Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-09-06
ECLI:NL:RBLIM:2023:5269
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,074 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 21/2127
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. Renet),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), het Uwv
(gemachtigde: mr. E.C.H. Coenen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening en de beëindiging van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
2. Het Uwv heeft met een besluit van 18 maart 2021 (het primaire besluit) eiseres vanaf 1 augustus 2020 meer arbeidsgeschikt geacht dan voorheen. Eiseres is 40,03% arbeidsongeschikt. Haar WIA-uitkering wordt met ingang van 1 juni 2021 aangepast.
3. Met het besluit van 16 juli 2021 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres heeft het Uwv het primaire besluit herroepen en beslist dat eiseres 51,85% arbeidsongeschikt is. Haar WIA-uitkering blijft vanaf 1 juni 2021 onveranderd 35% van het wettelijke minimumloon.
4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
5. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en met een gewijzigd besluit op bezwaar van 30 september 2021 (het bestreden besluit II). Het Uwv heeft met het bestreden besluit II het bestreden besluit I impliciet herroepen en gewijzigd door de WIA-uitkering van eiseres met ingang van 1 december 2021 te beëindigen, omdat zij vanaf dan minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
6. Eiseres kan zich met het bestreden besluit II niet verenigen. Het Uwv heeft gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. De na de zitting aan het dossier toegevoegde stukken zijn in kopie aan partijen gezonden.
8. Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb op 24 juli 2023 gesloten en de uitspraak bepaald op heden.
Beoordeling
9. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de WIA-uitkering vanaf 1 december 2021. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Wat zijn de feiten in deze zaak
10. Eiseres is werkzaam geweest als verzorgende IG voor gemiddeld 29,90 uur per week. Op 12 augustus 2013 heeft zij zich voor die werkzaamheden ziekgemeld en is aan haar met een besluit van 22 juni 2015 vanaf 10 augustus 2015 (tot en met 9 mei 2017) een loongerelateerde Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 40,23%. Met een besluit van 9 november 2015, op het bezwaar van eiseres, is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45,65%. Vanaf 10 mei 2017 heeft het Uwv eiseres een WGA-vervolguitkering toegekend. Omdat eiseres 45 tot 55% arbeidsongeschikt is, bedraagt deze uitkering 35% van het wettelijk minimumloon.
10.1.
Op 17 juli 2020 heeft eiseres aan het Uwv een melding van een volgens haar vermindering van haar gezondheid doorgegeven. Naar aanleiding van deze melding heeft arts [arts] van het Uwv het dossier bestudeerd en eiseres op 28 september 2020 en 4 januari 2020 (lees: 2021) telefonisch gesproken. Tijdens deze gesprekken is een medische anamnese afgenomen. Voorts heeft [arts] kennis genomen van informatie van derden. [arts] heeft over zijn bevindingen gerapporteerd en de belastbaarheid van eiseres vastgelegd in een FML van 4 januari 2021. Het Sociaal Medisch Oordeel is getoetst en akkoord bevonden door verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] .
Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 1] van het Uwv heeft vastgesteld dat er op basis van deze FML drie functies (en één reservefunctie) te selecteren zijn, die eiseres met haar beperkingen, nog zou kunnen uitoefenen. De arbeidsdeskundige heeft, gelet op het maatmanuurloon van € 16,09 en het middelste loon van de drie functies € 9,65, vastgesteld dat eiseres 40,03% (35-45%) arbeidsongeschikt is. Dit is minder dan voorheen.
10.2.
Verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft naar aanleiding van het door eiseres ingediende bezwaar opnieuw naar de zaak van eiseres gekeken. [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft gerapporteerd dat de beperkingen niet geheel correct zijn vastgesteld en heeft op 8 juli 2021 de FML gewijzigd vastgesteld. Daarbij heeft zij een aantal aanvullende beperkingen aangenomen op de rubrieken 3 en 4, maar ook beperkingen laten vervallen. Meer bijzonder gaat het dan om beperkingen op onder meer schrijven, fijn motorische handelingen en repetitieve hand-/ en vingerbewegingen.
Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] heeft de door [arbeidsdeskundige 1] geselecteerde functies beoordeeld en aanleiding gezien om van de conclusie van de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 1] af te wijken. Hij heeft aan schatting drie functies ten grondslag gelegd: telefonist, receptionist, typist (SBC-code 315120), besteller (expresse) post/pakketten (SBC-code 282102) en wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053). Het verlies aan verdienvermogen heeft hij berekend op 51,85% (45-55%), wat dus meer is dan ervoor.
10.3.
Het Uwv heeft vervolgens het bestreden besluit I genomen, wat betekent dat de WIA-uitkering vanaf 1 juni 2021 ongewijzigd 35% van het minimumloon blijft.
10.4.
Verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft naar aanleiding van de beroepsgronden op 17 augustus 2021 gerapporteerd met betrekking tot het afzien van een fysiek spreekuur in bezwaar. Ze achtte zich voldoende voorgelicht en gaf eiseres de keuze tussen beeldbellen of een fysiek spreekuur, waarna eiseres voor beeldbellen koos. Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [arbeidsdeskundige bezwaar en beroep] heeft eveneens naar aanleiding van de beroepsgronden de functie besteller (expresse) post/pakketten (SBC-code 282102) laten vervallen en nieuw onderzoek verricht. Daarbij bleken er meer functies beschikbaar te zijn, waarop heeft hij aan de schatting ten grondslag heeft gelegd de functies van: telefonist, receptionist, typist (SBC-code 315120), wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053) en productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC-code 111180). Voorts selecteerde hij één reservefunctie: besteller (expresse) post/pakketten (SBC-code 282102). Gelet op het maatmanuurloon van € 16,09 en het middelste loon van de drie functies € 10,68 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het verlies aan verdienvermogen berekend op minder dan 35% (33,62%).
10.5.
Het Uwv heeft vervolgens het bestreden besluit II genomen.
Wat vindt eiseres?
11. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit II. Met de opgestelde FML kan zij zich niet verenigen. Eiseres stelt meer beperkt te zijn en heeft haar standpunt onderbouwd met een rapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] , gedateerd 23 november 2021. Verder is eiseres van mening dat de geduide functies niet passend zijn, zij verwijst hiervoor naar het rapport van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 2] , gedateerd 9 december 2021.
Wat vindt de rechtbank?
12. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bestreden besluit I impliciet herroepen en expliciet gewijzigd door het arbeidsongeschiktheidspercentage vanaf 1 december 2021 vast te stellen op minder dan 35% (33,62%). Het Uwv heeft de WIA-uitkering vanaf die datum beëindigd. Het bestreden besluit II komt niet tegemoet aan de bezwaren van eiseres (integendeel), zodat haar beroep daarom ook is gericht tegen dat besluit, op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Omdat het bestreden besluit I impliciet is herroepen en expliciet is gewijzigd, is er geen belang meer bij de beoordeling van het bestreden besluit I. Het beroep tegen dat besluit wordt daarom niet inhoudelijk behandeld en daarmee formeel niet-ontvankelijk verklaard.
13. De rechtbank gaat hieronder verder met de inhoudelijke behandeling van het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit II.
Is het onderzoek zorgvuldig geweest?
14. De rechtbank stelt vast dat arts [arts] eiseres tweemaal telefonisch heeft gesproken. Verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft eiseres vervolgens gezien via beeldbellen, maar uit het rapport volgt dat de verbinding met eiseres slecht was en dat eiseres zelf telefonisch aan de hoorzitting heeft deelgenomen. Eiseres heeft in beroep onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep betoogd dat zij in de bezwaarfase tijdens een fysiek spreekuurcontact door een geregistreerd verzekeringsarts gezien had moeten worden. De rechtbank is het daarmee eens. Eiseres claimt fysieke klachten en beperkingen en is tot in beroep niet door een geregistreerd verzekeringsarts gezien. De rechtbank acht dit niet zorgvuldig.
