Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-05-30
ECLI:NL:RBLIM:2023:3291
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,374 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10443724 CV EXPL 23-1466
Vonnis van de kantonrechter van 30 mei 2023
in de zaak van:
[eiser sub 1]
en
[eiseres sub 2]
,
beiden wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
procederend in persoon,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. T.A.M. Heemstra.
Partijen zullen hierna [eiser] (in enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met 14 producties (welke producties [eiser] nadien nogmaals (met kleurenfoto’s) heeft ingediend)
de incidentele conclusie van [gedaagde] strekkende tot nietigheid van de dagvaarding, dan wel niet-ontvankelijkheid
de door [eiser] bij e-mail van 11 mei 2023 ingediende factuur van Adelmeijer Hoyng van 9 mei 2023 en de verwerkingsrichtlijnen EPDM en isolatie van Recticel. [eiser] vermeldt in de e-mail dat hij de factuur toevoegt aan zijn vordering
de mondelinge behandeling op 15 mei 2023, waarbij [eiser] een pleitnota overgelegd heeft.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Op 21 november 2022 heeft [gedaagde] in opdracht van [eiser] een door [gedaagde] vervaardigde dakkapel geplaatst op de woning van [eiser] .
2.2.
Op 10 december 2022 heeft [eiser] een lekkage op zolder geconstateerd.
2.3.
Op 31 december 2022 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld. Bij e-mail van
11 januari 2023 heeft [eiser] [gedaagde] nogmaals in gebreke gesteld.
2.4.
Bij e-mail van 20 januari 2023 heeft [gedaagde] een oplossing voorgesteld.
De oplossing behelst in ieder geval dat [gedaagde] een nieuwe dakkapel zal plaatsen en dat [eiser] deze na plaatsing door een constructeur kan laten beoordelen.
2.5.
De (toenmalige) gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 8 februari 2023 (en daarna bij aanmaning) voorgesteld om de wijze van herstel door een deskundige te laten beoordelen. Hierop heeft [gedaagde] afwijzend gereageerd.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert in zijn dagvaarding om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
- € 19.591,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van uitspraak tot de dag van betaling,
- de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.
3.2.
Ter zitting heeft [eiser] zijn vordering willen vermeerderen met € 605,00 (de nagezonden factuur van Adelmeijer Hoyng). Door [gedaagde] is daar bezwaar tegen gemaakt. Dit bezwaar wordt gehonoreerd. In art. 11.1 van het landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, kanton, is namelijk bepaald dat een eisvermeerdering op schrift wordt gesteld en ter mondelinge behandeling wordt ingediend. Aan dit formele vereiste heeft [eiser] niet voldaan.
3.3.
[gedaagde] heeft tegen de onder 3.1. vermelde vordering verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant voor de beoordeling, nader ingegaan worden.
Beoordeling
4.1.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de dagvaarding van [eiser] nietig is. De dagvaarding voldoet volgens [gedaagde] namelijk niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid. [eiser] laat volgens [gedaagde] na om de feiten en de rechtsgronden in de dagvaarding op te nemen. Ook is er geen specificatie van de vordering overgelegd, terwijl [eiser] wel verwijst naar een bijlage “specificatie vordering”. De kantonrechter verwerpt dit verweer. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat de dagvaarding, gelezen in combinatie met de daarbij gevoegde producties, wel voldoende inzicht geeft in de gronden van de vordering, de daaraan ten grondslag gelegde feiten alsmede de samenstelling van het gevorderde bedrag. De dagvaarding bevat een (zeer summiere) samenvatting van de (gestelde) feiten, namelijk dat de door [gedaagde] geleverde dakkapel gebrekkig is, dat grote kans bestaat op houtrot en schimmelvorming en er kans bestaat op inzakking/instorting van het dak. Het gevorderde bedrag ziet volgens [eiser] op de kosten van het herstel van de dakkapel door een derde partij. Onder het kopje “feiten/ rechtsgronden” verwijst [eiser] verder naar een zeer uitgebreide uiteenzetting in de productie “opsomming gebreken”. Die productie is daarmee onderdeel van de inhoud van de dagvaarding zelf. De in de vorige paragraaf vastgestelde feiten zijn dan ook ontleend aan die uiteenzetting. Het gevorderde bedrag is inderdaad niet gespecificeerd, maar op zichzelf genomen hoeft dat ook niet aangezien [eiser] stelt dat de hoofdsom ziet op de kosten voor het herstel. Het is dus voldoende duidelijk waarop het gevorderde bedrag betrekking heeft.
