Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-10-16
ECLI:NL:RBLIM:2023:6090
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,398 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03/317392-22
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 oktober 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1992,
BRP-adres: [adres] ,
gedetineerd in de [P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.D. Thomas, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 oktober 2023. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. M.A.W. Ketelaars. De benadeelde partij is niet op de zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden met een mes (primair), dan wel hem hiermee zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (subsidiair).
Beoordeling
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de letselbeschrijvingen, de verschillende getuigenverklaringen en de verklaring van de verdachte. Uit het dossier blijkt dat de verdachte met een mes in het bovenlichaam van [slachtoffer] heeft gestoken. Door aldus te handelen, bestond er een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij [slachtoffer] , welke aanmerkelijke kans de verdachte ook heeft aanvaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen – bepleit dat de verdachte op grond van de feiten en omstandigheden in het dossier dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van noodweer(exces).
3.3
Beoordeling
Inleiding
Op 11 november 2022 zijn zowel de verdachte als [slachtoffer] in het centrum van Venray, als op enig moment een stoei/vechtpartij tussen hen ontstaat. Er wordt over en weer geduwd en de verdachte wordt door [slachtoffer] op de grond gegooid en bij zijn nek gepakt. Tot zover lopen de lezingen van [slachtoffer] en de verdachte niet uiteen. Wel staat ter discussie hoe de daarop volgende worsteling die uitmondde in het steekincident en die plaatsvond op de hoek van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] te Venray, is verlopen en hoe dit juridisch beoordeeld moet worden. Dit komt bij de bespreking van het beroep op noodweer(exces) verder aan de orde. De rechtbank zal eerst de bewijsmiddelen weergeven op grond waarvan zij het feit bewezen acht en zal daarna ingaan op de strafuitsluitingsgronden waarop de verdediging zich heeft beroepen.
Bewijsmiddelen
[slachtoffer] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op 11 november 2022 was ik in het centrum van Venray. Ik ben samen met [naam 1] en een vriend van hem rond gaan lopen. Terwijl we rondliepen kwamen we de jongen tegen die mij later heeft gestoken. Ik noem de jongen verder persoon 1 (de rechtbank begrijpt: de verdachte). Ter hoogte van de nachtwinkel was ik met persoon 1 aan het stoeien. Op een gegeven moment liep het een beetje uit de hand en begonnen we elkaar wat harder te duwen. Het klopt dat ik hem op de grond heb gegooid en dat ik hem met mijn arm om zijn nek heb gepakt. Ik lag op hem. Ik pakte met twee handen zijn nek vast. Mijn ketting is kapot gegaan. Ik zag het wel nog steeds als stoeien. Ik zag dat persoon 1 ineens wegliep. Kort nadat persoon 1 was weggelopen zag ik dat hij terug kwam lopen.
Ik zag dat hij vervolgens op zijn fiets stapte en in de richting van het [park] fietste. Ik bleef achter hem aan lopen en zeggen dat we vrienden waren. Ik werd toen ook een beetje boos. Ik zag dat hij kort hierop stopte, van zijn fiets afstapte en in mijn richting kwam gelopen. Ik zag en voelde dat persoon 1 mij op mijn borst duwde c.q. sloeg. Ik wilde voorkomen dat hij iets anders zou doen, waarop ik hem bij zijn hoofd pakte en hem naar de grond wilde brengen. Uit verdediging heb ik hem op de grond gedrukt. Ik voelde plotseling iets nats. Dit was op de plek waar nu het verband zit en waar ik gestoken ben ter hoogte van mijn long. Ik voelde meteen pijn.
[getuige 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik zag dat [slachtoffer] en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) aan het stoeien waren. De eerste keer was op de [straatnaam 3] nabij de avondwinkel. [verdachte] is daarna weggegaan. Ik zag hem echter weer terugkomen en [slachtoffer] zei toen steeds tegen hem ‘kom naar het park om te vechten’. [verdachte] zat op dat moment op de fiets en [slachtoffer] wilde hem aanvallen. Ik zag dat [slachtoffer] naar [verdachte] toe ging. Ik heb gezien dat [slachtoffer] [verdachte] vast had. [slachtoffer] zijn onderarm / elleboog zat om de nek van [verdachte] . [slachtoffer] lag op [verdachte] . Ik duwde hem weg door tegen zijn schouder te duwen. Ik zag [slachtoffer] opstaan en ik liep vervolgens weg.
