Rechtspraak Rechtbank Limburg 2022-01-27
ECLI:NL:RBLIM:2022:575
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/721076-18 Tegenspraak (gemachtigde raadsman) Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 januari 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [verdachte] . [verdachte] wordt bijgestaan door mr. L.I.M. Entjes, advocaat kantoorhoudende te Maastricht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 16, 17 en 23 november 2021. [verdachte] is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 13 januari 2022, waarna op 27 januari 2022 uitspraak is gedaan. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] : Feit 1: in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 al dan niet samen met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, grote hoeveelheden hennepstekken heeft uitgevoerd, geteeld, dan wel daarin heeft gehandeld of deze aanwezig heeft gehad; Feit 2: in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 al dan niet samen met anderen stoffen, voorwerpen, voertuigen en een ruimte te koop heeft aangeboden en/of voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat deze bestemd waren om beroepsmatig, bedrijfsmatig of op grote schaal hennep te telen; Feit 3: in de periode van 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, en/of artikel 11a van de Opiumwet. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft over het bewijs voor de feiten het volgende aangevoerd: Feit 1: [verdachte] heeft tezamen en in vereniging met de medeverdachten [verdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] en [verdachte 4] gehandeld in hennepstekken. Voor het bewijs heeft de officier van justitie zich gebaseerd op: - de verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting dat hij heeft gehandeld in hennepstekken en dat de levering van de hennepstekken aanvankelijk bij hem thuis plaatsvond en later in de loods aan de [adres 4] te Schinveld; - de verklaring van [verdachte 6] dat hij 4 of 5 keer hennepstekken aan [verdachte 1] heeft verkocht; - de tapgesprekken tussen [verdachte 1] en [verdachte 6] ; - de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] dat zij hennepstekken hebben besteld bij [winkel] en dat zij de hennepstekken hebben opgehaald bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld; - observaties die hebben plaatsgevonden in de maand juni 2018 bij de woning van [verdachte 1] , die passen bij de TCI-informatie over [verdachte 1] en [verdachte] en waarvan [verdachte 1] ter terechtzitting heeft verklaard dat deze waarnemingen van de politie de handel in hennepstekken betroffen; - de bakengegevens van de auto van [verdachte] en een observatie waaruit blijkt dat [verdachte] naar een loods te Haarsteeg is gereden en op grond waarvan de politie vermoedt dat [verdachte] aldaar hennepstekken heeft opgehaald die [verdachte 1] had besteld bij [verdachte 3] ; - de tapgesprekken en sms-berichten tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] ; - de observaties bij de woning van de medeverdachte [verdachte 3] en de loods aan de [adres 4] te Schinveld, waarbij [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] zijn gezien; - het aantreffen van 90 hennepstekken in de loods aan de [adres 4] te Schinveld op 20 november 2018; - de tapgesprekken tussen [verdachte 4] en [verdachte 1] ; - de tapgesprekken tussen [verdachte 7] en [verdachte 1] . Wat betreft de uitvoer van hennepstekken heeft de officier van Feit 3: De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] als medewerker van [winkel] en als vervoerder van hennepstekken, samen met [verdachte 1] (leider), [verdachte 3] (leverancier van hennepstekken), [verdachte 4] (uitvoerder/ tussenpersoon), [naam 2] (afnemer van hennepstekken), [verdachte 6] (leverancier van hennepstekken), [verdachte 7] (zzp’er bij [winkel] ) en [medeverdachte 1] (werkneemster bij [winkel] ), heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Er was sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Door deze criminele organisatie werden verschillende diensten aangeboden. Eén onderdeel van de organisatie hield zich bezig met de handel in hennepstekken en het andere onderdeel van de organisatie hield zich bezig met het leveren van goederen en stoffen voor de grootschalige en/of bedrijfsmatige teelt van hennep. Dat [verdachte] en voornoemde medeverdachten zich met die activiteiten bezighielden volgt reeds uit hetgeen door de officier van justitie ten aanzien van de feiten 1 en 2 is betoogd. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 op het primaire standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] op 4 september 2018 hennepstekken naar België heeft uitgevoerd, zodat [verdachte] van dat onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Datzelfde geldt voor het telen, bereiden, bewerken, verwerken en verkopen van hennep in de tenlastegelegde periode. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] (grote hoeveelheden) hennepstekken heeft vervoerd. De raadsvrouw heeft in dit verband verwezen naar de ter terechtzitting afgelegde verklaring van [verdachte 1] , inhoudende dat de observaties van de politie slechts gedeeltelijk zagen op de handel in hennepstekken. [verdachte] is tijdens de observaties begin juni 2018 enkele keren bij de woning van [verdachte 1] gezien. Er zijn toen geen (grote hoeveelheden) hennepstekken waargenomen. Voorts heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , inhoudende dat zij hennepstekken bij [winkel] hebben besteld, zien op een latere periode dan waarin de observaties hebben plaatsgevonden waarbij [verdachte] is gezien. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [verdachte 1] heeft verklaard dat er geen grote hoeveelheden hennepstekken zijn verhandeld. Volgens de raadsvrouw wordt die verklaring ondersteund door de observaties van begin juni 2018, waarbij een van de waargenomen voertuigen een Volkswagen Polo betreft. In een Volkswagen Polo passen geen grote dozen met grote hoeveelheden hennepstekken. Uit de tapgesprekken is gebleken dat [verdachte] spullen heeft opgehaald, maar niet is gebleken dat dit hennepstekken betrof. Het proces-verbaal waarin de informatie is weergegeven die het Team Criminele Inlichtingen (TCI) heeft ontvangen, mag niet zonder meer als bewijsmiddel worden gebruikt. In het geval de rechtbank dat proces-verbaal wel als bewijsmiddel zou willen gebruiken, heeft de raadsvrouw verzocht om alle TCI-informanten als getuige te horen. Ten aanzien van het tenlastegelegde vervoer van hennepstekken heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] naar Haarsteeg is gereden om hennepstekken op te halen. Het in Haarsteeg waargenomen voertuig stond weliswaar op zijn naam, maar ook andere personen maakten gebruik van dat voertuig. Indien [verdachte] 1650 hennepstekken zou moeten ophalen, zou hij ongeveer 11 dozen moeten vervoeren. Dit zou niet in zijn voertuig passen. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het procesdossier niet blijkt dat [verdachte] wist dat hij hennepstekken ophaalde en vervoerde, zodat van opzet geen sprake was. Evenmin was sprake van voorwaardelijk opzet. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen, omdat de handelingen van [verdachte] slechts faciliterend van aard waren en dat hij geen substantiële bijdr De volledig los van elkaar functionerende en ieder voor eigen rekening en risico presterende betrokkenen vormden aldus geen criminele organisatie. Zelfs indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [winkel] enkele voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 11a van de Opiumwet heeft gepleegd, zou dat niet betekenen dat [winkel] het oogmerk had op het plegen van Opiumwet gerelateerde strafbare feiten. Bovendien was [verdachte] geen werknemer van [winkel] , maar van [verdachte 1] , en heeft [verdachte] in elk geval geen bijdrage geleverd aan eventuele voorbereidingshandelingen van [winkel] . Evenmin heeft hij deelgenomen aan de criminele organisatie. 3.3 De overwegingen en het oordeel van de rechtbank Leeswijzer Het onderzoek TOL46 heeft 11 verdachten opgeleverd die deel zouden uitmaken van een crimineel samenwerkingsverband. Bij het opstellen van de vonnissen van de verdachten heeft de rechtbank een overzicht van de bewijsmiddelen en bewezenverklaring opgesteld dat op meerdere verdachten betrekking heeft. Dat overzicht is hierna integraal opgenomen. Hieruit blijkt niet alleen de rol van [verdachte] , de verdachte in deze zaak, maar ook die van zijn medeverdachten. Bij het lezen van dit vonnis en het volgen van de motivering zijn sommige onderdelen van minder of geen belang voor [verdachte] . Inleiding In de periode tussen januari 2017 en maart 2018 is bij de politie via het Team Criminele Inlichtingen (TCI) informatie binnengekomen die erop neer kwam dat [verdachte 1] vanuit zijn winkel [winkel] en vanuit een loods achter zijn woning op grote schaal hennepstekken verkocht. Deze TCI-informatie was aanleiding voor de politie om onderzoek te doen naar [verdachte 1] . In het kader daarvan hebben onder meer observaties plaatsgevonden, zijn telefoonlijnen afgeluisterd en hebben, op 20 november 2018, op diverse locaties doorzoekingen plaatsgevonden. Handel in hennepstekken (feit 1) De verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting Ter terechtzitting van 16 november 2021 heeft [verdachte 1] een verklaring afgelegd. Daarin heeft hij onder meer verklaard dat hij hennepstekken is gaan (door)verkopen vanuit [winkel] , omdat er vanaf 2017 vraag naar was bij klanten van [winkel] . Hij heeft daarom verschillende personen benaderd om te bezien of die hem hennepstekken konden leveren. Aanvankelijk gebeurde het afleveren van de hennepstekken vanuit zijn woning, maar omdat hij op 20 september 2018 het idee had dat er iets niet in de haak was, heeft hij een nieuwe afleverlocatie gezocht. Dat was de loods aan de [adres 4] te Schinveld. Observaties van de woning van [verdachte 1] ( [adres 1] te Sittard) Naar aanleiding van de TCI-meldingen werden camera’s bij de woning van [verdachte 1] aan de [adres 1] te Sittard geplaatst en werden de telefoons van [verdachte 1] en [verdachte] getapt. Voorts werd [verdachte] geobserveerd en werd zijn voertuig, een Fiat Fiorino met kenteken [kenteken 1] , voorzien van een peilbaken. Uit het peilbaken bleek dat [verdachte] zeer regelmatig de woning van [verdachte 1] bezocht. Uit de camera-observaties, die tussen 1 juni 2018 en 29 juni 2018 hebben plaatsgevonden, is gebleken dat er op dinsdag- en vrijdagavonden, soms meerdere keren per dag, auto’s het terrein van [verdachte 1] aan de [adres 1] te Sittard op- en afreden. Tijdens de observaties werd gezien dat [verdachte] telkens zijn auto vanaf de openbare weg aan de voorzijde van de woning van [verdachte 1] naar de achterzijde van de woning reed, om zijn auto enkele minuten later weer op de openbare weg te parkeren. [verdachte 1] heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat (een deel van) wat tijdens deze observaties is gezien zag op hennepstekkenhandel. Uit het peilbaken onder de auto van [verdachte] bleek dat [verdachte] op drie achtereenvolgende vrijdagen (31 augustus, 7 september en 14 september 