Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2022-11-09
ECLI:NL:RBLIM:2022:8830
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,936 tokens
Inleiding
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/2298
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
26 oktober 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[voorletter] [naam 4] uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.L. Crutzen),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (verweerder)
(gemachtigde: [naam 2] ).
Zitting
1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde, [naam 6] (tolk) en de gemachtigde van verweerder.
2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.518,-- aan proceskosten aan verzoeker.
Inleiding
3. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
3.1.
Met het bestreden besluit van 23 september 2022 is het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard omdat verzoeker niet heeft meegewerkt aan het onderzoek naar het alcoholgebruik. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
5.1.
Verzoeker heeft daarover aangevoerd dat hij met zijn gezin in een noodsituatie zal komen te verkeren omdat hij voor zijn werk als zelfstandige is aangewezen op zijn rijbewijs. Hij moet regelmatig door het land reizen om projecten en opdrachtgevers te bezoeken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op hetgeen verzoeker ter zitting over zijn werkzaamheden nader heeft toegelicht, niet op voorhand kan worden gezegd dat er geen sprake is van spoedeisendheid. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting naar voren gebracht de spoedeisendheid verder niet te betwisten. Ook aan de overige eisen van artikel 8:81 van de Awb is voldaan.
6. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Om dit te beoordelen beantwoordt hij deze vraag aan de hand van de argumenten die verzoeker heeft aangevoerd, de zogenoemde gronden.
7. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.
7.1.
In het proces-verbaal rijden onder invloed, opgemaakt op 28 november 2021 door drie hoofdagenten van de politie Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, staat samengevat het volgende vermeld. De politie heeft op 28 november 2021 een bestuurder van een personenauto, Volkswagen Golf, kenteken [nummer] , welke op naam van verzoeker staat, aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw), te weten het besturen van een motorrijtuig onder invloed van alcohol. De bestuurder heeft geweigerd mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek en heeft geweigerd mee te werken aan een bevel tot medewerking ademanalyse. De bestuurder gaf aan te zijn genaamd [voornaam] [naam 4] geboren
[geboortedatum] te [geboorteplaats] en wonend te [woonplaats] . De bestuurder kon zich niet met een geldig identiteitsbewijs identificeren. De politie heeft de opgegeven personalia geverifieerd aan de hand van de RDW foto in het systeem.
7.2.
De politie heeft op 30 november 2021 bij verweerder mededeling gedaan van het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven (mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw).
7.3.
Verweerder heeft vervolgens op 20 december 2021 besloten heeft tot oplegging van een onderzoek naar de geschiktheid van eiser om een motorrijtuig te besturen, als bedoeld in artikel 131 Wvw. Verzoeker is erop gewezen dat als hij niet meewerkt aan het onderzoek, het rijbewijs ongeldig wordt. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de oplegging van het onderzoek. Verweerder heeft bij besluit van 25 april 2022 het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft geen rechtsmiddelen tegen dit besluit aangewend.
7.4.
Verweerder heeft bij brief van 7 april 2022 verzoeker een verwijzing voor een onderzoek bij een psychiater en voor een bloedonderzoek gestuurd waarbij is verzocht om zo snel mogelijk een afspraak te maken en te zorgen dat het onderzoek vóór 2 juni 2022 plaatsvindt. Het rapport van de psychiater dient uiterlijk 28 juli 2022 bij verweerder te zijn. Verzoeker is erop gewezen dat als hij niet meewerkt aan het onderzoek, verweerder niet kan beoordelen of het nog veilig is dat verzoeker een rijbewijs heeft en deelneemt aan het verkeer en dat het rijbewijs dan ongeldig wordt verklaard. Verweerder heeft bij brief van
2 juni 2022 verzoeker een herinnering gestuurd dat het rapport van de psychiater uiterlijk
28 juli 2022 ontvangen moet zijn
7.5.
Verweerder heeft daarna het onder 3.1. beschreven besluit genomen.