Uit de Forensisch medisch letselrapportage GGD Limburg-Noord naar aanleiding van het letselonderzoek bij [slachtoffer] volgt onder meer het volgende:
Het slachtoffer heeft twee wonden opgelopen. Het betreft twee scherprandige letsels (steek-/snijwonden). Eén op zijn linker onderarm en één onder zijn linker oksel.
Op de linker onderarm, op de overgang van buig- naar strekzijde aan pinkzijde op ongeveer 8 cm van de elleboog, bevindt zich in de lengte richting van de arm een medische behandelde scherprandige onderbreking van de huid van 4 cm lengte. Dit letsel betreft een snij- of steekwond.
Op de borstkas, (linker zijde, midden onder de oksel, 1,5 cm onder de rand van de okselbeharing), bevindt zich een medisch behandelde scherprandige onderbreking van de huid van 2 cm lengte in dwarse (horizontale) richting. Dit letsel betreft een steekwond en was dusdanig penetrerend in de borstholte dat een klaplong ontstond. Het betrof een klaplong van de bovenkwab van de linker long.
Vanwege de klaplong moest er een longdrain worden geplaatst. Voor de plaatsing van deze drain moest er een extra snijwond worden gemaakt.
De 3 wonden zijn gehecht in het ziekenhuis.
De longdrain kon na 2 dagen worden verwijderd, waarna het slachtoffer kon worden ontslagen voor verder herstel thuis.
De wonden en de longfunctie zullen naar verwachting volledig herstellen.
De verwachte genezingsduur betreft acht weken.
De verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op 11 november 2022 ging ik na mijn werk naar het dorp. We gingen met een groep mensen heen en weer lopen, want het was carnaval. Toen we gingen lopen kwam [slachtoffer] agressief doen. Hij wilde met mij vechten. Hij begon mij te duwen en hij pakte me met zijn arm om mijn nek. Hij gooide me op de grond. Ik viel met mijn gezicht op de grond. Hij lag bovenop mij. Ik lag op mijn buik en hij lag op mijn rug. Hij had me in een soort nekklem vast en ik voelde dat ik geen zuurstof meer kreeg. Ik greep naar achteren en trok aan zijn jas en ketting. Zijn ketting ging daarbij kapot. Daarna liet hij me los. Ik bleef even op de grond liggen om weer op adem te komen. Ik heb aan de mensen om me heen gevraagd om de politie te bellen. Ik was bang. Ik liep daarna naar mijn fiets. Hij pakte me vervolgens bij mijn hoofd met twee handen en duwde me tegen een muur. Hij schudde mijn hoofd heen en weer en ik hoorde hem zeggen dat hij het niet zo bedoelde. Ik hoorde hem sorry zeggen. Ik wilde weg gaan omdat ik geen problemen wilde. Hij liet me daarna weer los omdat de andere mensen zeiden dat hij moest stoppen.
Ik stapte op de fiets maar [slachtoffer] bleef achter mij aanlopen. [slachtoffer] begon mij te achtervolgen. Ter hoogte van de [straatnaam 2] stopte ik. Ik zei tegen [slachtoffer] : “Wat wil je?” Ik zag dat [slachtoffer] zijn jas op een paal hing. Hij bleef agressief naar mij en zei “we gaan vechten”. Ik stapte op de fiets en fietste weg. [slachtoffer] kwam achter mij aan. Hij was te dichtbij om weg te kunnen fietsen. [slachtoffer] begon achter me aan te rennen. Ik was bang dat hij mij van achteren op mijn hoofd wilde slaan. Ik ben toen van de fiets afgestapt en ik vroeg wat hij wilde. In het vervolg op dat moment, pakte [slachtoffer] mij net als de eerste keer weer vast en hij duwde me op de grond. Toen ik op de grond lag zag ik een mes liggen. Ik lag op mijn buik op de grond. [slachtoffer] zat bovenop me en had me in een nekklem. Ik kreeg geen lucht doordat hij zijn arm om mijn nek had. Ik dacht dat ik doodging, ik moest terugdenken aan de eerste keer. Ik pakte het mes en zwaaide naar achteren. Ik voelde dat hij me losliet en hij rende de bocht om. Ik heb gekeken waar hij naartoe ging en vervolgens heb ik mijn fiets van de grond gepakt en ben ik weggegaan.