15. Op de zitting van 9 februari 2023 heeft de vertegenwoordiger van het Uwv ermee ingestemd dat eiseres alsnog zou worden opgeroepen voor een fysiek spreekuurcontact met een verzekeringsarts. Het Uwv heeft eiseres op 11 april 2023 uitgenodigd voor een fysiek spreekuurcontact bij verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts bezwaar en beroep] . De rechtbank is van oordeel dat het Uwv met dit onderzoek in de beroepsfase de onzorgvuldigheid die ervoor bestond heeft gerepareerd. De rechtbank zal dit gebrek dan ook passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
16. De rechtbank is verder van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in zijn totaliteit als zorgvuldig moet worden gezien.
Conclusie
25. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond.
26. Het bestreden besluit II is echter gelet op de aanpassing van de FML op 3 mei 2023 en het fysieke spreekuur dat eerst in beroep heeft plaatsgevonden, pas in beroep voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. Deze schending van de artikelen 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Awb zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Ook als deze gebreken in het bestreden besluit II zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen, zo is nu in beroep gebleken.
Proceskostenveroordeling.
27. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Ook dient het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht ad € 49,- te vergoeden.
27.1.
Eiseres heeft voorts in verband met het rapport van [verzekeringsarts 2] een bedrag van € 1.200,- gedeclareerd op basis van 7 uur en met een uurtarief van € 226,- ex btw en een bedrag van € 375,- op basis van 2 uur en met een uurtarief van € 260,-. Ook heeft zij in verband met het rapport [arbeidsdeskundige 2] een bedrag van € 450,- gedeclareerd, vrijgesteld van btw.
28. De rechtbank overweegt over deze kosten als volgt. Bij de beoordeling kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd, de vraag of het maken van de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Daarvoor is in het algemeen van belang de vraag of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor haar gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Aan dit criterium is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel voldaan, omdat eiseres met de inschakeling van [verzekeringsarts 2] en [arbeidsdeskundige 2] tegenwicht heeft willen bieden aan het standpunt van het Uwv.
29. Voor wat betreft de door eiseres verzochte vergoeding van de kosten van verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] , die op 23 november 2021 en 9 juni 2023 rapporten heeft uitgebracht, overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en artikel 8:36, tweede lid, van de Awb wordt de vergoeding van kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts) en het daarop gebaseerde Besluit tarieven in strafzaken (Bts). Op grond van de artikel 6 Bts 2003 geldt voor de werkzaamheden in deze zaak een tarief van ten hoogste € 134,04 per uur in 2021 en € 142,75 in 2023. Uit artikel 15 Bts volgt dat het genoemde tarief wordt verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting, in dit geval 21%.
30. De rechtbank stelt vast dat het verzekeringsgeneeskundig rapport in 2021 is gebaseerd op 7 uur tegen een uurtarief van € 226,- ex btw. Het verzekeringsgeneeskundig rapport in 2023 is gebaseerd op 2 uur tegen een uurtarief van € 260,- ex btw.
De rechtbank zal voor de werkzaamheden van verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] in 2021 en 2023 een vergoeding toekennen van respectievelijk:
- 2021: 7 x € 134,04 = € 938,28 (+ 21% btw) = € 1.135,32
- 2023: 2 x € 142,75 = € 285,50 (+ 21% btw) = € 345,46.
Totaal: € 1.480,78.
31. De rechtbank stelt verder vast dat uit de factuur [arbeidsdeskundige 2] blijkt dat hij 5 uur aan werkzaamheden heeft gefactureerd, tegen een uurtarief van € 90,-. [arbeidsdeskundige 2] is vrijgesteld van btw. Het gedeclareerde bedrag van € 450,- acht de rechtbank redelijk.
