Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-07-18
ECLI:NL:RBLIM:2023:4536
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,502 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/1305
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),
en
het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).
Procesverloop
Eiseres ontvangt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (het college) de maatwerkvoorziening: hulp bij het huishouden (hbh) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en moet daarom maandelijks een eigen bijdrage aan verweerder betalen.
Bij besluit van 12 oktober 2020 heeft verweerder voor januari tot en met maart 2020 en vanaf juni 2020 de door eiseres te betalen eigen bijdrage vastgesteld op € 15,20 per maand. Over april en mei 2020 is de eigen bijdrage vanwege de landelijke coronamaatregelen vastgesteld op € 0,00 per maand.
Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 27 oktober 2020 de eigen bijdrage vanaf november 2020 vastgesteld op € 19,00 per maand.
Bij besluit van 6 januari 2021 heeft verweerder de eigen bijdrage over december 2020 vastgesteld op € 11,40 per maand en vanaf januari 2021 op € 19,00 per maand.
Per brief van 14 december 2021 heeft verweerder aan eiseres laten weten dat de eigen bijdrage van januari 2020 tot en met maart 2020 € 15,20 per maand bedraagt en over april en mei 2020 € 0,00 per maand. Daarnaast is aan eiseres medegedeeld dat de eigen bijdrage vanaf juni 2020 tot en met oktober 2020 € 15,20 per maand bedraagt, over november 2020
€ 19,00, over december 2020 € 11,40 en vanaf januari 2021 € 19,00 per maand.
Eiseres heeft tegen de brief van 14 december 2021 een bezwaarschrift ingediend.
Op 25 februari 2022 heeft verweerder in opdracht van het college aan eiseres correctiefacturen verstuurd, waarin de opgelegde eigen bijdragen voor de maanden maart 2020 en van juni 2020 tot en met april 2021 zijn gecorrigeerd naar € 0,00 per maand.
Bij besluit van 25 mei 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder besloten dat het bezwaarschrift van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de brief van 14 december 2021 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van verweerder van 25 mei 2022 op 18 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
Dictum
De rechtbank verklaart:
- het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Overwegingen
1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is omdat er geen sprake is van procesbelang vanwege het feit dat verweerder met de facturen van 25 februari 2022 de door eiseres betaalde eigen bijdragen van maart 2020 tot en met april 2021 heeft gecorrigeerd en dat is wat eiseres beoogt te bereiken met deze procedure. Het enige procesbelang zou nog kunnen liggen in een vergoeding van de proceskosten in bezwaar, als geoordeeld zou moeten worden dat het primaire besluit als onrechtmatig is aan te merken. De rechtbank is van oordeel dat niet wordt toegekomen aan de vraag of een proceskostenvergoeding in bezwaar moet worden toegekend, vanwege het feit dat er geen proceskosten zijn die voor vergoeding in aanmerking komen. Er is namelijk geen hoorzitting in bezwaar geweest en daarnaast heeft eiseres zelf een bezwaarschrift ingediend. Het feit dat eiseres op het bezwaarschrift heeft vermeld dat ze hulp van haar zoon (tevens advocaat) heeft gekregen, is niet aan te merken als een proceshandeling. De rechtbank verwijst naar twee uitspraken waaruit dat blijkt.Conclusie en gevolgen
2. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
3. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2023 door mr. M.A.H. Span-Henkens, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H.C. Schroeten, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 2 augustus 2023
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5242 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juli 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6330.