Het was niet mijn bedoeling om hem te steken.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer kan worden gehonoreerd als aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo’n aanranding is onvoldoende. De gestelde (dreigende) aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.
De rechtbank ziet zich hierbij voor de vraag gesteld of de feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door en namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.
De rechtbank stelt voorop dat het steken met het mes van [slachtoffer] door de verdachte niet op de -ter zitting getoonde- camerabeelden te zien is. Dat is een wezenlijke vaststelling. De verklaringen van de verdachte en [slachtoffer] over het steekincident zelf lopen, zoals eerder overwogen, uiteen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat het slachtoffer achteruit liep, weg van de dader en dat hij zag dat de verdachte met gestrekte arm met kracht een slaande beweging maakte naar de linker bovenarm van het slachtoffer en dat het slachtoffer geraakt werd. De rechtbank concludeert echter dat zij op basis van het dossier niet kan vaststellen waar getuige [getuige 2] zich op het moment van het steekincident precies bevond. Daarom kan niet worden vastgesteld vanuit welke hoek en positie hij het steekincident heeft waargenomen en/of wat hij überhaupt daarvan heeft kunnen zien. De handelingen, waaronder de stekende beweging, zoals beschreven door getuige [getuige 2] zijn niet op de camerabeelden te zien en ook is getuige [getuige 2] zelf, voor zover de rechtbank op de camerabeelden heeft kunnen vaststellen, op geen enkel moment daarop te zien. Dat is relevant omdat, gezien zijn verklaring over zijn eigen looproute voorafgaand aan het steekincident, het niet anders kan dan dat hij wel op de camerabeelden te zien zou moeten zijn geweest. Dit, om gelet op de plek waar het steekincident heeft plaatsgevonden, het steekincident te hebben kunnen waarnemen. Daar komt bij dat de getuige ook zelf heeft verklaard dat hij op enig moment geen zicht meer had op de verdachte en [slachtoffer] , omdat zij de hoek om gingen. Dat moment is wel zichtbaar op de camerabeelden. De rechtbank stelt aldus vast dat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat hetgeen getuige [getuige 2] zegt te hebben gezien, hij ook daadwerkelijk heeft kunnen waarnemen. Er is op dit punt onvoldoende duidelijkheid met betrekking tot zijn verklaring om deze bij de beoordeling van het door verdachte gevoerde verweer te betrekken. Zijn verklaring sluit de verklaring van de verdachte naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet uit.
Uit hetgeen hierboven onder 3.3 is overwogen volgt dat er in de avond van 11 november 2022 meerdere incidenten hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en aangever [slachtoffer] . Het uiteindelijke steekincident vond plaats op de hoek van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] te Venray. Hoewel de verklaringen van [slachtoffer] en de verdachte over het eerste incident grotendeels overeenkomen, verschillen hun lezingen voor wat betreft het tweede incident (het steekincident). De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] hem eerder die avond op de grond had gegooid en hem in een soort nekklem hield, waardoor hij geen zuurstof meer kreeg. Toen de ketting van [slachtoffer] kapot ging liet hij de verdachte los. Dit incident wordt door meerdere bewijsmiddelen bevestigd en staat naar het oordeel van de rechtbank vast. De verdachte pakte daarna zijn fiets om weg te gaan, maar [slachtoffer] bleef hem achtervolgen. De verdachte fietste weg en [slachtoffer] kwam achter hem aan. [slachtoffer] bleef agressief en zei dat hij wilde vechten. Omdat de verdachte bang was dat [slachtoffer] hem van achteren zou slaan, stapte hij van zijn fiets. Net als de eerste keer pakte [slachtoffer] hem even later wederom vast en duwde hem op de grond. De verdachte lag op zijn buik op de grond en [slachtoffer] zat bovenop hem, terwijl hij de verdachte wederom in een nekklem had. De verdachte kreeg daardoor wederom geen lucht en hij dacht dat hij doodging. De verdachte kreeg vervolgens een mes in handen en zwaaide met het mes naar achteren, waarop [slachtoffer] hem losliet.
