Rechtspraak Rechtbank Limburg 2023-07-25
ECLI:NL:RBLIM:2023:4393
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummers: 03.111340.22 en 96.180128.22 (ttz.gev.) Parketnummer: 96.248166.16 (tul) tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 juli 2023 in de strafzaak tegen [verdachte] (hierna: de verdachte), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, ingeschreven te [adres 1] , gedetineerd in [P.I.] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.C. Vingerling, advocaat kantoorhoudende te Utrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 juli 2023. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. [benadeelde] an der Ruhr heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord [naam 1] . Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] met het parketnummer 03.111338.22. 2 De tenlastelegging De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: 03.111340.22: Feit 1: op 4 mei 2022 te Mülheim an der Ruhr in vereniging opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een pinautomaat, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was; Feit 2: op 4 mei 2022 te Mülheim an der Ruhr een poging tot diefstal met braak in vereniging heeft gepleegd, van een geldbedrag uit een pinautomaat toebehorende aan [benadeelde] ; Feit 3: op 4 mei 2022 te Venlo in vereniging kentekenplaten ( [nummer 1] ) heeft geheeld; Feit 4: op 4 mei 2022 te Venlo als bestuurder van een auto gevaar op de weg heeft veroorzaakt; 96.180128.22: op 4 mei 2022 te Venlo een auto heeft bestuurd zonder over een daartoe geldig rijbewijs te beschikken. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten. 3.2 Het standpunt van de verdediging 03.111340.22 feiten 1 en 2: De raadsman bepleit vrijspraak voor de feiten 1 en 2. De verdachte heeft bekend bij de plofkraak betrokken te zijn geweest in de rol van chauffeur. Maar omdat de verdachte enkel de chauffeur was en niet betrokken was bij de voorbereiding van de plofkraak of anderszins een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding of uitvoering van de plofkraak, kan de verdachte slechts medeplichtig worden geacht aan de plofkraak en de poging tot diefstal. Nu enkel het medeplegen van de plofkraak en de poging tot diefstal aan de verdachte ten laste is gelegd, dient de verdachte van deze feiten te worden vrijgesproken. 03.111340.22 feiten 3 en 4 en 96.180128.22: Ten aanzien van de bewezenverklaring van deze feiten refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 03.111340.22 feiten 1 en 2: Bewijsmiddelen Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] namens [benadeelde] d.d. 4 mei 2022 : Op 4 mei 2022, om 01:59 uur, kregen de verbalisanten van het politiebureau van Mülheim opdracht zich te begeven naar de [adres 2] , waar zich drie luide explosies hadden voorgedaan bij de geldautomaat. De plaats delict is een geldautomaat van de [benadeelde] an der Ruhr, die direct aan de T-kruising van de [adres 3] ligt. De geldautomaat vertoont diverse beschadigingen en is bijna volledig vernield. Alleen de behuizing van de automaat is nog onbeschadigd. Stukken puin en glasscherven liggen verspreid over de gehele weg en in de omgeving van circa 10 meter van de geldautomaat verspreid. Via de getuige [naam 2] konden de agenten al foto's en videobeelden bekijken waarop de vluchtauto duidelijk te zien is. De vluchtauto is een witte Audi, [type] , bouwjaar 2011, met het afgelezen kenteken [nummer 2] . De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 11 juli 2023: Het klopt dat ik op 4 mei 2022 betrokken was bij de plofkraak in Mülheim an der Ruhr. Ik was de chauffeur van Na de plofkraak is het de taak van de chauffeur om met de mededaders zo snel mogelijk te vluchten. Uit deze feitelijke gang van zaken, maakt de rechtbank op dat de rol van chauffeur bij het plegen van plofkraken niet zomaar kan worden ingenomen door een willekeurig ander persoon die een auto kan besturen. In zoverre is de rol van chauffeur bij een plofkraak dan ook specifieker van aard dan de rol doorgaans van chauffeur (van de vluchtauto) bij andere delicten. De verdachte had ook al eerder gefungeerd als chauffeur bij een plofkraak en heeft vermoedelijk vanwege zijn daar opgedane kennis en ervaring ook thans deze rol op zich genomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding van de plofkraak (bij de planvorming met het oog op de plofkraak), alsmede dat zijn rol als chauffeur essentieel was en niet zonder meer inwisselbaar was door een ander. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n) is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank voorafgaande aan de plofkraak, bij de uitvoering van de plofkraak en daarna van een zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Verdachte was immers betrokken bij de voorbereiding en leverde essentiële en onmisbare informatie voor de voorbereiding aan, vervulde tijdens de plofkraak en nadien een zodanig intellectuele en materiele bijdrage die zonder die bijdrage naar het oordeel van de rechtbank nooit tot de uitvoering van de aan verdachte verweten strafbare feiten had kunnen leiden. