Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-07-28
ECLI:NL:RBLIM:2023:4483
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,594 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 10492730 \ EZ VERZ 23-156
Beschikking van de kantonrechter van 28 juli 2023
in de zaak van:
[verzoeker]
, verbonden aan [notariskantoor] ,
gevestigd te [postcode] [vestigingsplaats] aan de [adres] ,
verzoeker/gemachtigde.
Procesverloop
1.1.
Op 8 mei 2023 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift met bijlagen ingediend door [verzoeker] .
1.2.
Na een daartoe door de griffer gedaan verzoek, heeft verzoeker per e-mail d.d. 9 juni 2023 een toelichting gegeven op de in het verzoek toegepaste ervaringsfactoren.
1.3.
Op 24 juli 2023 is verzoeker mondeling gehoord op zijn verzoek.
1.4.
Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat beschikking zal worden gewezen waarvan de uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
2.1.
Verzoeker vraagt in zijn hoedanigheid van (bij beschikking van 26 april 2021 door de rechtbank Limburg locatie Maastricht) benoemde vereffenaar in de nalatenschap van [overledene] , geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 1926 en overleden op 11 november 2016 in de gemeente [gemeente] , laatstelijk wonende te [woonplaats] (hierna: de erflaatster), vaststelling van een voorschot op het vereffenaarsloon, over de werkzaamheden die zijn uitgevoerd in de periode 26 april 2021 tot en met 30 april 2023. Als voorschot wordt een totaalbedrag van € 36.922,26 excl. btw verzocht.
Beoordeling
In voornoemde beschikking is zowel verzoeker als de aan zijn kantoor verbonden [notarisklerk] tot vereffenaar benoemd, in verband met het feit dat zij dan beiden
(tekenings)bevoegd zijn en elkaar kunnen vervangen.
3.2.
Het verzoek betreft het vaststellen van het honorarium van de vereffening.
Conform het bepaalde in artikel 4:206 lid 3 BW stelt de kantonrechter het loon vast van een door de rechter benoemde vereffenaar. Gelet op de toelichting op voornoemd artikel wordt conform de aanbevelingen van het LOVCK voor de berekening van de het loon aansluiting gezocht bij de regeling voor curatoren in een faillissement, de zogenaamde Recofa-richtlijnen. Verzoeker heeft in zijn verzoek verzocht het voorschot op dit loon vast te stellen conform deze richtlijnen.
3.3.
De kantonrechter overweegt dat, hoewel de wettelijke regeling ervan uit gaat dat het loon van de vereffenaar pas kan worden betaald na het verbindend worden van de uitdelingslijst, een voorschot op het loon wel toegekend kan worden bij de vereffening van een nalatenschap die bewerkelijk en complex is, veel tijd vraagt en lang duurt en waarbij zonder toekenning van een voorschot geen goede vereffening mogelijk is. Uit de door verzoeker gegeven toelichting in het verzoekschrift blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat er in casu sprake is van een zodanige situatie, aangezien er meer dan 200 erfgenamen zijn waarvan een groot aantal in het buitenland, zodat het vaststellen van een voorschot geïndiceerd is.
3.4.
Uit de bijgevoegde urenverantwoording blijkt dat de werkzaamheden zijn verricht door diverse medewerkers verbonden aan het notariskantoor van de vereffenaar: [kandidaat-notaris] , [oud-notaris] , mevrouw [notarisklerk] en [administratief medewerkster] .
3.5.
Voormelde Recofa-richtlijnen geven in de artikelen 6.4 tot en met 6.7 het van toepassing zijnde uurtarief aan.
Artikel 6.4. sub a bepaalt: “ Het uurtarief van de curator en de aan zijn kantoor verbonden advocaten is het product van” diens ervaring, vermenigvuldigd met het basisuurtarief. Concreet houdt dit in dat indien de curator/vereffenaar meer dan 11 jaar ervaring heeft op hem een factor 1,6 (x basisuurtarief) van toepassing is.
Artikel 6.4. sub c geeft aan dat de rechter-commissaris (lees: de kantonrechter) in bijzondere gevallen op verzoek een afwijkend uurtarief kan vaststellen.
3.6.
Artikel 6.4. sub d, e en g geeft het volgende aan:
“d. de hoogte van het uurtarief voor de medewerkers die geen advocaat zijn (hierna ook: faillissementsmedewerkers) is afhankelijk van hun relevante ervaring in combinatie met de opleiding van de desbetreffende medewerker, waarbij de navolgende factor ten opzichte van het basisuurtarief wordt toegepast:
factor 0,4: indien de medewerker tot en met vijf jaar ervaring heeft;
factor 0,5: indien de medewerker meer dan vijf jaar maar minder dan tien jaar ervaring heeft;
factor 0,6: indien de medewerker meer dan tien jaar ervaring heeft.
e. De inzet en hoogte van de honorering van faillissementsmedewerkers wordt voorafgaande aan hun inzet ter goedkeuring aan de rechter-commissaris voorgelegd”.
(…)
g. De curator verdeelt de werkzaamheden in het faillissement, met inachtneming van de moeilijkheidsgraad daarvan, zodanig over hemzelf, zijn kantoorgenoten en de faillissements- medewerkers dat deze werkzaamheden tegen het laagst mogelijke uurtarief worden verricht.