32. De totale door het Uwv te vergoeden proceskosten bedraagt dus € 1.930,78.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.604,78 (waarvan de kosten van rechtsbijstand € 1.674,-).
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.C.A. Wilschut, rechter, in aanwezigheid van E.S.J.M. Naebers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 06 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 06 september 2023
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
zie de uitspraak van de CRvB van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491
zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 13 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3734 en 15 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1385
zie de uitspraak van de CRvB van 18 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1902 en 2 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7575
Beoordeling
De verzekeringsarts bezwaar en beroep [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft eigen onderzoek verricht, aanvullende informatie uit de behandelend sector in haar heroverweging betrokken en over haar bevindingen op 2 mei 2023 aanvullend gerapporteerd. Hetgeen zij schrijft is goed te volgen en niet tegenstrijdig. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle op dat moment beschikbare gegevens op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken in de beoordeling.
Is de inhoudelijke medische beoordeling juist?
17. In beroep heeft eiseres als gezegd een rapport ingebracht van verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] , gedateerd 23 november 2021, en het standpunt ingenomen dat door de primaire arts [arts] terecht beperkingen waren aangenomen voor fijnmotorische bewegingen, repetitieve bewegingen en langer durende handbelasting, zoals bij schrijven, die [verzekeringsarts bezwaar en beroep] in bezwaar ten onrechte heeft laten vervallen. Volgens [verzekeringsarts 2] is er sprake van geobjectiveerde afwijkingen van de armen in de vorm van een zwelling als gevolg van lipolymfoedeem. De polsen grenzen direct aan het gezwollen gedeelte van de onderarmen. Hierdoor is het volgens [verzekeringsarts 2] aannemelijk dat structuren, waaronder een zenuw, in de carpale tunnel door de lipolymfoedeem bekneld raakt waardoor de fijne motoriek beperkt is. Ook meent [verzekeringsarts 2] dat een beperking aan de orde is voor beroepsmatig vervoer. Tot slot concludeert [verzekeringsarts 2] dat de verruimende toelichtingen bij tillen, dragen en staan tijdens het werk de belastbaarheid van eiseres overschrijden, hetgeen zij verder niet nader heeft toegelicht. Met een aanvullend rapport van 9 juni 2023 is [verzekeringsarts 2] bij haar stellingen gebleven.
18. In beroep heeft [verzekeringsarts bezwaar en beroep] in de rapportage van 8 juli 2023 de beperking voor beroepsmatig vervoer overgenomen. Deze staat dan ook niet langer ter discussie. Ten aanzien van de overige beperkingen blijft zij echter van mening dat deze in het geval van eiseres niet zijn aangewezen. In haar rapportage van 17 maart 2022 schrijft [verzekeringsarts bezwaar en beroep] dat eiseres juist op haar verzoek onlangs nog is beoordeeld door de neuroloog (brief van 18 november 2021), maar dat de neuroloog geen afwijkingen heeft aangetroffen op neurologisch gebied. De neuroloog vermeldt volgens [verzekeringsarts bezwaar en beroep] nadrukkelijk dat er geen relevante afwijkingen zijn aan de zenuwen en dat er een goede kracht was aan de armen. Dat er zenuwen in de pols bekneld zouden zijn, zoals [verzekeringsarts 2] schrijft, kan [verzekeringsarts bezwaar en beroep] dan ook niet volgen. Na eigen onderzoek op 2 mei 2023 voegt ze toe dat ze geen aanwijzing ziet voor een beknelling van de zenuwen zoals [verzekeringsarts 2] die heeft beschreven. De polsen zijn niet opvallend oedemateus en [verzekeringsarts bezwaar en beroep] beschouwt de hand- en vingervaardigheid als normaal.