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen voor beide feiten bewezen. 03.111340.22 feit 3: De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), nu de verdachte het ten laste gelegde feit ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. De rechtbank acht het feit, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring, wettig en overtuigend bewezen, op grond van: - de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2023; - het proces-verbaal van aangifte door [naam 5] van 28 april 2022. 03.111340.22 feit 4: De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv, nu de verdachte het ten laste gelegde feit ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. De rechtbank acht het feit, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring, wettig en overtuigend bewezen, op grond van: - de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2023; - het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 3] en T [naam 4] van 4 mei 2022. 96.180128.22 : De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv, nu de verdachte het ten laste gelegde feit ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. De rechtbank acht het feit, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring, wettig en overtuigend bewezen, op grond van: - de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2023; - het uittreksel van het rijbewijzenregister. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte 03-111340-22 feit 1 : op 4 mei 2022 te Mülheim an der Ruhr, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door enig ontvlambaar en/of explosief materiaal op/aan een geldautomaat (gevestigd aan de [adres 3] in Mülheim an der Ruhr) aan te brengen en dit vervolgens te ontsteken, en da Indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman op te leggen een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk wordt gesteld aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en eventueel daarnaast een fikse voorwaardelijke gevangenisstraf. 03.111340.22 feit 4 en 96-180128-22 feit 1: Ten aanzien van deze feiten heeft de raadsman geen strafmaatverweer gevoerd. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een plofkraak, een poging tot diefstal van geld uit de te kraken geldautomaat, heling van kentekenplaten, veroorzaken van gevaar op de weg en rijden in een auto zonder te beschikken over een rijbewijs. De verdachte was in belangrijke mate bij de voorbereiding van de plofkraak betrokken als ook bij de uitvoering daarvan. Bij het plegen van de plofkraak vervulde de verdachte de belangrijke rol van chauffeur. Door het plegen van de plofkraak is grote schade ontstaan aan de geldautomaat en het gebouwtje waarin deze geldautomaat zich bevond. Feiten als deze, gepleegd in de voor de nachtrust bestemde uren, veroorzaken zeer veel onrust voor omwonenden en andere gedupeerden. Bovendien veroorzaakt het grote onrust in de maatschappij. Een plofkraak gaat immers gepaard met een heftige explosie en een grote ravage als gevolg en levert flinke overlast op doordat (publieke) voorzieningen tijdelijk worden lamgelegd. De rechtbank houdt bij de straftoemeting voorts rekening met de professionele wijze waarop de plofkraak is gepleegd. Zo werd er gebruik gemaakt van een zeer snelle auto; werd er gebruik gemaakt van gestolen kentekenplaten; werd van tevoren benzine getankt in jerrycans zodat dit tijdens de uitvoering van de plofkraak niet bij een tankstation hoefde te gebeuren waardoor kon worden voorkomen dat er camerabeelden van de daders bij een tankstation zouden worden gemaakt; was er sprake van een vooraf bedachte vluchtroute via een grensovergang waarvan de verdachte en de medeverdachte wisten dat hier weinig camera’s hingen; werd de plofkraak gepleegd door in ieder geval drie personen, waarbij sprake was van een duidelijke rolverdeling. De verdachte heeft bovendien bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. De verdachte was zowel op de heenweg naar de plofkraak in Duitsland, als op de terugweg naar Nederland de bestuurder van de auto. Hij heeft tijdens de vlucht met een buitengewoon hoge en uitermate gevaarlijke snelheid (200 kilometer per uur) gereden, nota bene zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Hij heeft hierbij een ongekend risico voor medeweggebruikers, maar ook voor zichzelf en zijn inzittenden op de koop toegenomen, wat ook blijkt uit de manier waarop de achtervolging is geëindigd: met een eenzijdig ongeval. De persoon van de verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van de verdachte in Nederland en Duitsland van 19 juli 2022. Hieruit volgt dat de verdachte in Duitsland in 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden voor het plegen van een plofkraak en een poging tot diefstal. Er is daarom sprake van recidive en de rechtbank houdt hier in het nadeel van de verdachte rekening mee. Het eerdere justitieel ingrijpen heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw de fout in te gaan. De straf De oriëntatiepunten voor straftoemeting, die zijn vastgesteld door het LOVS, vermelden voor een plofkraak met gemeen gevaar voor goederen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Gelet op de recidive van de verdachte acht de rechtbank het pas De verdachte is civielrechtelijk samen met zijn mededader aansprakelijk voor die schade. Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. 8 Het beslag De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen kleding is vatbaar voor verbeurdverklaring omdat met behulp van deze kleding de plofkraak en de poging diefstal zijn begaan. De onder de verdachte in beslag genomen telefoon dient aan hem te worden teruggegeven. 9 De vordering tot tenuitvoerlegging Bij onherroepelijk vonnis van 15 februari 2019 met parketnummer 96.248166.16 heeft de politierechter van de rechtbank Rotterdam de verdachte veroordeeld tot, voor zover relevant, een hechtenis voor de duur van 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van het genoemde voorwaardelijke strafdeel en heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de vordering tot tenuitvoerlegging. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard, zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank is niet gebleken van het bestaan van bijzondere omstandigheden, die aan een bevel tot de tenuitvoerlegging van de opgelegde hechtenis in de weg staan. Het dient voor de verdachte duidelijk te zijn dat bij het niet naleven van een aan hem opgelegde voorwaarde, een aan hem voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer zal worden gelegd. Het zou aan deze duidelijkheid afdoen als de rechtbank thans niet over zou gaan tot het gelasten van de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank zal dan ook de gehele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf gelasten. 10 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 157, 311, 416, 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 107, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 11 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf 03-111340-22 feit 1, feit 2, feit 3: veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; 03-111340-22 feit 4: - een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden; 96-180128-22 feit 1: - hechtenis voor de duur van 1 (een) maand. Benadeelde partij [benadeelde] en schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde] , van een bedrag van 3.393,96 euro, bestaande uit materiële schade,te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 04 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald; legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde] , van een bedrag van 3.393,96 euro te vermeerderen met de BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 03.111340.22 1 hij op of omstreeks 4 mei 2022 te Mülheim an der Ruhr, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door enig explosief middel en/of brandbare vloeistof en/of een explosieve lading, althans enig ontvlambaar en/of explosief materiaal op/aan een geldautomaat (gevestigd aan de [adres 3] in Mülheim an der Ruhr) vast te maken en/of aan te brengen en/of dit (vervolgens) te ontsteken, en daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of het gebouw waarin die geldautomaat zich bevond en/of de goederen in en/of rondom dat gebouw, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was; (Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) 2 hij op of omstreeks 4 mei 2022 te Mülheim an der Ruhr, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een geldautomaat van [benadeelde] (gelegen aan de [adres 3] in Mülheim an der Ruhr), een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, zich naar bovengenoemde geldautomaat heeft/hebben begeven, en/of (vervolgens) een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht met de bedoeling de geldcassette uit die geldautomaat te bemachtigen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht) 3 hij op of omstreeks 4 mei 2022 te Lomm en/of Velden, gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee Duitse kentekenplaten ( [nummer 1] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; (Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht) 4 hij op of omstreeks 4 mei 2022 te Lomm en/of Velden, gemeente Venlo, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Lingsendijk en/of Schandelo en/of Bong en/of N271, - met een snelheid van 90 km/u, althans een hogere snelheid dan voor veilig verkeer ter plaatse was toegestaan, heeft gereden en/of - meermalen, althans eenmaal, sterk heeft geaccelereerd en/of (vervolgens) sterk heeft geremd en/of - met een snelheid van (meer dan) 200 km/u, althans een hogere snelheid dan voor veilig verkeer ter plaatse was toegestaan, heeft gereden en/of - tegen een vluchtheuvel te rijden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; (Artikel art 5 Wegenverkeerswet 1994) T.a.v. 96-180128-22 feit 1: hij, op of omstreeks 4 mei 2022 te Lomm, gemeente Venlo als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Rijksstraatweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde; De in deze tenlastelegging geb