Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-11-28
ECLI:NL:RBLIM:2023:6940
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,150 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 21/1421
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , woonplaats onbekend, eiser
(gemachtigde: mr. S. Burmeister),
en
de korpschef van de politie
(gemachtigde: mr. E.E. van Herk).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek van eiser.
1.1.
Eiser heeft de korpschef verzocht om de GRIP-informatie van 31 december 2014 (de GRIP-informatie) te vernietigen of af te schermen. De korpschef heeft dit verzoek met het besluit van 1 april 2021 afgewezen omdat het behouden van deze informatie noodzakelijk is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de tenuitvoerlegging van straffen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. E.N. Geboers als waarnemend gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de korpschef.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de korpschef terecht het verzoek van eiser heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser heeft enige tijd in een penitentiaire inrichting vastgezeten. Op 31 december 2014 is er een mutatie gemaakt in het GRIP politieregister, waarin onder andere staat dat eiser zich zorgen maakt omdat hij op een ‘dodenlijst’ staat. In die mutatie staat verder dat die dreiging wordt bevestigd door het team zware criminaliteit van de politie.
4.1.
Eiser heeft de korpschef verzocht om de GRIP-informatie uit het politieregister te verwijderen, omdat hij veel nadelige gevolgen ervaart door deze informatie. Zo wordt hij gehinderd in zijn mogelijkheden om te faseren en om met verlof te gaan. Hij merkt daarnaast op dat de informatie verouderd is, nu die dateert uit 2014 en er sindsdien geen nieuwe informatie meer bekend is geworden. Hij vindt daarom dat hij onevenredig wordt benadeeld. De enkele stelling dat de politie en het Openbaar Ministerie geen update kunnen geven over de informatie uit 2014, is naar de mening van eiser onvoldoende om het vernietigingsverzoek af te wijzen.
Heeft eiser nog belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep?
5. Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels niet meer in detentie verblijft, maar voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. De rechtbank ziet zich daardoor ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Ter zitting heeft de korpschef aangegeven dat de GRIP-informatie nog niet is verwijderd, en dat dit ook niet direct gebeurt zodra een betrokkene uit detentie komt. Hoewel eiser op dit moment geen nadelige gevolgen ervaart door de GRIP-informatie, zoals de door hem gestelde gevolgen ten aanzien van fasering en verlof, heeft de gemachtigde van eiser genoegzaam onderbouwd dat deze informatie weer direct van belang kan worden bij een eventuele nieuwe aanhouding of detentie. Nu er sprake is van een voorwaardelijke invrijheidstelling acht de rechtbank dat een voldoende direct en actueel belang, zodat de rechtbank het beroep van eiser inhoudelijk zal beoordelen.
Heeft de korpschef het verzoek van eiser kunnen afwijzen?
6. Een betrokkene heeft recht op vernietiging van politiegegevens in het geval die gegevens zijn verwerkt in strijd met een wettelijk voorschrift, of wanneer vernietiging nodig is om aan een wettelijke verplichting te voldoen. Tussen partijen is niet in geschil dat deze situaties zich in het geval van eiser niet voordoen. De korpschef heeft reeds hierom het verzoek van eiser kunnen afwijzen.
6.1.
De rechtbank acht de afwijzing van het verzoek van eiser ook niet onevenredig. De korpschef heeft in het afwijzingsbesluit voldoende gemotiveerd dat het bewaren van de GRIP-informatie noodzakelijk en evenredig is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de tenuitvoerlegging van straffen en dat het niet mogelijk is om de GRIP-informatie te ontkennen of af te zwakken. Bovendien is het in het belang van de veiligheid dat deze informatie bewaard blijft. Dat belang weegt zwaarder dan het persoonlijk belang van eiser. Dat eiser al een geruime tijd geen extra beveiliging meer heeft en hetgeen eiser verder aanvoert, kan niet tot een andere conclusie leiden. Daarbij is ook van belang dat de nadelige gevolgen die eiser noemt géén directe gevolgen zijn van het besluit van de korpschef, maar dat dit beslissingen zijn van de directeur van de penitentiaire inrichting waarover eiser bij de beklagcommissie kan klagen.
6.2.
Ter zitting heeft eiser de juistheid van de GRIP-informatie betwist omdat deze informatie niet meer actueel is, en de korpschef gevraagd de informatie af te schermen.
6.3.
In plaats van vernietiging dient de korpschef voor afscherming te zorgen indien de juistheid van de gegevens wordt betwist, en de (on)juistheid niet kan worden geverifieerd door de korpschef.
6.4.
Nog los van het gegeven dat eiser pas ter zitting, en dus veel te laat, de GRIP-informatie heeft betwist, heeft de korpschef hierin naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om de informatie af te schermen. Eiser betwist de GRIP-informatie namelijk alleen omdat deze niet meer actueel zou zijn. Dat is geen betwisting van de juistheid van deze informatie als bedoeld in de Wpg. Dat de bedreiging niet meer actueel zou zijn betekent immers niet dat er in het verleden geen sprake was van een doodsbedreiging richting eiser en dat de GRIP-informatie dus onjuist is.
Zou de korpschef de gegevens op een andere grondslag moeten verwijderen?
7. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat de gegevens inmiddels op basis van een andere grondslag dienen te worden verwijderd. Het GRIP betreft namelijk informatie over gedetineerden en eiser verblijft niet meer in detentie.
8. Aan deze beroepsgrond komt de rechtbank niet toe. Nog los van het gegeven dat deze grond pas ter zitting, en dus veel te laat, naar voren is gebracht, geldt dat de rechtbank het besluit van de korpschef toetst naar de omstandigheden zoals die zijn op het moment waarop het besluit is genomen. Op dat moment verbleef eiser nog wel in detentie. Indien eiser vindt dat de gegevens (in ieder geval) nu wel dienen te worden verwijderd, kan hij daartoe een nieuw verzoek bij de korpschef indienen.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het afwijzingsbesluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 28 november 2023
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 28, eerste lid, van de Wpg.
Zie ook artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg.
Dit volgt uit artikel 28, tweede lid van de Wpg.