Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-06-13
ECLI:NL:RBLIM:2023:3911
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,230 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Team Toezicht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10389464 MS VERZ 23-321
Uitspraakdatum: 13-06-2023
Beschikking afwijzing verzoek instelling mentorschap
Naar aanleiding van het verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,
hierna: de verzoeker,
bijgestaan door zijn gemachtigde: mr. R. Engwegen.
Met betrekking tot:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,
hierna: de betrokkene.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[belanghebbende 1] ,
wonend te [woonplaats 2] , [adres 2] ,
hierna: de moeder
bijgestaan door haar gemachtigde: mr. M. Yigitol.
en
[belanghebbende 2] ,
wonend te [woonplaats 2] , [adres 2] ,
hierna: de broer
bijgestaan door zijn gemachtigde: mr. M. Yigitol.
procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 maart 2023,
- een bereidverklaring van de voorgestelde mentor,
- een bericht van de gemachtigde van de moeder en de broer, ontvangen op 28 april 2023,
- een bericht van de gemachtigde van de verzoeker, ontvangen op 22 mei 2023,
- het verweerschrift met bijlagen van de gemachtigde van de moeder en de broer, ontvangen op 23 mei 2023,
- nadere berichten met bijlagen van de gemachtigde van de moeder en de broer, ontvangen op 23 mei 2023,
- een bericht met bijlagen van de gemachtigde van de verzoeker, ontvangen op 25 mei 2023.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 mei 2023.
Verschenen zijn:
de betrokkene,
de verzoeker,
de heer mr. R. Engwegen namens Hilkens Advocaten,
de moeder,
de broer,
mevrouw mr. M. Yigitol namens MY Advocatuur.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
verzoek
Het verzoek strekt tot instelling van mentorschap ten behoeve van de betrokkene.
Beoordeling
Ingevolge artikel 7:465 van het Burgerlijk Wetboek, één van de bepalingen met betrekking tot de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet – als de patiënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake – de hulpverlener de verplichtingen voortvloeiende uit de bepalingen over de geneeskundige behandelingsovereenkomst nakomen jegens de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de patiënt, dan wel als een zodanige persoon ontbreekt, jegens een ouder, kind, broer of zus van de patiënt, tenzij de patiënt dit niet wenst.
De kantonrechter is van oordeel dat niet in geding is dat de betrokkene beschermd moet worden. Vooralsnog blijkt echter niet van een noodzaak tot instelling van een mentorschap. De moeder van de betrokkene voert haar taak als vertegenwoordiger goed uit en behartigt de belangen van de betrokkene volledig. De betrokkene zal haar hele leven hulpbehoevend zijn en haar moeder is bereid de hulp te blijven bieden die zij de afgelopen jaren ook geboden heeft. Dat die hulp niet afdoende is, blijkt niet en de vader van de betrokkene heeft dat ook niet aangevoerd. De vader van de betrokkene heeft gesteld dat hij ook de belangen van de betrokkene wil blijven behartigen. Er zullen vanwege de moeilijke onderliggende situatie regelingen getroffen moeten worden, maar dat is gelet op het voornoemde artikel zonder meer mogelijk.
De minder ver strekkende maatregel uit artikel 7:465 BW heeft – gelet op het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel – de voorkeur boven het instellen van mentorschap. Het instellen van mentorschap zal verder ingrijpen dan in de huidige situatie nodig is. De kantonrechter zal dit verzoek daarom dan ook afwijzen.
Dictum
De kantonrechter:
- wijst het verzoek tot instelling van mentorschap af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, L.W.H. Rademacher.
Tegen deze beschikking kan – door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te
‘s-Hertogenbosch, door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden vanaf de uitspraakdatum en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.