2018) na een rit van ongeveer 100 kilometer steeds zeer kortstondig een caravanstalling aan de [adres 2] te Haarsteeg, nabij Den Bosch, heeft bezocht. Na een Rond de afspraak van 21 september 2018 vonden deze plaats in omgeving Best, en daarna weer in de omgeving van Velddriel. Op 25 september 2018 zag het observatieteam dat de man die [verdachte 1] ontmoette reed in de auto met kenteken [kenteken 4] op naam van [naam 1] . [naam 1] heeft een dochter die staat ingeschreven op het adres [adres 3] te Velddriel, net als [verdachte 3] (geboren op [datum] 1977 en in 2018 dus 40-41 jaar oud). De man op de camerabeelden bij de [fastfood keten] past in het signalement van een persoon van 40 jaar. De pasfoto van [verdachte 3] , opgevraagd bij gemeente Maasdriel, komt overeen met de persoon die te zien is op de camerabeelden. Ook volgens het observatieteam komt de persoon op de pasfoto overeen met de man die aanwezig was in de [fastfood keten] op 21 september 2018. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] werd door de politie geïdentificeerd als ‘dealtelefoon’ van [verdachte 1] . [verdachte 3] gebruikte het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Uit de historische belgegevens van de ‘deal’-telefoon van [verdachte 1] over de periode 15 maart 2018 tot en met 9 september 2018 blijkt dat [verdachte 1] en [verdachte 3] iedere week, vaak meerdere malen, contact hadden en dat zij in deze periode in totaal 184 keer contact hadden via sms-berichten of telefoongesprekken. Gegevens van vóór 15 maart konden niet worden verkregen. In de tapgesprekken worden getallen zoals “1650”, “1770” en “1590” genoemd. Tussenconclusies Op grond van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] vanaf zijn woonadres in hennepstekken heeft gehandeld. Op basis van de ter terechtzitting afgelegde verklaring van [verdachte 1] in combinatie met de uitgevoerde observaties kan worden vastgesteld dat de afnemers in ieder geval vanaf 1 juni 2018 (toen de observaties begonnen) bij de woning van [verdachte 1] moesten zijn voor het ophalen van de bestelde hennepstekken en dat [verdachte] daaraan meewerkte. Gelet op de telefoontaps tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] , en de zeer kortstondige bezoeken van [verdachte] aan Haarsteeg die “passen” bij de inhoud van die telefoontaps, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de vrijdagmiddagritjes van [verdachte] naar Haarsteeg werden afgelegd om aldaar hennepstekken voor [verdachte 1] op te halen. De rechtbank merkt op dat Velddriel, de woonplaats van [verdachte 3] , volgens ‘ Google Maps ’ ongeveer 15 minuten rijden met de auto van Haarsteeg ligt. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte 3] “ [bijnaam verdachte 3] ” is en dat hij de leverancier van die hennepstekken was, aangezien hij in het tapgesprek van 19 september 2018 zei dat hij “ vorige week, de week ervoor” (naar de rechtbank begrijpt: én de week ervoor ) alles had gegeven en [verdachte] in die weken naar Haarsteeg is gereden. [verdachte] zorgde er aldus voor dat de bij [verdachte 3] bestelde hennepstekken werden opgehaald en uiteindelijk bij de afnemers van [verdachte 1] terecht kwamen, waarbij de uitlevering plaatsvond bij de woning van [verdachte 1] . Uit de inhoud van de telefoontaps en sms-berichten kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat [verdachte 1] ongeveer 1500 hennepstekken per week bij [verdachte 3] bestelde. Uit de historische belgegevens van de telefoon van [verdachte 1] met het telefoonnummer van [verdachte 3] is, zeker nu er geen andere verklaring is gegeven over de aard en inhoud van deze veelvuldige contacten, naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat [verdachte 1] en [verdachte 3] in ieder geval al vanaf 15 maart 2018 iedere week op dezelfde voet zaken met elkaar deden. Handel in hennepstekken vanuit loods [adres 4] te Schinveld [verdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard, dat de hennepstekken in [winkel] werden besteld en aanvankelijk vanuit de woning van [verdachte 1] in Sittard werden geleverd. Naar aanleiding van de onrust op 20 september 2018 is de afleverplek van de hennepstekken veranderd van de woning van [verdachte 1] naar de loods aan de [adre Over de getapte telefoonlijnen kwamen enkele telefoongesprekken voor waarin [verdachte 1] en [verdachte 4] onder meer spraken over de verkoop van “grote honden” en “kleine honden”. Op 20 november 2018 werd tijdens de doorzoeking van de loods aan de [adres 4] te Schinveld een doos in beslag genomen met daarin in totaal 90 hennepstekken van 17 centimeter lang. De verbalisant rook de bij hem ambtshalve bekende geur van hennep en de MMC-test reageerde positief op hennep. Leverancier [verdachte 6] In de tapgesprekken van de telefoon van [verdachte 1] is naar voren gekomen dat [verdachte 1] na 1 september 2018 regelmatig telefonisch contact had met het telefoonnummer +31622048782. Nadat dit telefoonnummer werd getapt, kon de gebruiker worden geïdentificeerd als [verdachte 6] . Uit de inhoud van de tapgesprekken bleek dat [verdachte 1] bestellingen bij [verdachte 6] plaatste. In de tapgesprekken is gesproken over hoeveelheden van 380 stuks, 400 stuks, 850 stuks, 600 stuks, 700 à 800 stuks en 1030 stuks. Hiervoor is al gerefereerd aan het bezoek van [verdachte 6] aan de loods op 9 november 2018. In een op die dag opgenomen tapgesprek om 15.06 uur spreken hij en [verdachte 1] over een hoeveelheid van “1030” voor vandaag om 18.00 uur. Even later, om 18.03 uur, is een Volvo V40 met kenteken [kenteken 8] op naam van [verdachte 6] geobserveerd