Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-09-20
ECLI:NL:RBLIM:2023:5647
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,616 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10329976 \ CV EXPL 23-557
Vonnis van de kantonrechter van 20 september 2023
in de zaak van:
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. L.E.I.K. Jaminon,
tegen:
1 [gedaagde 1] ,wonende [adres] ,[woonplaats 2] ,
2. [gedaagde 2],wonende op een geheim adres in de gemeente [gemeente] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. R.R.J.W. Delsing.
Partijen worden verder genoemd [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 januari 2023
- de conclusie antwoord
- de conclusie van repliek.
1.2.
Hoewel daartoe bij brief van de griffier van 14 juni 2023 in de gelegenheid gesteld, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen conclusie van dupliek genomen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[eiseres] vordert - samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 555,08, te vermeerderen met rente en kosten.
2.2.
Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiseres] (samengevat) het volgende aan.
In de periode van mei tot en met augustus 2022 heeft [eiseres] diverse bedragen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geleend. Daarnaast heeft zij pretparktickets voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaald. Ook die betaling was een lening. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] blijven, ondanks aanmaningen, in gebreke met terugbetaling van een bedrag van € 555,08. Verder maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke rente.
2.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.
Zij stellen dat geen sprake is van lening. [eiseres] heeft diverse malen uit eigen beweging en zonder enige verplichting bedragen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geschonken. Ook de pretparktickets waren een schenking. Tussen de schenkingen door heeft [gedaagde 1] weliswaar voor een bedrag van € 120,00 van [eiseres] geleend, maar hij heeft dit ook terugbetaald.
Verder betwist [gedaagde 1] dat [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor enige schuld van [gedaagde 1] , indien die al bestaat. [gedaagde 2] heeft nimmer een bedrag geleend van [eiseres] . Zij heeft eenmalig € 10,00 van [eiseres] ontvangen en dit was een schenking.
2.4.
[eiseres] heeft bij repliek haar vordering nader uitgewerkt en persisteert bij haar vordering. Alle gelden zijn steeds aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tezamen geleend. Het geld was bedoeld voor eten, drinken en andere gezamenlijke behoeften.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter constateert dat sprake is van een telfout in het lichaam van de dagvaarding. Alle bedragen opgeteld komt de kantonrechter op een totaalbedrag van
€ 565,08. Nu [eiseres] een bedrag van € 555,08 vordert, zal de kantonrechter voor de beoordeling van dit bedrag uitgaan.
3.2.
[eiseres] heeft haar vordering betreffende de hoofdsom voldoende onderbouwd – en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de vordering ook niet langer weersproken – zodat deze voor toewijzing in aanmerking komt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben evenmin nog weersproken dat de bedragen voor hun gezamenlijke behoeften waren en aan beiden geleend waren, zodat zij hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot terugbetaling.
3.3.
De conclusie van het voorgaande is dat een bedrag van € 555,08 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 januari 2023 tot de dag van volledige betaling.
3.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hoofdelijk veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
dagvaarding € 135,47
griffierecht € 86,00
salaris gemachtigde € 264,00 (2 x tarief € 132,00)
totaal € 485,47
3.5.
De gevorderde nakosten worden, met inachtneming van de aanbevelingen van het LOVCK, toegewezen op de hierna in het dictum te vermelden wijze.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 555,08, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 januari 2023 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 485,47, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, als deze niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 124,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken.
type: JEC