Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-05-30
ECLI:NL:RBLIM:2023:4855
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,358 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.219326.21 OWV
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 30 mei 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. Th. Boumans, advocaat, kantoorhoudende te Heerlen.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 mei 2023. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.219326.21. Op 30 mei 2023 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.
2De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 102.634,32.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen uit de baten van een ander strafbaar feit dan de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld, te weten uit de baten van twee eerdere hennepoogsten. Er zouden voldoende aanwijzingen bestaan dat dit andere feit door [verdachte] is begaan.
Op de terechtzitting van 16 mei 2023 heeft het Openbaar Ministerie de vordering gewijzigd tot een bedrag van € 20.770,37.
Beoordeling
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat het voldoende aannemelijk is dat op het adres aan de [adres] te [gemeente] hennep is geteeld in de periode voorafgaande aan de op 30 maart 2021 aangetroffen teelt. Hiertoe heeft hij onder meer verwezen naar de vervuilde materialen, stof en vervuilde filterdoeken. De verklaring van verdachte dat hij twee keer een bedrag van € 12.000.- heeft ontvangen acht de officier van justitie geloofwaardig. De officier van justitie heeft dan ook verzocht de ontnemingsvordering toe te wijzen tot het bedrag van € 24.000,-. De door [verdachte] betaalde factuur van [netbeheerder] mag hierop in mindering worden gebracht. De officier van justitie heeft het bedrag van wederrechtelijk voordeel geschat op € 20.770,37.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de ontnemingsvordering toe te wijzen tot een bedrag van
€ 17.870,37. Verdachte heeft verklaard dat hij € 24.000,- heeft ontvangen. De verdediging heeft verzocht dit bedrag als uitgangspunt te nemen voor de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel, met aftrek van de boete opgelegd door het UWV (€ 5.800,-) en de betaalde factuur van [netbeheerder] (€ 3.229,63). Tot slot heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 juni 2021.
3.3
Beoordeling
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis van 30 mei 2023 is [verdachte] veroordeeld wegens ‘medeplichtig zijn aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod’, gepleegd op 30 maart 2021.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan.
3.3.2
Het bewijs
Op dinsdag 30 maart 2021 werd in een ruimte in de kelder in de woning aan de [adres] te [gemeente] een hennepplantage met in totaal 459 hennepplanten aangetroffen. Het betreft de woning van verdachte. Ook werden door de verbalisanten omstandigheden aangetroffen die duiden op een of meer eerdere opbrengsten uit de exploitatie van de aangetroffen hennepkwekerij.
[verdachte] heeft onder meer verklaard - zakelijk weergegeven -:
[naam 1] maakte gebruik van mijn ruimte van oktober of november 2020 tot maart 2021. [naam 1] had een afstandsbediening van de garage, dus hij kon zelfstandig naar binnen. Ik heb in de periode dat [naam 1] de ruimte gebruikte, twee keer € 12.000,- in mijn brievenbus ontvangen.
Door [netbeheerder] is aan [verdachte] een bedrag van € 3.229,63 in rekening gebracht.
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] uit de baten van voormelde feiten voordeel heeft gekregen.
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 21.998,-. Hiertoe overweegt zij het volgende.
De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsman – aannemelijk dat er sprake is geweest van eerdere oogsten. De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] dat hij € 24.000,- heeft ontvangen geloofwaardig. De rechtbank zal bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van deze verklaring uitgaan, omdat het dossier onvoldoende concrete omstandigheden bevat dat [verdachte] meer heeft verdiend aan de hennepteelt. De rechtbank zal daarbij ook rekening houden met de kosten die [verdachte] heeft gemaakt in relatie tot het stroomverbruik, te weten het bedrag van € 2.001,64 (€ 247,37 + € 1.754,27). De overige kosten die verdachte aan [netbeheerder] heeft betaald komen niet in aanmerking voor aftrek. De boete van het UWV komt naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet voor aftrek in aanmerking, nu dit niet geldt als kosten staande in directe relatie tot het delict. De rechtbank zal ook geen rekening houden met de eventuele overschrijding van de redelijke termijn, nu in de strafzaak reeds is overwogen dat deze niet is overschreden. De rechtbank zal daarom het te betalen bedrag vaststellen op afgerond € 21.998,-.
3.3.4
De op te leggen betalingsverplichting
De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 21.998,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4Het wettelijke voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
€ 21.998,00 (zegge: eenentwintigduizendnegenhonderdachtennegentig euro);
- legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 21.998,00 (zegge: eenentwintigduizendnegenhonderdachtennegentig euro);
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 439 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door mr. G.H. Hermanides, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en
mr. L. Bastiaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Zijlstra, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 mei 2023.
Buiten staat
Mr. J.M.E. Kessels is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het (digitale) proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Parkstad-Limburg, Basisteam Heerlen, proces-verbaalnummer PL2300-2021047280, gesloten d.d. 3 juli 2021, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 114.
Proces-verbaal Aantreffen hennepkwekerij opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 7 april 2021, pagina 4-8; met bijbehorende fotomap, pagina 9 t/m 14.
Proces-verbaal verhoor verdachte [naam 2] d.d. 15 april 2015, p. 46-49.
Het geschrift, de factuur van [netbeheerder] d.d. 7 april 2021 aan [verdachte] , p. 68-69.