Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-06-13
ECLI:NL:RBLIM:2023:3798
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,622 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/2603
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W.H.A. Bos),
en
FMMU Advies BV, verweerder
(gemachtigde: Amri)
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een Hoog Persoonlijk Kilometerbudget (HPKB) afgewezen.
Bij besluit van 10 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2023. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande berichtgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Verweerder beoordeelt aanvragen voor toekenning van een HPKB op grond van het Indicatieprotocol Hoog Persoonlijk Kilometer Budget (hierna: het protocol). Dat heeft een beperkte strekking. In het kader van het vervoerssysteem Valys bestaat alleen dan aanspraak op een HPKB, als de betrokkene ondanks alle beschikbare hulpmiddelen en alle vormen van begeleiding die het Valyssysteem biedt (zoals NS-assistentieverlening) in het geheel niet per trein kan reizen. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaan de in het protocol neergelegde toetsingscriteria de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De voorwaarden zijn:
de aanvrager beschikt over een Wmo-vervoersvoorziening (Valyspas), en
de aanvrager moet gebruik maken van een rolstoel of scootmobiel waarvan de mens- machinecombinatie zodanig is dat deze de grenzen van mogelijkheid tot hulpverlening door de NS overschrijden, en/of
de aanvrager is door persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard vanuit strikt medische optiek niet in staat met de trein te reizen.
3. De rechtbank overweegt dat aan de eerste voorwaarde is voldaan: eiser heeft een scootmobiel en een Valyspas. In de e-mail van 2 juni 2023 schrijft eiser weliswaar dat de hulpverlening van de NS wordt overschreden met de rolstoel (voorwaarde 2), maar dat standpunt is niet toegelicht of onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom niet vanuit dat de rolstoel met eiser erin te zwaar is of niet past in de trein. Temeer omdat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de maten van de rolstoel zijn bekeken en dat deze in de trein past.
4. De vraag resteert (voorwaarde 3) of eiser uit strikt medisch oogpunt niet met de trein kan reizen. Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd dat aannemelijk te maken. De arts heeft de medische gegevens beoordeeld en eiser gesproken en komt tot de conclusie dat eiser met een hulpmiddel en begeleiding met de trein kan reizen. De aandoeningen en beperkingen van eiser worden door verweerder niet betwist. Eiser heeft (hoewel hij stelt dat de informatie waarop de arts zich heeft gebaseerd zeer beperkt en gedateerd was) geen andere medische stukken ingediend, ook niet in beroep . Alle verstrekte medische informatie is dus beoordeeld. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat de arts eiser niet zelf heeft onderzocht. Als de arts zich een duidelijk beeld kan vormen van de beperkingen van eiser op basis van het medisch dossier (en het gesprek met eiser), dan mag hij dat eigen onderzoek achterwege laten. Eiser heeft ook niet toegelicht of onderbouwd waarom de arts zonder het verrichten van een eigen (lichamelijk) onderzoek geen juist beeld kan hebben gehad van zijn beperkingen. De rechtbank ziet geen reden het onderzoek onzorgvuldig te achten.
5. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat er sprake is van een bijzondere situatie die aanleiding geeft om af te wijken van het protocol. Eiser voert aan dat de liften op de stations het soms niet doen, de NS-assistentie niet beschikbaar is en dat hij kwetsbaar is omdat hij vaak valt. De rechtbank stelt voorop dat niet is toegelicht of onderbouwd dat en hoe vaak de liften het niet doen en/of de NS-assistentie niet beschikbaar is. Maar de rechtbank kan zich voorstellen dat dit wel eens voorkomt. Dat is echter geen omstandigheid, hoe vervelend ook, om eiser in afwijking van het protocol in aanmerking te brengen voor een HPKB. Dat komt door de beperkte strekking van het protocol. Ter overvloede merkt de rechtbank op dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat er op het station Eindhoven NS-assistentie aanwezig is en dat er contact is opgenomen met de NS en dat het NS-personeel is uitgebreid om assistentie te kunnen verlenen. Dat eiser vaak valt is ook niet een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, omdat de arts oordeelt dat eiser gebruik kan maken van een rolstoel. Dan is het valgevaar zeer klein.
Conclusie
6. De rechtbank concludeert dat verweerder het HPKB mocht afwijzen, omdat er geen medische gegevens zijn overgelegd waaruit volgt dat eiser vanuit strikt medische optiek niet met de trein kan reizen.
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 28 juni 2023.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.