Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2023-05-30
ECLI:NL:RBLIM:2023:3266
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,826 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22 / 770
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren, verweerder
(gemachtigde: mr. L.M.C. Cloodt).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde-partij] , te [plaats 1] .
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2021 (het primaire besluit ) heeft verweerder aan derde-partij [naam derde-partij] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een stallingsruimte op een perceel aan de [adres 1] te [plaats 2] . Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 16 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2023. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is vergunninghouder verschenen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 31 maart 2023 heropend met het oog op het houden van een onderzoek ter plaatse als bedoeld in artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft dit onderzoek gehouden op 18 april 2013. Eiser, de gemachtigde van verweerder en vergunninghouder zijn daarbij verschenen.
Overwegingen
1. De stallingsruimte is inmiddels gebouwd. Eiser woont in de omgeving van de stallingsruimte, aan de [adres 2] in [plaats 3] , en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning.
de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiser
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen belanghebbende is bij het primaire besluit en heeft eiser daarom niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar. Verweerder heeft daarbij het advies van de Commissie bezwaarschriften gevolgd. Volgens deze commissie is de afstand van de stallingsruimte tot de woning van eiser 220 meter en is die afstand te groot om aan te nemen dat eiser rechtstreeks belang heeft bij het primaire besluit. Verder vindt deze commissie dat als gevolg van de aanwezige houtopstanden en de, op grond van het Landschapsplan De Commel, nog te plaatsen fruitbomen, eiser geen tot miniem zicht heeft op de stallingsruimte en eiser ook daarom niet als belanghebbende bij het primaire besluit is te beschouwen.
2.1.
Eiser vindt dat hij wel belanghebbende bij het primaire besluit is en daarom ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Hij voert daartoe onder meer aan dat hij, ook al bevindt de stallingsruimte zich op meer dan honderd meter van zijn perceel, dusdanig zicht hierop heeft dat sprake is van hinder van betekenis. De hoogte en plaats van de houtopstanden en fruitbomen verhinderen, mede doordat het plangebied in een laagte van het landschap ligt, niet dat er zicht is op de stallingsruimte.
2.2.
Volgens vergunninghouder heeft eiser vanuit zijn woning geen zicht op de stallingsruimte.
2.3.
In artikel 8.1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan in stellen bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Eiser is als belanghebbende bij het primaire besluit aan te merken als hij een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, tenzij die gevolgen geen gevolgen van enige betekenis zijn. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
2.3.1.
Niet in geschil is en de rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de stallingsruimte en de woning van eiser ongeveer 220 meter is en de stallingsruimte een oppervlakte van ongeveer 185 m² en een nokhoogte van ongeveer 6 meter heeft. De rechtbank heeft tijdens het onderzoek ter plaatse kennis genomen van het zicht vanaf het perceel en de woning van eiser op de stallingsruimte, Het landschap achter de [straat] , die langs de voorkant van het woonperceel van eiser loopt, waar de stallingsruimte zich bevindt ligt beduidend lager dan het perceel van eiser. De stallingsruimte is vanaf de weg en de tuin van eiser duidelijk te zien. De woonkamer van eiser, met grote raampartijen, bevindt zich aan de voorkant van het perceel en op de verdieping bevinden zich ook grote ramen, alsmede een groot balkon. Eiser heeft ook vanaf die posities duidelijk zicht op de stallingsruimte. De volgens het landschapsplan aan te brengen beplanting, waaronder de fruitbomen, is inmiddels gerealiseerd en partijen hebben aangegeven dat de aanplantingen in of rond de zichtlijn niet zullen worden uitgebreid, zodat niet te verwachten is dat op (korte) termijn het zicht vanaf eisers perceel op de stallingsruimte alsnog zal verdwijnen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van het bouwen van de stallingsruimte en dat niet kan worden gezegd dat dit geen gevolgen van enige betekenis zijn. Naar het oordeel van de rechtbank moet eiser daarom als belanghebbende bij het primaire besluit worden aangemerkt. Verweerder heeft dit miskend waardoor het beroep van eiser gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd.
3. De rechtbank ziet, vastgesteld hebbend dat eiser ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn bezwaar, aanleiding het beroep en bezwaar inhoudelijk te behandelen. Dit is in het belang van een spoedige beslechting van het geschil en partijen hebben, gelet op hetgeen zij hebben aangevoerd, een inhoudelijke behandeling ook als wenselijk geacht respectievelijk dit als een mogelijkheid voor afdoening van het beroep beschouwd. De rechtbank doet daarom in aansluiting op de vernietiging van het bestreden besluit zelf recht in de zaak.
4. De inhoudelijke behandeling betreft de vraag of verweerder terecht een omgevingsvergunning voor de stallingsruimte heeft verleend. Eiser vindt dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend. Volgens verweerder doet zich in dit geval niet een van de in artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vermelde weigeringsgronden voor en moest de omgevingsvergunning daarom worden verleend. Vergunninghouder stelt dat aan de vergunningvereisten, waaronder met name de verenigbaarheid met het bestemmingsplan, is voldaan.
op de plaats waar de stallingsruimte zich bevindt moeten zonnepanelen komen
5. Eiser voert aan dat vergunninghouder beschikt over een vergunning voor het bouwen van zonnepanelen op (een gedeelte van) gronden waar thans de stallingsruimte staat, maar dat vergunninghouder de zonnepanelen op een andere (niet vergunde) plek heeft gebouwd. Eiser heeft verweerder verzocht handhavend tegen deze, volgens eiser illegale, situatie op te treden. De zonnepanelen dienen volgens eiser alsnog te worden gebouwd op de plaats waar nu de stallingsruimte staat. Door de omgevingsvergunning te verlenen voor de stallingsruimte is het niet meer mogelijk de zonnepanelen op de vergunde plaats te bouwen. Eiser vindt daarom dat verweerder voor de stallingsruimte geen omgevingsvergunning had mogen verlenen.
5.1.
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, kan slechts worden geweigerd indien zich een van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgronden, dan wel de in artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgrond voordoet. Doet geen van deze weigeringsgronden zich voor, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend. De eventuele onmogelijkheid om op de plaats van de stallingsruimte tevens nog (grondgebonden) zonnepanelen te realiseren maakt niet dat verweerder de vergunning voor de stallingsruimte had mogen / moeten weigeren.
overschrijding maximale oppervlakte door realiseren stallingsruimte en zonnepanelen
6. Eiser voert aan dat op grond van het bestemmingsplan een zoekgebied geldt waarbinnen een stallingsruimte en zonnepanelen met een totale oppervlakte van maximaal 200 m² mogen worden gerealiseerd. Door de stallingsruimte en tevens de zonnepanelen te vergunnen wordt die maximale oppervlakte overschreden. De omgevingsvergunning voor de stallingsruimte had daarom volgens eiser niet mogen worden verleend.
6.1.
De rechtbank kan eiser hierin niet volgen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond en bepaalt
dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.
Dictum
rechter
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op: 30 mei 2023
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 september 2029, ECLI:NL:RVS:2019:3258.
De lengte is ongeveer 21 meter en de breedte 8,5 meter
Die procedure loopt nog.
Zie voetnoot 2 en bijbehorende tekst.