Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-11-15
ECLI:NL:RBLIM:2023:6736
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,588 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: 10354508 CV EXPL 23-679
Vonnis in incident van de kantonrechter van 15 november 2023
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EXCELLENT EQESTRIAN SERVICES INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Heerlen,
eisende partij in de hoofdzaak in conventie,
gedaagde partij in de hoofdzaak in (voorwaardelijke) reconventie,
eisende partij in het incident,
gemachtigde mr. G.M.M. van Tilborg,
tegen
[gedaagde]
,
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie,
eisende partij in de hoofdzaak in (voorwaardelijke) reconventie,
verwerende partij in het incident,
gemachtigde mr. D.G.A. Rossi.
Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 17
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie en voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 t/m 7
de conclusie van antwoord in reconventie
de akte van [gedaagde] houdende producties 8 en 9
de akte houdende eiswijziging, tevens akte overleggen producties 18 t/m 27, tevens houdende het verzoek tot verwijzing naar de rechtbank (handelszaken),
de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
in de hoofdzaak en in het incident
2.1.
[eisers] wensen hun eis te vermeerderen tot een bedrag van boven de competentiegrens van de kantonrechter.
2.2.
[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering. Zij is van mening dat de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde aangezien [eisers] reeds ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op de hoogte waren (of hadden kunnen zijn) van de omvang van hun vorderingen. De wijze van procederen van [eisers] leidt tot onredelijke vertraging van het geding. Indien de betreffende stukken en documenten immers reeds bij dagvaarding waren overgelegd, dan had [gedaagde] daar in haar conclusie van antwoord al op kunnen reageren, aldus [gedaagde] .
2.3.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan te wijzigen (artikel 130 Rv). De rechter dient een dergelijke vordering toe te staan, tenzij sprake is van handelen in strijd met de eisen van een goede procesorde. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan geen sprake.
2.4.
[eisers] hebben uitgelegd wat hen ertoe heeft gebracht een eisvermeerdering te vorderen en ook waarom zij dat pas in dit (late) stadium van de procedure hebben gedaan. Zij hadden immers op het moment van dagvaarden nog niet de beschikking over alle (bewijs)stukken en facturen. Daarnaast zijn volgens [eisers] ook nieuwe kosten gemaakt. Dat [gedaagde] hierop niet bedacht was en dat de wijziging van eis wel leidt tot enige vertraging van het geding (de mondelinge behandeling is immers uitgesteld), maakt niet dat sprake is van een onaanvaardbare vertraging van het geding. In de argumenten van [gedaagde] ziet de kantonrechter derhalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde.
2.5.
De eisvermeerdering wordt toegestaan en leidt ertoe dat de kantonrechter thans niet meer bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. De zaak zal worden verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank.
2.6.
Dictum
De kantonrechter
in het incident
3.1.
verklaart zich absoluut onbevoegd om van de vordering kennis,
in de hoofdzaak
3.2.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, op woensdag 29 november 2023 voor beraad voortzetting,
3.3.
wijst partijen erop dat zij in het volg van de procedure alleen bij advocaat kunnen procederen;
3.4.
wijst [eisers] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, dat deze verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraaak.nl en dat deze verhoging binnen 4 weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort,
3.5.
wijst [gedaagde] erop dat na verwijzing griffierecht verschuldigd is, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen 4 weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort,
3.6.
wijst [gedaagde] erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij/zij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
1º. een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem/haar zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging dan wel
2º. een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging); zie www.rvr.org.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken.
RJ