Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-06-20
ECLI:NL:RBLIM:2023:3633
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,920 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 21/1381 en ROE 21/1604
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023
in de zaken tussen
Horeca Exploitatie Maatschappij Maastricht BV h.o.d.n. Gastrobar Puro, te Maastricht, eiseres 1
(gemachtigde: mr. M. van Sintmaartensdijk),
[eiseres sub 2] , te [woonplaats 1] , eiseres 2
(gemachtigde: mr. M. Breukers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder
(gemachtigde: mr. M.E.J.M. Vorstermans).
Als belanghebbende (eigenaar) heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats 2]
(gemachtigde: mr. G.A.M. van de Wouw).
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres 1 (Gastrobar Puro) een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het cafépand aan de Lage Kanaaldijk 54 in Maastricht naar een restaurant.
Bij besluit van 30 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van onder meer eiseres 2 deels gegrond verklaard onder aanpassing van een voorschrift van de omgevingsvergunning.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2023. Eiseres 2 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres 1 is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] . Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Ter zitting is gebleken dat eiseres 1 inmiddels failliet is verklaard. De zaken zijn vervolgens op zitting behandeld met de mededeling dat nog contact zal worden opgenomen met de curator. Desgevraagd heeft de curator (mr. M. van Sintmaartensdijk) na de zitting verklaard dat hij het beroep handhaaft en dat hij geen prijs stelt op een hernieuwde behandeling van de beroepen ter zitting.
Beoordeling
Inleiding
1. Verweerder heeft met het primaire besluit aan eiseres 1 een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het cafépand aan de Lage Kanaaldijk 54 in Maastricht naar een restaurant. Dit betreft een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Aan deze omgevingsvergunning is het voorschrift verbonden dat voor twee parkeerplaatsen een bedrag van € 2.722,68 per parkeerplaats in het gemeentelijk parkeerfonds gestort moet worden.
2. Voor het pand geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint Pietersberg, Jekerdal, Cannerberg’ dat op het perceel de bestemming ‘Horeca’ legt. In de bestemming ‘Horeca’ wordt geen onderscheid gemaakt tussen een café en een restaurant. Op deze locatie geldt tevens het Facetbestemmingplan ‘Parkeren’.
3. Tegen de omgevingsvergunning hebben diverse omwonenden, waaronder eiseres 2, bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit, genomen op dit bezwaar, heeft verweerder het onder 1 genoemde voorschrift aangepast waardoor eiseres 1 voor acht parkeerplaatsen (in plaats van twee) een bijdrage in het parkeerfonds moet storten.
4. Eiseres 1 heeft beroep ingesteld omdat zij het niet eens is met de verhoging van de bijdrage in het parkeerfonds. Eiseres 2 heeft beroep ingesteld omdat zij zich zorgen maakt over de toenemende overlast van geluid en geur.
Deelname van de derde-belanghebbende
5. De derde-belanghebbende (nieuwe eigenaar van het pand) heeft ter zitting gevraagd om zijn reactie, waarin hij aansluit bij het beroep van eiseres 1, aan te merken als een (verschoonbaar te laat ingediend) beroep tegen het berstreden besluit. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding omdat de derde-belanghebbende niet zelfstandig beroep heeft ingesteld en niet eerder heeft verzocht de door eiseres 1 opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming over te willen nemen. De derde-belanghebbende heeft ook de omgevingsvergunning (nog) niet op zijn naam laten zetten. De rechtbank beschouwt de derde-belanghebbende dus niet als eiser, maar (vanuit zijn positie als nieuwe eigenaar) als belanghebbende derde partij.
Het beroep van eiseres 1 (ROE 21/1604): de bijdrage in het parkeerfonds
6. De rechtbank moet in de eerste plaats beoordelen of het beroep van eiseres 1 ontvankelijk is. Het beroep is namelijk na afloop van de wettelijke beroepstermijn en dus te laat ingediend. Niet in geschil is echter dat verweerder het besluit niet aan de (toenmalige) gemachtigde van eiseres 1 (mr. Rijsterborgh) heeft gezonden en dat zij zo spoedig mogelijk nadat zij (via eiseres 1) op de hoogte raakte van het besluit, daartegen beroep heeft ingesteld. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk is.
7. Eiseres 1 voert in beroep kort samengevat aan dat in de omgeving voldoende parkeergelegenheid aanwezig is en dat het bouwplan (de gebruikswijziging) dus niet zal zorgen voor een (onevenredige) toename in de parkeerdruk. Bovendien blijkt niet dat de verlangde financiële bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in de parkeerbehoefte ten gevolge van het project van eiser.
8. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
8.1.