8. Verzoeker heeft aangevoerd dat niet hij maar een andere persoon destijds door de politie is aangehouden en dat die persoon heeft geweigerd om mee te werken aan een ademonderzoek. Er is sprake van een persoonsverwisseling. Verzoeker is door de politierechter van de rechtbank Overijssel op 26 april 2022 is vrijgesproken van de te laste gelegde overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wvw (het niet meewerken aan een ademonderzoek) zodat verweerder niet kan volharden in de medewerking van verzoeker aan een onderzoek naar diens alcoholgebruik, temeer de politierechter dezelfde verklaringen van de opsporingsambtenaren in zijn dossier heeft als verweerder. Volgens verzoeker heeft de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het EVRM ook tot gevolg dat een vrijspraak van een strafbaar feit nadien door bestuur en rechter gerespecteerd dienen te worden. De vrijspraak bij de politierechter berust op meerdere onduidelijkheden in het dossier waardoor niet met zekerheid vastgesteld kon worden dat verzoeker destijds de persoon is geweest die door de politieambtenaren is aangehouden. Vanwege de onduidelijkheden heeft de raadkamer van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle op
12 januari 2022 beslist dat het ingevorderde rijbewijs dient te worden geretourneerd. De op 28 november 2021 aangehouden persoon die de medewerking aan een ademonderzoek weigerde was op de zitting bij de politierechter aanwezig. Verzoeker heeft verwezen naar zijn bezwaarschrift van 14 juni 2022 tegen het besluit van verweerder van 10 juni 2022 over de weigering restitutie van de opleggings- en uitvoeringskosten. Verweerder heeft dit doorgezonden naar de rechtbank Limburg, zaaknummer ROE 22/11554 WET. Volgens verzoeker neigt de opstelling van verweerder naar willekeur en misbruik van zijn bevoegdheid en is het besluit in strijd met de zorgvuldigheid genomen en ondeugdelijk gemotiveerd.
8.1.
Verweerder heeft als reactie op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening naar voren gebracht dat vaststaat dat verzoeker niet heeft meegewerkt aan het verplichte onderzoek. Als iemand niet meewerkt aan het onderzoek wordt het rijbewijs op grond van de dwingendrechtelijke bepaling in artikel 132, tweede lid van de Wvw ongeldig verklaard. Er was geen sprake van een geldige reden van verhindering. Het besluit van
20 december 2021 tot oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid is rechtens onaantastbaar geworden aangezien verzoeker tegen het besluit op bezwaar van 25 april 2022 niet in beroep gegaan, zodat van de juistheid van het besluit van 20 december 2021 mag worden uitgegaan. De vrijspraak zoals vermeld in het uittreksel van de Justitiële Documentatie is niet gemotiveerd. De vrijspraak maakt het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs niet onrechtmatig en met de vrijspraak is niet de wettelijke basis aan het besluit komen te ontvallen. Verweerder heeft verwezen naar diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De (niet-gemotiveerde) vrijspraak kan niet als geldige reden van verhindering worden aangemerkt.
8.2.
Verzoeker heeft ter zitting naar voren gebracht dat de aangehouden persoon heeft verklaard dat het niet zo is dat hij aan de politie heeft verklaard dat hij verzoeker is. Het betreft een standaard passage in het proces-verbaal en de personalia van verzoeker zijn overgenomen uit de kentekenregistratie. Verzoeker heeft verder ter zitting aangevoerd dat hij destijds bij de politie in [woonplaats] heeft getracht om informatie te verkrijgen over de aanhouding op 28 november 2021 en getracht heeft uit te leggen dat hij niet de bestuurder is geweest maar een ander.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 23 september 2022 is geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat verzoeker voorlopig mag blijven rijden op basis van deze mondelinge uitspraak. In het geval dat het bezwaar ongegrond verklaard wordt zal verzoeker het rijbewijs moeten inleveren.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2022 door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Cremers, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 9 november 2022
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2017:3473, ECLI:NL:RVS:2021:2020 en ECLI:NL:RVS:2022:854