Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-09-20
ECLI:NL:RBLIM:2023:5651
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,857 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10505235 \ CV EXPL 23-2021
Vonnis van de kantonrechter van 20 september 2023
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen:
[gedaagde]
,
wonend [adres] ,
[woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.
Partijen worden hierna ook respectievelijk ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het (mondeling) antwoord van gedaagde partij
- de mondelinge behandeling, die plaatsvond op 12 september 2023
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] heeft vanaf 7 oktober 2022 aan [gedaagde] een zogenaamde Alp Lift 350 kg verhuurd.
2.2.
Nadat [gedaagde] eerder aan [eiseres] had laten weten dat de betreffende lift gestolen was, heeft een derde namens [gedaagde] de lift op 9 november 2022 geretourneerd. Deze derde heeft ook de openstaande huurtermijn voldaan, na aftrek van een eerder betaalde borgsom.
Geschil
3.1.
[eiseres] stelt dat de geretourneerde lift dermate beschadigd was (roestvlekken, inwerking van een bijtend zuur) dat reparatie duurder zou uitvallen dan het aanschaffen van een nieuwe lift.
3.2.
Op deze gronden vordert [eiseres] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
1a. PRIMAIR de terzake verschuldigde som van € 4.020,46, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 24% per jaar over € 3100,63 te rekenen vanaf 21 april tot de dag de algehele voldoening;
1b SUBSIDIAIR de terzake voorschreven verschuldigde som € 3.535,69, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen over € 3.100,63 vanaf 27 december 2022 tot de dag der algehele voldoening;
2. primair en subsidiair met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.
3.3.
[gedaagde] erkent weliswaar aansprakelijk te zijn voor de schade, maar voert aan dat de lift ‘er al vele uren werk op (had) zitten’ en betwist – zo begrijpt de kantonrechter – de hoogte van de schadevergoeding.
Beoordeling
schade
4.1.
Door het beschadigd inleveren van de door hem gehuurde lift bij [eiseres] , is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten en schadeplichtig geworden. [gedaagde] betwist ook niet de stelling van [eiseres] dat de betreffende lift dermate beschadigd werd ingeleverd dat herstel kostbaarder werd dan aanschaf van een nieuwe lift. [gedaagde] erkent ook dat hij de door [eiseres] geleden schade dient te vergoeden. De kantonrechter begrijpt zijn verweer als een betwisting van de hoogte van de schade door een beroep op ‘oud voor nieuw’.
4.2.
[eiseres] vordert vergoeding van een volledig nieuw aan te schaffen apparaat. De kantonrechter is echter van oordeel dat bij het vaststellen van de vervangingswaarde rekening dient te worden gehouden met de marktwaarde van de lift ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, waarbij ouderdom en staat van onderhoud van belang is. Desgevraagd kon de bestuurder van [eiseres] echter niet aangeven wanneer deze lift was aangeschaft. Ervan uitgaande dat de lift bij het verhuren aan [gedaagde] niet fonkelnieuw was en al enkele jaren in de verhuur, zal de kantonrechter de schade conform artikel 6:96 BW schatten op een bedrag van € 2.100,00.
vervallen contractuele rente, handelsrente
4.3.
Met betrekking tot de eveneens gevorderde contractuele rente ten belope van 24 % per jaar, verwijst [eiseres] naar de als productie 3 bij daagvaarding gevoegde algemene voorwaarden (uit 1994), hierna AVW. [eiseres] heeft zelf in de dagvaarding gesteld dat gedaagde dient te worden beschouwd als consument (zie dagvaarding onder randnummer 1). Nu geen schriftelijke huurovereenkomst is overgelegd kan de kantonrechter niet vaststellen of deze algemene voorwaarden inderdaad zijn overeengekomen. Los daarvan dient de kantonrechter, gezien het arrest Heesakkers/Voets (HR 13 september 2013, RvdW 2013,1060), in consumentenzaken bedingen in AVW ambtshalve te toetsen. Een rente beding van effectief 24 % wordt beschouwd als een oneerlijk beding en zal om die reden worden vernietigd. Dit betekent dat de posten reeds vervallen en te vorderen contractuele rente gebaseerd op dit percentage worden afgewezen.
4.4.
Subsidiair vordert [eiseres] handelsrente over de verschuldigde som. Ook dit wordt afgewezen nu reeds is vastgesteld dat [gedaagde] dient te worden beschouwd als consument en niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf in de zin van art. 6:119a BW en bovendien het vergoeden van schade niet wordt beschouwd als een handelsovereenkomst in de zin van deze bepaling.
incassokosten
4.5.
De primair contractuele incassokosten, gebaseerd op de AVW, dienen krachtens het bepaalde in art. 6:96 lid 5 BW eveneens te worden afgewezen nu [gedaagde] als natuurlijk persoon niet handelt in uitoefening van beroep of bedrijf en de gevorderde kosten die van de wettelijke kosten overstijgen.
4.6.
Nu door de gemachtigde van [eiseres] d.d. 24 februari 2023 een zogenaamde veertien dagen brief werd gestuurd aan [gedaagde] conform het bepaalde in art. 6:96 lid BW, kunnen de subsidiair gevorderde (wettelijke) incassokosten evenwel worden toegewezen. Dit echter met dien verstande dat, nu de hoofdvordering wordt verminderd tot een bedrag van € 2.100,00, deze worden beperkt tot een bedrag van € 375,00.
4.7.
Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
dagvaarding € 107,84
griffierecht € 487,00
salaris gemachtigde € 528,00 (2 x € 264,00
totaal € 1.122,84
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.475,00 (waarvan € 2.100,00 aan schadevergoeding en € 375,00 aan buitengerechtelijke incassokosten),
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.122,84,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.