als hij de loods aan de [adres 4] te Schinveld binnenrijdt. Ook op 14 november 2018 is er een tapgesprek tussen beiden, waarin een afspraak wordt gemaakt voor de dag erna, waarna op 15 november 2018 [verdachte 6] om 19.00 uur geobserveerd wordt als hij de loods aan de [adres 4] te Schinveld binnenrijdt. [verdachte 6] heeft ter terechtzitting op 16 en 17 november 2021 verklaard dat hij meermaals hennepstekken aan [verdachte 1] heeft verkocht. Tijdens de doorzoeking op 20 november 2018 van de woning van [verdachte 6] aan de [adres 6] te Grevenbicht werden een hennepkwekerij en hennepstekkerij aangetroffen in zijn woning en bijbehorende schuur. In de eerste kweekruimte, gelegen op de zolder van de woning, werden 51 moederplanten en 1848 hennepstekken aangetroffen. In de tweede en derde kweekruimte, gelegen in de schuur naast de woning, werden 145 (kweekruimte 2) en 251 (kweekruimte 3) moederplanten aangetroffen. Tussenconclusies Uit de genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af, dat na de “paniekdagen” op 20 en 21 september 2018 door [verdachte 1] een nieuwe plek werd gezocht én gevonden voor de leveranties van de hennepstekken. Daar waar deze aanvankelijk iedere vrijdag door [verdachte] werden opgehaald in Haarsteeg en werden uitgeleverd bij de woning van [verdachte 1] , vond de uitlevering van die hennepstekken, zoals valt af te leiden uit tapgesprekken en observaties, vanaf vrijdag 26 oktober 2018 wekelijks plaats vanuit een nieuwe locatie, zijnde de loods aan de [adres 4] te Schinveld. Dat de afleverplek van de hennepstekken op enig moment is verplaatst naar de loods aan de [adres 4] te Schinveld, werd ook door [verdachte 1] ter terechtzitting verklaard. [verdachte] verdween na 21 september 2021 uit beeld voor wat betreft de handel in hennepstekken. Daar waar aanvankelijk een rol was weggelegd voor [verdachte] in het ophalen en vervoeren van de hennepstekken vanuit Haarsteeg en de uitlevering daarvan bij de woning van [verdachte 1] , is zijn rol in het vervoer van de hennepstekken daarna overgenomen door de chauffeur van [verdachte 3] , [verdachte 5] . De hennepstekken die [verdachte 1] bij [verdachte 3] bestelde werden door [verdachte 5] telkens op vrijdag omstreeks 17.00 uur bij de loods aan de [adres 4] afgeleverd voordat de afnemers deze vanaf omstreeks 19.00 uur kwamen ophalen. [verdachte 4] speelde vanaf 26 oktober 2018 een rol in de aflevering van de hennepstekken aan de verschillende afnemers daarvan vanuit de loods aan de [adres 4] te Schinveld. Hij stelde de loods daarvoor ter beschikking en zorgde ervoor dat de leveranciers en afnemers van de hennepstekken toegang hadden tot [verdachte 1] verkocht vanuit [winkel] de hennepstekken en regelde vanaf welke locatie die konden worden opgehaald. [verdachte] haalde aanvankelijk de door [verdachte 1] bij vaste leverancier [verdachte 3] bestelde hennepstekken op in Haarsteeg en zorgde in het begin (toen de klanten van [verdachte 1] de hennepstekken nog bij diens woning konden ophalen) steeds voor het verplaatsen van de bestelbus met daarin de hennepstekken op en van het terrein van [verdachte 1] , zodat diens bedrijf en de woning “schoon” bleven. Na de “paniekdagen” op 20 en 21 september 2018 werd door [verdachte 1] een nieuwe plek gezocht én gevonden voor de leveranties van de hennepstekken. Daar waar deze aanvankelijk iedere vrijdag door [verdachte] werden opgehaald in Haarsteeg en werden uitgeleverd bij de woning van [verdachte 1] , vond de uitlevering van die hennepstekken, zoals valt af te leiden uit tapgesprekken en observaties, vanaf vrijdag 26 oktober 2018 wekelijks plaats vanuit een nieuwe locatie, zijnde de loods aan de [adres 4] te Schinveld. [verdachte] verdween na 21 september 2021 uit beeld voor wat betreft de handel in hennepstekken. Dat betekent dat voor de bewezenverklaring deze datum als einddatum zal worden vastgesteld. Omdat [verdachte 5] en [verdachte 4] pas ná deze datum in beeld kwamen als betrokkenen bij de stekkenhandel en er geen bewijs is van enige connectie tussen [verdachte] en [verdachte 6] , beschouwt de rechtbank deze personen niet als medeplegers van [verdachte] . Wat de begindatum van de periode betreft, heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat uit de historische belgegevens van de telefoon van [verdachte 1] met het telefoonnummer van [verdachte 3] , zeker nu er geen andere verklaring is gegeven over de aard en inhoud van deze veelvuldige contacten, is af te leiden dat [verdachte 1] en [verdachte 3] in ieder geval al vanaf 15 maart 2018 iedere week op dezelfde voet zaken met elkaar deden. [verdachte] is echter pas op 1 juni 2018 voor het eerst bij een observatie van de hennepstekkenhandel waargenomen. De rechtbank zal daarom 1 juni 2018 als begindatum bewezen achten. De rechtbank acht tevens bewezen dat het ging om een grote hoeveelheid hennepstekken. De verklaring van [verdachte 1] dat het slechts om kleinere hoeveelheden hennepstekken ging, acht de rechtbank onaannemelijk. Uit de getapte telefoongesprekken en sms-berichten blijkt dat [verdachte 3] ongeveer 1500 stekken per week leverde aan [verdachte 1] . De rechtbank ziet, gezien de inhoud van de bewijsmiddelen, geen reden om van andere hoeveelheden uit te gaan. Nu er sprake is geweest van een langere periode waarin vrijwel wekelijks hennepstekken werden verkocht, vervoerd en geleverd, wordt eveneens bewezen geacht dat deze hennepstekkenhandel een beroeps- of bedrijfsmatig karakter had. In het geval van [verdachte] acht de rechtbank het medeplegen van hennep teelt niet bewezen. Er zijn geen aanwijzingen dat [verdachte] bij de teelt van de hennepstekken enige betrokkenheid had. Op het moment dat [verdachte 6] als vaste kweker van hennepstekken in beeld kwam, was [verdachte] mogelijk al niet meer betrokken bij de stekkenhandel. