Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-08-04
ECLI:NL:RBLIM:2023:4680
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,659 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/2427
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. C.C. Haanappel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. K.P.A. Canters).
Aan dit geding heeft verder deelgenomen:
[naam derde-partij] , gevestigd in [vestigingsplaats] , derde partij (hierna: werkgever).
Inleiding
Met het besluit van 15 juni 2022 (het primaire besluit) heeft het UWV het verzoek van eiser om terug te komen op het besluit van 10 december 2008 afgewezen.
In bezwaar is het UWV bij dit besluit gebleven.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van 8 september 2022.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser heeft een nader stuk ingediend.
De werkgever heeft verklaard als derde-partij aan het geding te willen deelnemen. Eiser heeft toestemming gegeven om medische gegevens te delen met zijn werkgever.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam gemachtigde] en de gemachtigde van het UWV.
Wat ging aan deze procedure vooraf
1. Op 28 september 2007 heeft eiser zich ziekgemeld. Hij is ziek uit dienst getreden en het UWV heeft eiser vervolgens per 1 oktober 2007 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Met het besluit van 10 december 2008 is aan eiser meegedeeld dat zijn ZW-uitkering per 15 december 2008 wordt beëindigd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het UWV is bij dit besluit gebleven.
2. Bij brief van 15 juli 2021 heeft eiser het UWV verzocht het besluit van 10 december 2008 te herzien. Een verzekeringsarts van het UWV heeft het herzieningsverzoek beoordeeld aan de hand van de ingebrachte medische informatie en gesteld dat op medische gronden geen reden is om terug te komen op de beslissing van 10 december 2008.
3. Eiser heeft bezwaar gemaakt. Na een nieuw medisch onderzoek heeft het UWV met het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Wat vindt het UWV
4. Het UWV heeft het standpunt ingenomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts B&B) na bestudering van de medische gegevens tot de conclusie is gekomen dat niet is gebleken van nieuwe (medische) feiten of omstandigheden. Er bestaat daarom geen aanleiding om terug te komen op de medische conclusie die ten grondslag ligt aan de hersteldverklaring van 10 december 2008.
5. Het UWV heeft de medische grondslag van het bestreden besluit gebaseerd op het rapport van een verzekeringsarts B&B van 7 september 2022.
Wat vindt eiser
6. Eiser is het niet eens met het UWV. Hij stelt dat gelet op de beschikbare medische gegevens wel reden is om terug te komen op het besluit van 10 december 2008. Eiser vindt dat het UWV onvoldoende dan wel onduidelijk heeft gemotiveerd waarom dit niet het geval is. Daarnaast heeft enkel een beoordeling op basis van de stukken plaatsgevonden en is eiser niet nader gehoord of gezien door een verzekeringsarts. Eiser is dan ook van mening dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Tijdens de zitting heeft eiser aangegeven dat het onderzoek dat in 2008 heeft plaatsgevonden ontoereikend is. De afgelopen jaren zijn veel onderzoeken gedaan naar niet aangeboren hersenletsel, waardoor dit onderwerp sterk in ontwikkeling is. Zo is er onder andere een handboek ‘traumatisch hersenletsel’ uitgebracht. Verder geeft eiser aan dat door het UWV wordt gekeken naar een vorm van diagnose, terwijl het voor een beoordeling in het kader van de ZW niet noodzakelijk is dat een diagnose wordt gesteld. Ten slotte benoemt eiser dat tijdens de bezwaarprocedure geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, terwijl hij geen toestemming heeft gegeven om van een hoorzitting af te zien.
Wat vindt de rechtbank
7. De vraag is of het UWV terecht het verzoek van eiser om terug te komen op het besluit van 10 december 2008 heeft afgewezen omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiser daartegen in heeft gebracht.
8. De rechtbank vindt dat het UWV terecht het verzoek van eiser om terug te komen op het besluit van 10 december 2008 heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
9. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 10 december 2008 onherroepelijk is geworden. Op grond van het bepaalde in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan herziening worden gevraagd van een in rechte vaststaand besluit als sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het verzoek om terug te komen op een besluit afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Als het bestuursorgaan, zoals in deze zaak aan de orde is, toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dient de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsten of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden verstaan feiten en omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten en omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn bewijsstukken van al eerder gestelde feiten en omstandigheden, als deze bewijstukken niet eerder konden worden overgelegd.
10. Uit het rapport van de verzekeringsarts B&B volgt dat hij kennis heeft genomen van het dossier en het bezwaar van eiser. Het standpunt van eiser dat de beoordeling enkel op de stukken heeft plaatsgevonden en dat eiser niet nader is gehoord of gezien door een verzekeringsarts is juist. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het onderzoek niet zorgvuldig te achten. In het rapport geeft de verzekeringsarts B&B aan dat kon worden volstaan met een beoordeling op de stukken, omdat informatie werd ingebracht van neuropsychologisch onderzoek waarbij het de vraag is of de daarin vermelde gegevens reden kunnen zijn om terug te komen op het besluit van 10 december 2008. Volgens de verzekeringsarts B&B is dit een volstrekt theoretische exercitie. De rechtbank ziet geen reden om de verzekeringsarts B&B hierin niet te volgen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de datum waar het in deze procedure om gaat 10 december 2008 is. In het zien of horen van eiser door een verzekeringsarts minimaal veertien jaar na deze datum ziet de rechtbank geen meerwaarde. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan te nemen dat het onderzoek door de verzekeringsarts B&B onzorgvuldig is verricht.
11. Het standpunt van eiser dat de beschikbare medische gegevens reden geven om terug te komen op het besluit van 10 december 2008 en dat het UWV onvoldoende dan wel onduidelijk heeft gemotiveerd waarom dit niet het geval is, volgt de rechtbank niet.
Conclusie
17. Het UWV heeft terecht het verzoek van eiser om terug te komen op het besluit van 10 december 2008 afgewezen, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
18. Het beroep van eiser is ongegrond. Dit betekent dat hij geen gelijk krijgt. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser. De proceskosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 837,- per punt en een wegingsfactor 1). Ook bepaalt de rechtbank dat het UWV het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser vergoedt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2023 door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en de uitspraak van de CRvB van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
Zie de uitspraak van de CRvB van 13 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3618.