4.2.
[gedaagde] voert wel met succes het formele verweer dat [eiser] het spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening niet heeft onderbouwd, een kwestie die de rechter sowieso ambtshalve moet beoordelen. Voorop moet staan dat de lat voor het toewijzen van een geldvordering in kort geding hoog ligt. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] heeft aangevoerd dat hij een spoedeisend belang heeft bij vervanging van de huidige dakkapel. Dat hij een spoedeisend belang daarbij heeft, wil de kantonrechter wel aannemen. Onbetwist is immers dat de door [gedaagde] aangebrachte dakkapel ondeugdelijk is omdat er (onder meer) sprake is van een lekkage. De gevorderde voorziening bestaat echter niet uit herstel. [eiser] vordert immers betaling van een geldbedrag om dat herstel door een derde te kunnen laten uitvoeren. Dat hij een spoedeisend belang bij toewijzing daarvan, heeft hij niet duidelijk gemaakt. Daarvoor zou dan namelijk op zijn minst nodig moeten zijn dat hij de kosten voor het herstel (of voor het treffen van eventuele verdere schadebeperkende voorzieningen) in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure niet zou kunnen voorschieten. Daarover heeft [eiser] niets gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Gelet hierop moet diens vordering reeds afgewezen worden.
4.3.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog het volgende.
4.3.1.
[eiser] heeft onvoldoende gesteld om tot het voorlopig oordeel te kunnen komen dat [gedaagde] in verzuim is. De feiten die staan vermeld in 2.3. tot en met 2.5. zijn ontleend aan de productie “opsomming gebreken” die wordt geacht onderdeel uit te maken van de dagvaarding van [eiser] . Op basis van deze feiten kan echter niet worden vastgesteld of en, zo ja, welke fatale termijn [eiser] aan [gedaagde] heeft gesteld. Ook blijkt uit die stellingen niet dat die (eventuele) fatale termijn is verstreken. Evenmin kan op basis van de stellingen van [eiser] worden vastgesteld dat [gedaagde] anderszins in verzuim is komen te verkeren. Hierdoor bestaat op dit moment nog te veel onzekerheid over het antwoord op de vraag of [gedaagde] schadeplichtig is jegens [eiser] . Een dergelijke schadeplichtigheid vereist namelijk dat [gedaagde] in verzuim is.
4.3.2.
Daarbij komt nog het volgende. Art. 7:759 BW bevat als hoofdregel dat de opdrachtgever de aannemer de gelegenheid moet geven de gebreken weg te nemen. Die verplichting heeft de opdrachtgever (bij wijze van uitzondering) niet als dit van hem in verband met de omstandigheden niet kan worden verlangd. [eiser] doet kennelijk een beroep op die uitzondering. In dat kader stelt hij dat [gedaagde] niet in staat is om alsnog een deugdelijke dakkapel te leveren en te installeren. De juistheid van die stelling valt op dit moment echter niet vast te stellen. [gedaagde] acht zich namelijk kennelijk wel in staat om de gebreken weg te nemen. De kortgedingprocedure leent zich niet voor (verdere) bewijsvoering op dit punt.
4.3.3.
In kort geding wordt met de toewijzing van een voorziening vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren bodemprocedure. In deze zaak is er echter teveel onzekerheid over de uitkomst van een (eventueel) nog te voeren bodemprocedure.
4.4.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 793,00 salaris gemachtigde.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 793,00,
5.3.
verklaart onderdeel 5.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en is in het openbaar uitgesproken.
Type: RW