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat [verdachte] op enige wijze met [verdachte 6] heeft samengewerkt. [verdachte] haalde de stekken op in Haarsteeg en was gedurende de periode dat deze aan de klanten van [verdachte 1] werden geleverd vanaf diens woonadres aan de [straat] te Sittard degene die het voertuig met de stekken steeds op en af het terrein van [verdachte 1] reed. Dat hij niet geweten zou hebben dat het om het vervoer en de handel in hennepstekken ging, acht de rechtbank gelet op zijn rol en het ontbreken van een alternatieve verklaring van [verdachte] zelf, dan ook volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank acht gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 juni 2018 tot en met 21 september 2018 in de uitoefening van een beroep of bedrijf tezamen en in vereniging met anderen grote hoeveelhede Het gaat met andere woorden steeds om de criminele intentie van de dader en de daaruit voortvloeiende handeling. Deze twee bestanddelen van de strafbaarstelling moeten zijn vervuld, wil er sprake zijn van strafbare voorbereidingshandelingen. De werking van deze bestanddelen is vergelijkbaar met communicerende vaten. Indien de verrichte handeling onmiskenbaar bestemd is voor de hennepteelt zal de criminele intentie grotendeels kunnen worden afgeleid uit aard en bedoeling van die handeling, terwijl wanneer de handeling meer alledaags is, hogere eisen zullen gelden voor het bewijs van hetgeen de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden over het uiteindelijk doel ten behoeve waarvan de handeling werd verricht. ’ In de brief van de minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2012 met een schriftelijke reactie op de in eerste termijn bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer gestelde vragen schrijft de minister over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid verder onder meer nog: ‘ Het gaat in dit wetsvoorstel in het geheel niet om een omslag van legale producten in illegale producten. Het gaat erom dat voorwerpen (…) ter beschikking worden gesteld terwijl men ernstige redenen heeft om te vermoeden of weet dat met die voorwerpen of legale producten strafbare handelingen zullen worden begaan. Het gaat dus om het “ter beschikking stellen van de voorwerpen” en niet om de voorwerpen die ter beschikking worden gesteld. De kern van de strafbare voorbereiding is de verstrekking onder bepaalde omstandigheden. De verstrekking onder die omstandigheden is strafbaar, maar de voorwerpen blijven doorgaans legaal. ’ De wetgever heeft tijdens de parlementaire behandeling voor de vraag wanneer sprake is van beroepsmatige of bedrijfsmatige teelt van hennepplanten verwezen naar wat hierover staat in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie. In de Nota naar aanleiding van het Verslag staat: ‘ Bij beroeps- en bedrijfsmatige teelt wordt gekeken naar de wijze van telen, zoals blijkt uit de Aanwijzing Opiumwet van het OM (Staatscourant 2011, nr. 11 134 van 27 juni 2011), paragraaf 3.2.1 en bijlage 1. Paragraaf 3.2.1 vermeldt, voor zover hier van belang, dat voor de beoordeling van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van teelt wordt gekeken naar de omstandigheden waaronder de teelt plaatsvindt. Bij het aantreffen van een hoeveelheid van vijf planten of minder wordt in het algemeen aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Het aantal planten is echter niet altijd de doorslaggevende factor voor het bepalen van het al dan niet beroeps- of bedrijfsmatige karakter van de teelt. Ook bij vijf planten of minder kan sprake zijn van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Dit geldt in situaties waarin aan twee of meer indicatoren voor professionele teelt, zoals opgenomen in bijlage I van de Aanwijzing is voldaan en indien er sprake is van teelt voor geldelijk gewin. ’ In de Aanwijzing Opiumwet wordt aangegeven dat aan de hand van doel en mate van professionaliteit moet worden beoordeeld of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt, waarbij bij een schaalgrootte van vijf planten of minder in beginsel aangenomen kan worden dat geen sprake is beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Doel (geldelijk gewin) en mate van professionaliteit van de teelt van een hoeveelheid kan echter maken dat ook in een dergelijk geval sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt. Bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet bevat een niet-limitatieve opsomming van indicatoren om de mate van professionaliteit van de hennepkweek te beoordelen. Het bewijs voor voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet De verklaring van [verdachte 1] ter terechtzitting De verklaring die [verdachte 1] ter terechtzitting heeft afgelegd, ziet ook op de handel in ‘ growshop ’-goederen. Volgens hem verkocht hij in [winkel] materialen die gebruikt kunnen worden om hennep te kweken, maar dat was volgens hem sle Op 20 november 2018 vond een doorzoeking in de loods aan de [adres loods 3] te Sittard plaats. Het betreft een grote opslagruimte met rekken en pallets waarop plastic potten, dozen met steenwolblokken, watertonnen, lege jerrycans, droogrekken en jerrycans met groeimiddelen stonden. Op diezelfde dag vond een doorzoeking plaats in de loods aan de [adres loods 3] te Sittard. Er zijn onder meer, plastic bakken, groene watertonnen, 9 