3.7.
In caus is niet gebleken dat vóórdat de medewerkers zijn ingezet, hun honorering aan de kantonrechter is voorgelegd.
3.8.
Thans wordt verzocht voor vereffenaar [kandidaat-notaris] en notaris [oud-notaris] een ervaringsfactor van 1,6 vast te stellen. Voor [administratief medewerkster] , met 13 ervaringsjaren wordt factor 0,6 verzocht. Deze drie factoren zijn, gelet op aangegeven ervaringsjaren en functie én gelet op de Recofa-richtlijnen naar het oordeel van de kantonrechter juist en toewijsbaar.
3.9.
Dat geldt echter niet voor de verzochte toe te passen factor 1,6 voor [notarisklerk]
(hierna: [notarisklerk] ). Haar functie is die van notarisklerk waarin zij meer dan 10 jaar ervaring heeft. Blijkens de overlegde beschikking is zij weliswaar ook tot vereffenaar benoemd, doch niet “het petje” van vereffenaar maar het niveau van de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden bepaalt naar het oordeel van de kantonrechter de toe te passen factor. Artikel 6.4. sub a bepaalt uitdrukkelijk “..en de aan zijn kantoor verbonden advocaten”. Zowel niet gesteld en ook niet gebleken is dat mevrouw wat opleidingsniveau en ervaring betreft gelijkwaardig is aan (de universitair opgeleide) verzoeker c.q. advocaten zoals de richtlijn die bedoelt. [notarisklerk] bekleedt de functie van hbo-geschoolde notarisklerk. Hier al vloeit uit voort dat zij zelf inzicht heeft in hoe een nalatenschap af te wikkelen. Haar taak is daarnaast ondersteuning bieden aan en taken gedelegeerd krijgen van de vereffenaar zijnde advocaat/notaris/kandidaat-notaris, waarbij daarnaast van een notarisklerk een grote mate van zelfstandig werken verwacht mag worden. Tot delegatie van de uit te voeren werkzaamheden is de notaris ook verplicht, gezien het bepaalde in art. 6.4. sub g en is ook de gebruikelijk gang van zaken binnen de notariële c.q. faillissements-praktijk: de notaris/curator voert de juridisch ingewikkeldere werkzaamheden uit, heeft een aansturende en coördinerende rol en ondersteuners voeren feitelijk de meeste werkzaamheden uit.
Het kantoor van verzoeker kent ook kandidaat-notarissen en juridisch medewerkers, die in deze casu geen werkzaamheden hebben verricht.
3.10.
Verzoeker heeft gesteld dat [notarisklerk] werkzaamheden heeft uitgevoerd die hij als notaris zelf dient uit te voeren waartoe inhoudelijke kennis van zaken nodig is, bijvoorbeeld het erfgenamenonderzoek. [notarisklerk] is zeer ervaren en NOVEX-opgeleid, doch geen register-klerk.
Uit de overgelegde specificatie blijkt de kantonrechter dat [notarisklerk] erfgenamenonderzoek heeft verricht, dat omvangrijk is in verband met meer dan 200 erfgenamen in binnen- en buitenland. Daarnaast heeft zij heel veel andere werkzaamheden verricht waaronder brieven/mails/advertenties opstellen, afspraken plannen, bankafschriften verwerken, opvragen gegevens/inlichtingen. Dat zijn werkzaamheden die naar het oordeel van de kantonrechter normaliter niet tot de werkzaamheden van een notaris behoren.
3.11.
Uit vorenstaande volgt dat de kantonrechter van oordeel is dat gezien haar functie, en gestelde ervaring én de uitgevoerde werkzaamheden de door [notarisklerk] uitgevoerde werkzaamheden niet de verzochte factor van 1,6 rechtvaardigen. Gezien haar functie is immers het beloningssysteem van 6.4 sub d op haar van toepassing. Factor 0,6 zou normaliter voor haar gelden. Gezien echter de omvang van de nalatenschap te weten het ingewikkelde erfgenamenonderzoek, acht de kantonrechter in casu een factor 0,8 (x het basisuurtarief) om die reden gerechtvaardigd. Dat in andere zaken haar werkzaamheden met een factor 1,6 zijn beloond -zoals wel gesteld doch niet onderbouwd- maakt het oordeel thans niet anders.
3.12.
Het basisuurtarief voor de 2021 verrichtte werkzaamheden is € 226,00, in 2022 € 229,60 en 2023 € 241,08, alle exclusief btw.
3.13.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft verzoeker in de bij het verzoek gevoegde urenspecificaties verder voldoende inzicht gegeven in de uitgevoerde werkzaamheden en de daaraan bestede tijd. Wel blijkt dat er sprake is van intern overleg, dat door de twee betrokken medewerkers wordt gedeclareerd.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
stelt het voorschot op het loon van de in de periode 26 april 2021 tot en
met 30 april 2023 uitgevoerde werkzaamheden vast op een totaal bedrag
van € 19.263,53 exclusief btw en
4.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Aldus gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken.
type: mjp