De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van de verdachte op meerdere punten steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 1] . Alhoewel laatstgenoemde verklaart het steken zelf niet te hebben gezien, verklaart hij wel dat [slachtoffer] de verdachte vast had, dat de onderarm/elleboog van [slachtoffer] om de nek van de verdachte zat en dat [slachtoffer] op de verdachte lag. Ter terechtzitting heeft de rechtbank ook vastgesteld dat getuige [getuige 1] te zien is op de camerabeelden op de hoek van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] , dat hij achter de verdachte en [slachtoffer] aanloopt en dat hij -anders dan de getuige [getuige 2] - aldus heeft kunnen waarnemen hetgeen hij zegt te hebben gezien.
Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke toedracht, zoals die door de verdachte is gesteld, niet wordt uitgesloten door enig ander bewijsmiddel in het dossier en het verhandelde ter zitting, behalve dan door de verklaring van aangever [slachtoffer] . De verklaring van de verdachte vindt bovendien steun -voor wat betreft het opnieuw in een nekklem worden genomen door [slachtoffer] en het op de grond liggen- in de verklaring van getuige [getuige 1] . Alhoewel er enige onzekerheid blijft over de precieze toedracht van het steekincident en ook over de vraag waar het mes vandaan is gekomen, staat dit niet in de weg aan het oordeel dat de door verdachte gestelde feitelijke toedracht voldoende aannemelijk is geworden.
De gedragingen van [slachtoffer] , die eruit bestonden dat hij bovenop de verdachte zat of lag en dat hij de verdachte in een nekklem hield, kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lichaam van de verdachte waartegen hij zich moest verdedigen. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij geen lucht kreeg en dat hij bang was dat hij dood zou gaan, te meer omdat de verdachte hem kort tevoren ook al in een nekklem had gehouden waardoor hij geen lucht meer kreeg. De rechtbank is van oordeel dat op dat moment geen sprake was van een mogelijkheid voor de verdachte om zich aan de aanval te onttrekken. De verdachte mocht zich aldus tegen de aanval van [slachtoffer] verdedigen. Naar het oordeel van de rechtbank was de wijze waarop de verdachte zich verdedigde tijdens de confrontatie met de aangever noodzakelijk en proportioneel. De verdachte had op dat moment, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, weinig andere reële mogelijkheden meer dan zich te verweren met het mes. Het beroep op noodweer slaagt derhalve.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat er een omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit. Het feit is derhalve niet strafbaar en de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
5.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering ingediend met betrekking tot de geleden schade als gevolg van het ten laste gelegde. Hij vordert een schadevergoeding van
€ 15.364,59, bestaande uit € 9.364,59 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade.
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;
Voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de schade;
veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van de procedure en begroot deze kosten aan de zijde van de verdachte tot op heden op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Hermanides, voorzitter, mr. P. Pulles en mr. S.A.M.C. van de Winkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.C. van den Munckhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 oktober 2023.
Buiten staat
Mr. P. Pulles is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 11 november 2022 in de gemeente Venray ter uitvoering van het
door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te
beroven, met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig
voorwerp, in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 november 2022 in de gemeente Venray ter uitvoering van het
door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar
lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met een mes, in elk geval met een
scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken
en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2022177011, onderzoek Fuego, gesloten d.d. 17 februari 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 238.
Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 12 november 2022, p. 31-33; proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 13 november 2022, p. 34-38; proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 10 december 2022, p. 39-47.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 14 november 2022, p. 90-96.
Een geschrift, te weten de forensisch medisch letselrapportage GGD Limburg-Noord d.d. 24 januari 2023, p. 176-182.
Proces-verbaal van verhoor verdachte van 5 december 2022, p. 214-223; Proces-verbaal van verhoor verdachte van 18 januari 2023, p. 224-235. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 oktober 2023.