pallets met elk 60 zakken met opschrift “janero professional” met als inhoud potgrond (inhoud 50 liter) en 8 pallets met elk 70 zakken met opschrift “Ata Wilma Cocos Substract” (inhoud 50 liter) aangetroffen. Op de zakken was een sticker aangebracht met [winkel] en de adressering [adres 13] te Sittard. Tijdens de doorzoeking verscheen onder meer [medeverdachte 1] aan de deur. Ook in de bedrijfsgebouwen aan de [adres loods 2] te Elsloo vond op 20 november 2018 een doorzoeking plaats. Getuige [getuige 3] , de eigenaar van de bedrijfsgebouwen, heeft verklaard dat de goederen in gang T van [verdachte 1] waren. Het betroffen onder meer grote en kleine koolstoffilters, ventilatoren met diverse capaciteit, assimilatielampen, armaturen voor assimilatielampen, schakelkasten en groepenkasten met tijdklok en wandcontactdozen, voorschakelapparaten/transformatoren, slakkenhuizen, dozen met groeimiddelen en een groeistimulator. Verbalisant [verbalisant 3] heeft tientallen grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages ontmanteld en heeft over deze aangetroffen goederen gerelateerd dat deze goederen veelvuldig gebruikt worden bij grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepplantages. Getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat [verdachte 1] de opslagruimte ongeveer 2 jaar huurde en dat een man genaamd [verdachte] zijn vaste contactpersoon was. [getuige 3] heeft voorts verklaard dat [verdachte] de chauffeur van [verdachte 1] was en dat deze de spullen naar het gebouw bracht. [getuige 3] kwam 1 of 2 keer per week in zijn bedrijfsgebouwen. Klanten van [winkel] Getuige [getuige 1] heeft op 21 november 2018 verklaard dat hij 4 of 5 weken geleden een kannetje van 5 liter groeimiddel bij [winkel] heeft gekocht. Getuige [getuige 2] heeft op 21 november 2018 verklaard dat hij 2 weken geleden plantenvoeding bij [winkel] heeft gekocht. Op 20 november 2018 zijn in de woning van [getuige 1] op het adres [adres 9] te Sittard en in de woning van [getuige 2] aan de [adres 8] te Munstergeleen in werking zijnde hennepkwekerijen aangetroffen met 323, respectievelijk 140 hennepplanten. Onderzoek verkoopadministratie [winkel] Uit onderzoek naar de verkoopadministratie van [winkel] is gebleken dat de omzet van [winkel] nagenoeg geheel bestond uit contante omzet. Uit de administratie van [bedrijf 2] , een van de grootste leveranciers van [winkel] , blijkt dat alle inkoopfacturen contant werden betaald door [winkel] . Hebben [verdachte] en zijn medeverdachten [verdachte 1] , [verdachte 7] en [medeverdachte 1] zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 11a van de Opiumwet? [verdachte 1] had de bij de doorzoeking aangetroffen voorwerpen en stoffen in zijn bedrijfspand aan de [adres 10] te Geleen, de bedrijfsgebouwen aan de [adres loods 2] te Elsloo en de loodsen aan de [adres loods 3] en [nummer] te Sittard voorhanden ten behoeve van de verkoop. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat de opgeslagen goederen vanuit de bedrijfsgebouwen en de loodsen naar de winkel werden vervoerd ten behoeve van de verkoop vanuit [winkel] . De in voornoemde panden/loodsen aangetroffen voorwerpen en stoffen zijn naar het oordeel van de rechtbank vanwege hun aard en functie, en gelet op de gezamenlijkheid van de goederen, bestemd voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt, dan wel voor het telen van grote hoeveelheden hennep. Dat betekent dat de rechtbank de verklaring van [verdachte 1] , dat hij slechts goederen verkocht met het oog op kleinschalige hennepteelt, niet gelooft. Voor de beantwoording van de vraag wanneer er sprake is van bero [verdachte 1] had onder meer koolstoffilters, lampen en schakelkasten, ten behoeve van de verkoop opgeslagen in het bedrijfspand aan de [adres loods 2] te Elsloo; producten waarvan hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij die na wetswijziging in 2015 van artikel 11a van de Opiumwet niet meer in zijn winkel wilde hebben. Blijkens zijn verklaring was hij zich bewust van het risico van een verdenking van het plegen van voorbereidingshandelingen. Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [verdachte 1] wist dat de aangetroffen goederen op 20 november 2018 op de [adres 10] te Geleen (adres [winkel] ), de [adres loods 3] en [nummer] te Sittard en de [adres loods 2] te Elsloo bestemd waren voor de beroeps- en/of bedrijfsmatige hennepteelt, zoals ten laste is gelegd onder feit 2. De op de verschillende locaties aangetroffen goederen zijn vermeld op de lijsten met betrekking tot inbeslagneming op de pagina’s genoemd in de tenlastelegging, met dien verstande dat pagina 849 betrekking heeft op de [adres loods 3] en de pagina’s 832-835 betrekking hebben op [adres loods 3] . De rechtbank leest dit verbeterd. De rechtbank is voorts van oordeel dat [verdachte 1] dit feit tezamen en in vereniging met [verdachte] en [medeverdachte 1] heeft gepleegd. [verdachte] was een werknemer van [verdachte 1] , blijkt uit de verklaring van [verdachte 1] en uit het politieonderzoek. Uit de tapgesprekken blijkt dat [verdachte] in opdracht van [verdachte 1] goederen vervoerde van de loodsen naar [winkel] en andersom. Volgens getuige [getuige 3] is ( [verdachte] ) [verdachte] zijn vaste contactpersoon en de chauffeur van [verdachte 1] die alle spullen naar het bedrijfsgebouw van [getuige 3] bracht. [verdachte] was bovendien tot 20 september 2018 betrokken bij de aan- en aflevering van hennepstekken. Gelet op deze omstandigheden was [verdachte] op de hoogte van de goederen die ten behoeve van de verkoop van [winkel] waren opgeslagen op