19. De rechtbank ziet in het hetgeen [verzekeringsarts 2] heeft overwogen geen aanleiding te overwegen dat de door [verzekeringsarts bezwaar en beroep] aangenomen beperkingen (het gaat dan meer specifiek om het laten vervallen van de beperkingen fijnmotorische bewegingen, repetitieve bewegingen en langer durende handbelasting, zoals bij schrijven) niet juist zijn. Duidelijk is dat zowel [verzekeringsarts 2] als [verzekeringsarts bezwaar en beroep] de kracht in de handen als “redelijk” beschrijven en ook de neuroloog schrijft “kracht ledematen intact”. Volgens [verzekeringsarts bezwaar en beroep] is de hand- en vingervaardigheid normaal. Zowel [verzekeringsarts 2] als [verzekeringsarts bezwaar en beroep] hebben geen zwelling aan de polsen waargenomen en de neuroloog beschrijft geen tekenen van kapotte zenuwen te hebben aangetroffen. De conclusie van [verzekeringsarts 2] dat desondanks aannemelijk moet worden geacht dat er zenuwen/structuren in de pols bekneld zijn die eiseres in haar fijne motoriek beperken, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank heeft met andere woorden geen twijfel over het laten vervallen van de hiervoor genoemde beperkingen en ziet geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige, zoals door [verzekeringsarts 2] voorgesteld. De overige door [verzekeringsarts 2] geconstateerde overschrijdingen (de toelichtingen bij tillen, dragen, staan tijdens werk), heeft [verzekeringsarts 2] niet toegelicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de FML op deze punten voor onjuist te houden.
20. Eiseres heeft voorts opgemerkt dat naar haar mening [verzekeringsarts bezwaar en beroep] onvoldoende specifieke medische kennis heeft van haar aandoening. [verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft het over ‘adipositas dolorosa’ oftewel lipomen. Eisers heeft geen lipomen en naar de mening van eiseres is [verzekeringsarts bezwaar en beroep] daarom onvoldoende bekend met het verschil tussen lipomen en lip/lymfoedeem. De rechtbank overweegt dat het tot de specifieke taak en deskundigheid van een verzekeringsarts van het Uwv behoort om medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen. Uit de beschikbare (medische) informatie en eigen verricht onderzoek is de rechtbank niet gebleken dat [verzekeringsarts bezwaar en beroep] niet bekend zou zijn met de fysieke klachten van eiseres. Voorts overweegt de rechtbank dat een diagnose of het benoemen van een diagnose niet bepalend is voor de vraag of eiseres al dan niet arbeidsongeschikt is. De diagnose lipolymfoedeem (lipoedeem, adipositas dolorosa) is dan ook niet van doorslaggevende betekenis voor het vaststellen van de arbeidsbeperkingen. Het gaat erom dat de verzekeringsarts vast stelt wat eiseres nog kan. Het is de rechtbank niet gebleken dat [verzekeringsarts bezwaar en beroep] dit niet op een juiste wijze heeft gedaan.
21. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Eiseres moet op de datum in geding daarom in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van
3 mei 2023.
De arbeidskundige beoordeling
22. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft uiteindelijk de functies van telefonist, receptionist, typist (SBC-code 315120), wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053) en productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) aan de schatting ten grondslag gelegd.
Met de arbeidskundige rapportages van 15 juli 2021 en 27 september 2021, gelezen in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige rapportages van [verzekeringsarts bezwaar en beroep] en de voorliggende gegevens uit het CBBS heeft het Uwv in voldoende mate uitgelegd waarom de geduide functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van eiseres. De reserve functie van besteller (expresse) post/pakketten (SBC-code 282102) is komen te vervallen en behoeft daarom geen bespreking meer. Uit het rapport [arbeidsdeskundige 2] volgt niet dat deze functies niet passend zijn.
23. Het verlies aan verdienvermogen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep berekend op minder dan 35% (33,62%). De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat de berekening van het maatmanloon of de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit onjuist is.
24. Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het Uwv terecht deze uitkering beëindigd per 1 december 2021.