscussie moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde] niet de benodigde gegevens aan [eiseres] heeft verstrekt. [gedaagde] kan dan niet met succes volhouden dat de alimentatie te hoog is vastgesteld door een fout van [eiseres] .
4.4.
Op grond van voorgaande overwegingen zal de gevorderde hoofdsom van € 2.992,76 worden toegewezen.
4.5.
[eiseres] vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen, telkens vanaf 14 dagen na verzending van de onbetaald gelaten facturen.
4.6.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] is een natuurlijk persoon die (in deze zaak) niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. [gedaagde] is daarom eerst incassokosten verschuldigd nadat hij vruchteloos is aangemaand op de wijze als is bepaald in artikel 6:96 lid 6 BW. Weliswaar stelt [eiseres] dat zij [gedaagde] aangemaand heeft, maar of die aanmaningen voldoen aan art. 6:96 lid 6 BW heeft zij niet gesteld. Wel betoogt [eiseres] uitgebreid dat er incassowerk verricht is dat zij daarvan “voor zover nodig” bewijs aanbiedt en dat deze werkzaamheden redelijk zijn zodat de kosten volgens haar voor rekening van [gedaagde] dienen te komen. Dit betoog slaagt niet aangezien [eiseres] uit het oog verliest dat voor de toewijsbaarheid van de incassokosten alleen relevant is of aan [gedaagde] een correcte zgn. veertiendagenbrief is gezonden en daarover stelt [eiseres] niets. De gevorderde vergoeding van incassokosten van € 424,28 (en de daarover gevorderde wettelijke handelsrente) zal dus worden afgewezen.
4.7.
[gedaagde] is de partij die grotendeels ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
107,84
- griffierecht
€
487,00
- salaris gemachtigde
€
464,00
(2,00 punten × € 232,00)
Totaal
€
1.058,84.
De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na vandaag tot de dag van betaling.
4.8.
In deze beschikking hoeft geen aparte beslissing te worden genomen over de verzochte nakosten. De kantonrechter verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853).
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.992,76, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen (zijnde 14 dagen na verzending) tot de dag van betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot dit vonnis vastgesteld op € 1.058,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na vandaag tot de dag van betaling,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2023.