Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-11-15
ECLI:NL:RBLIM:2023:6737
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,461 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10724890 \ CV EXPL 23-4208
Vonnis van de kantonrechter van 15 november 2023
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
eisende partij,
gemachtigde drs. M.D. Brouwer,
tegen:
[gedaagde]
,
wonende [adres] ,
[woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
Eisende partij vordert, samengevat, de veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 608,42, vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
Ter onderbouwing van haar vordering voert eisende partij (samengevat) het volgende aan.
Achmea Zorgverzekeringen N.V. (hierna: Achmea) heeft op grond van een met gedaagde partij gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij gedaagde partij in rekening gebracht. De totale achterstand bedraagt volgens Achmea € 661,57. Daarnaast is gedaagde partij aan haar de wettelijke rente verschuldigd. Achmea berekent de wettelijke rente tot en met 15 september 2023 op € 15,81. Voorts stelt zij dat gedaagde partij aan haar een vergoeding van € 91,04 voor buitengerechtelijke kosten inclusief btw verschuldigd is. Op de vordering kan nog een bedrag van € 160,00 aan deelbetalingen in mindering strekken. De vordering van Achmea is gecedeerd aan eisende partij.
2.3.
Gedaagde partij weerspreekt de vordering niet, maar hij vindt de bijkomende kosten onterecht. Doordat hij gedwongen is opgenomen heeft hij zijn post nooit ontvangen.
Beoordeling
3.1.
Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.
Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden.
3.3.
Uit het antwoord van gedaagde partij is de kantonrechter gebleken dat de vordering ten aanzien van de hoofdsom niet althans onvoldoende wordt betwist, zodat deze voor toewijzing in aanmerking komt.
3.4.
Gedaagde partij heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de gevorderde vervallen wettelijke rente van € 15,81, zodat die - als op de wet gegrond - wordt toegewezen.
3.5.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf 16 september 2023 aangezien de vervallen rente al tot en met 15 september 2023 is berekend.
3.6.
Eisende partij maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en heeft daartoe verwezen naar de brief van 16 augustus 2023.
Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW dient een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, in dit geval de veertiendagenbrief, om haar werking te hebben die persoon te hebben bereikt. Gedaagde partij stelt dat dit niet het geval is. Nu eisende partij zich op de rechtsgevolgen van haar stelling beroept, is het op grond van artikel 150 Rv aan eisende partij om te bewijzen dat gedaagde partij de veertiendagenbrief heeft ontvangen. Nu deze brief niet aangetekend is verzonden, valt niet met zekerheid vast te stellen dat gedaagde partij de veertiendagenbrief heeft ontvangen. Derhalve oordeelt de kantonrechter dat gedaagde partij de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet is verschuldigd. In zoverre zal de vordering dan ook worden afgewezen.
3.7.
De conclusie van het voorgaande is dat een bedrag van € 517,38, bestaande uit:
- € 661,57 aan hoofdsom
- € 15,81 aan vervallen wettelijke rente
- minus € 160,00 aan deelbetalingen
zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 501,57 vanaf 16 september 2023 tot de dag van volledige betaling.
3.8.
Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
dagvaarding € 130,49
griffierecht € 322,00
salaris gemachtigde € 132,00
totaal € 584,49
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 517,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 501,57 vanaf 16 september 2023 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 584,49,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.V.L. Heuts en in het openbaar uitgesproken.
type: JEC