In artikel 3.1 het Facetbestemmingsplan Parkeren staat:
“De in het plangebied aanwezige gronden mogen slechts worden bebouwd en/of in gebruik worden genomen en/of het gebruik van deze gronden mag enkel worden gewijzigd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en/of in stand gehouden.” In artikel 3.2 van het Facetbestemmingsplan Parkeren staat:
“Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan het parkeer(normen)beleid van het college van burgemeester en wethouders, getiteld 'Parkeernormen Maastricht 2017', zoals laatstelijk gewijzigd d.d. 11 juli 2017, met inbegrip van de daarin opgenomen afwijkingsmogelijkheden. Indien het parkeer(normen)beleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, is sprake van voldoende parkeergelegenheid wanneer aan dit gewijzigde beleid wordt voldaan.”
8.2.
In de nota Parkeernormen Maastricht 2017 staat het volgende:
“Bij het toetsen van (ver)bouwplannen wordt de parkeereis berekend aan de hand van de vastgestelde parkeernormen. De initiatiefnemer moet in het (ver)bouwplan rekening houden met het realiseren van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein conform de parkeereis. Bij een verbouwing telt slechts de toegevoegde parkeervraag mee. (…).
In de bouwverordening van de gemeente Maastricht
is bepaald dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van de verplichting dat in voldoende mate in de te verwachten parkeerbehoefte moet zijn voorzien in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende erf. Als er te weinig parkeerplaatsen in het plan zijn opgenomen, kan een omgevingsvergunning worden geweigerd. Is aanleg of uitbreiding van parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk, dan kan onder voorwaarden vrijstelling worden verleend voor de parkeereis. Het verlenen van vrijstelling is onder andere mogelijk, indien op andere wijze in de benodigde parkeer of stallingsruimte wordt voorzien. Aan dit vereiste wordt voldaan als de gemeente op zich neemt zorg te dragen voor de benodigde parkeercapaciteit. De daarmee gemoeide kosten worden gefinancierd uit het Parkeerfonds. Dit houdt in dat in de omgevingsvergunning in relatie tot de hiervoor bedoelde vrijstelling de voorwaarde wordt opgenomen dat een bedrag van € 2.722,68 per parkeerplaats in het gemeentelijk Parkeerfonds dient te worden gestort.”
8.3.
Uit de onder 8.1 en 8.2 aangehaalde regeling, in samenhang gelezen, leidt de rechtbank af dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd. Een uitzondering daarop is mogelijk mits een bijdrage wordt gestort in het parkeerfonds.
8.4.
De rechtbank stelt vast dat in het bouwplan niet wordt voorzien in extra parkeerplaatsen op eigen terrein voor de door het plan veroorzaakte toename in de parkeerbehoefte. Aangezien uit parkeeronderzoek is gebleken dat er in de buurt voldoende vrije parkeerplaatsen aanwezig zijn, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres 1 in aanmerking komt voor de in de nota Parkeernormen bedoelde vrijstelling of uitzondering van de parkeereis. Voorwaarde hiervoor is dat eiseres 1 een bijdrage per parkeerplaats in het parkeerfonds stort. De rechtbank ziet niet in dat dit een onredelijke eis is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat ook als er in het openbaar gebied in de huidige situatie voldoende parkeergelegenheid is, toch de bijdrage wordt gevraagd omdat de huidige situatie kan veranderen in de toekomst.
8.5.
De rechtbank stelt verder vast dat eiseres 1 de berekening van de toename aan parkeerbehoefte (acht parkeerplaatsen) niet heeft bestreden. Verweerder heeft de onjuiste berekening in het primaire besluit (twee parkeerplaatsen) naar aanleiding van het bezwaar van omwonenden mogen aanpassen naar dit aantal van acht. De toenmalige gemachtigde van eiseres 1 (mr. Lamers) heeft bovendien in zijn brief van 12 november 2019 verklaard dat eiseres 1 instemt met het storten van een bijdrage in het parkeerfonds voor (in totaal) acht parkeerplaatsen.
9. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres 1 voor acht parkeerplaatsen een bijdrage in het parkeerfonds moet storten. Dat betekent dat het beroep van eiseres 1 ongegrond is en dat het betreffende voorschrift van de omgevingsvergunning in stand blijft.
Het beroep van eiseres 2 (ROE 21/1381): (geluid)overlast.
10.
Conclusie
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht onderhavige omgevingsvergunning heeft verleend met het voorschrift over de bijdrage in het parkeerfonds. De beroepen van eisers zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2023.
De griffier is verhinderd deze voorzitter
uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: 20 juni 2023.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo).
Vastgesteld op 22 november 2011.
Vastgesteld op 29 mei 2018.
Vastgesteld door verweerder op 11 juli 2017, geldend van 4 augustus 2017 tot en met 31 december 2021.
De rechtbank merkt hierover op dat sinds 29 november 2014 (door wijziging van de Woningwet) voorschriften over parkeren niet meer in de bouwverordening maar in het bestemmingsplan geregeld worden.
Artikel 2.10 van de Wabo.