voornoemde locaties. De aangetroffen voorwerpen en stoffen waren naar het oordeel van de rechtbank, zoals gezegd, bestemd voor grootschalige hennepteelt en/of bedrijfsmatig gebruik. Dat voorwerpen zoals in de loodsen/panden aangetroffen voor professionele hennepteelt plegen te worden gebruikt acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. [verdachte] heeft daarom in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze voorwerpen daarvoor ook bestemd waren. [medeverdachte 1] was een werkneemster van [verdachte 1] . Uit de tapgesprekken blijkt dat zij haar werkzaamheden in opdracht van [verdachte 1] uitvoerde en dat zij (na overleg met [verdachte 1] ) soms ook [verdachte] opdracht gaf goederen op te halen bij de loodsen en naar [winkel] te brengen ten behoeve van de verkoop, alwaar zij zich dan bevond. Ook blijkt uit de tapgesprekken dat zij zelfstandig (financiële) zaken regelde met klanten. Uit de taps over bestellingen blijkt dat de aard van de goederen bij haar bekend was: filters, grond, pluggen en de RVK. Gelet op haar aanwezigheid in de winkel, maar ook in de loods aan de [adres loods 3] te Sittard op de dag van de doorzoeking, was zij naar het oordeel van de rechtbank op de hoogte van de voorwerpen en stoffen die te koop werden aangeboden door [winkel] en moet zij ook hebben geweten dat deze goederen voor het overgrote deel contant werden betaald. Onder deze omstandigheden is het onaannemelijk dat zij niet wist dat zij en haar medeverdachten de bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt faciliteerden. In ieder geval heeft zij door haar handelswijze bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit het geval was. [verdachte 7] is door de rechtbank vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. De rechtbank beschouwt hem dan ook niet als medepleger van dit feit. Partiële vrijspraak feit 2 De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [verdachte 1] voorwerpen en stoffen bestemd voor de beroepsmatige- of bedrijfsmatige hennepteelt voorhanden heeft gehad op de [adres 4] Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, waarop de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 is gebaseerd, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. De criminele organisatie ziet in de eerste plaats op het plegen van voorbereidingshandelingen voor Opiumwetdelicten. [verdachte 1] was eigenaar van [winkel] en heeft, zoals reeds is vastgesteld door de rechtbank, samen met de medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet gepleegd door voorwerpen en stoffen te koop aan te bieden en voorhanden te hebben die bestemd waren voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. [verdachte 1] was de werkgever van [verdachte] . Ook was hij de werkgever van [medeverdachte 1] . Vanuit die rol stuurde [verdachte 1] hen aan. [verdachte] was zijn vaste chauffeur die de goederen van de loodsen naar [winkel] bracht en andersom. [medeverdachte 1] was werkzaam in de winkel, regelde (financiële) zaken met klanten en stuurde [verdachte] in opdracht van [verdachte 1] soms ook aan. Gelet op hun strafbare voorbereidingshandelingen als werknemers voor [verdachte 1] was sprake van een duurzame samenwerking. Ook hadden de verdachten, gelet op de beschreven werkzaamheden, een vaste rol bij het plegen van dit strafbaar feit. In de tweede plaats ziet de criminele organisatie op de handel in hennepstekken. Ook die handel vond plaats vanuit [winkel] . Daarover heeft de rechtbank al geoordeeld dat het medeplegen van de handel in hennepstekken bewezen wordt geacht voor de periode van 1 juni 2018, het moment dat de observaties begonnen, tot en met 20 november 2018. Hieruit volgt dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid. Klanten konden in de winkel hennepstekken bestellen, die zij vervolgens konden afhalen bij de woning van [verdachte 1] , waarbij de hennepstekken tot 21 september 2018 door [verdachte] werden vervoerd. Nadien is de afleverplek gewijzigd en konden de hennepstekken worden opgehaald bij de loods aan de [adres 4] te Schinveld. Deze loods was in gebruik bij [verdachte 4] en hij was degene die de afnemers en leveranciers van hennepstekken bij zijn loods ontving. [verdachte 3] en [verdachte 6] waren de vaste leveranciers van [verdachte 1] en [verdachte 5] was vanaf 26 oktober 2018 de vervoerder van de hennepstekken naar de loods aan de [adres 4] te Schinveld. [naam 2] bestelde met enige regelmaat hennepstekken bij [verdachte 1] en ondersteunde daarmee de criminele activiteiten van diens organisatie, in die zin dat de organisatie van [verdachte 1] zich verzekerd wist van een afzetmarkt. [verdachte 1] bepaalde de gang van zaken in zijn bedrijf, alwaar hij goederen bestemd voor de illegale hennepteelt ten behoeve van de verkoop voorhanden had en hij bracht de vraag en het aanbod in de hennepstekkenhandel samen. Hij onderhield de contacten met afnemers en leveranciers en zorgde dat de hennepstekken van de leveranciers bij de klanten terecht kwamen. Alle verdachten hadden aldus een vaste rol bij de handel in de hennepstekken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] samen met [verdachte 1] , [medeverdachte 1] , [verdachte 3] , [verdachte 6] , [verdachte 5] , [verdachte 4] en [naam 2] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en dat [verdachte 1] daarvan de leider was. [verdachte 7] is door de rechtbank vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat hij deel uitmaakte van de criminele organisatie. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] 1. in de periode 1 juni 2018 tot en met 21 september 2018 in meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg en in het arrondissement Oost-Brabant tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, -in voornoemde periode in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd, en -in voornoemde periode opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een grote hoeve Gelet op voornoemde omstandigheden heeft de raadsvrouw verzocht aan [verdachte] geen (geheel) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. [verdachte] is 4 maanden als vervoerder betrokken geweest bij de handel in hennepstekken. Ook heeft hij gedurende bijna acht maanden voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet gepleegd door voorwerpen waarvan hij wist dat ze bestemd waren voor de beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt te vervoeren. Hij heeft deze feiten gepleegd als lid van een criminele organisatie. [verdachte] voerde opdrachten uit in opdracht van [verdachte 1] . [verdachte 1] had voor het plegen van deze misdrijven een vervoerder van de goederen nodig. [verdachte] vervulde deze rol als vervoerder en was in zoverre onmisbaar. Hij heeft daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan het plegen van de feiten. Hennep bevat de voor de gezondheid van personen schadelijke stof THC. Met het kweken van hennep worden grote illegale winsten behaald. De verspreiding van en handel in hennep gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, zoals witwassen en ripdeals. [verdachte] en zijn medeverdachten zijn hieraan voorbij gegaan en hebben slechts hun eigen financieel gewin voorop gesteld. De rechtbank zal bij de strafoplegging ten gunste van [verdachte] rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en de uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven over de wijze waarop met een dergelijke overschrijding moet worden omgegaan. Uitgangspunt hierbij is dat de behandeling van een strafzaak in eerste aanleg binnen 2 jaren dient te zijn afgerond met een eindvonnis. Als aanvang van de termijn geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. [verdachte] werd op 28 november 2018 aangehouden en in verzekering gesteld. De redelijke termijn is dan ook op die dag gaan lopen. De zaak is pas op 16 november 2021 ter terechtzitting aangebracht en dit vonnis wordt heden, op 27 januari 2022, gewezen. De redelijke termijn is daarmee met 14 maanden overschreden. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met het strafblad van [verdachte] , waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar vergelijkbare gevallen en acht geslagen op de straffen die in die zaken zijn opgelegd. Doorgaans worden onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor de door [verdachte] gepleegde feiten opgelegd. Gelet op de eerder beschreven ondergeschikte rol van [verdachte] in de criminele organisatie en de relatief korte periode waarin hij bij de hennepstekkenhandel betrokken is geweest, zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daarnaast een taakstraf. Gelet op de feiten acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen (3 maanden) met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Met de oplegging van deze voorwaardelijke gevangenisstraf wil de rechtbank [verdachte] ervan doordringen dat hij niet nog eens strafbare feiten mag plegen. Deze stok achter de deur is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk gelet op de mogelijke financiële problemen als gevolg van de naast deze strafzaak lopende ontnemingsprocedure en de op grond daarvan ontstane vrees van de rechtbank dat [verdachte] mogelijk wederom in de verleiding komt om zich met dit soort strafbare feiten in te laten. Ten aanzien van de hoogte van de taakstraf over 832-835), en/of - alle, althans één of meer voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres 12] ( [postcode] ) te Sittard (dossier, p. 870), en/of - alle, althans één of meer voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres loods 2] ( [postcode] ) te Elsloo (dossier, p. 984-988), en/of (al dan niet in verband met de handel in hennepstekken) - alle, althans één of meer voorwerpen genoemd op de lijst met betrekking tot de inbeslagneming op het adres [adres 4] ( [postcode] ) te Schinveld (dossier, p. 816), dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten (al dan niet in verband met de handel in growshopgoederen) - een voertuig van het merk/type Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 11] , en/of - een voertuig van het merk/type Peugeot Expert met kenteken [kenteken 7] , en/of - een voertuig van het merk/type BMW X5 met kenteken [kenteken 3] en/of - een voertuig van het merk/type Peugeot Partner met kenteken [kenteken 9] , en/of - een voertuig van het merk/type Ford Transit met kenteken [kenteken 12] , en/of (al dan niet in verband met de handel in hennepstekken) - een pand gelegen aan de [adres 1] ( [postcode] ) te Sittard, en/of - een voertuig van het merk/type Peugeot Partner met kenteken [kenteken 10] , en/of - een voertuig van het merk/type Fiat Fiorino met kenteken [kenteken 1] , en/of - een voertuig van het merk/type Citroen Saxo met kenteken [kenteken 6] , en/of - een voertuig van het merk/type Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 13] , en/of - een voertuig van het merk/type Volvo V40 met kenteken [kenteken 8] , en/of - een voertuig van het merk/type Kia Sportage met kenteken [kenteken 5] , waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten; 3. hij in de periode 1 april 2018 tot en met 20 november 2018 in één of meerdere gemeenten in het arrondissement Limburg en/of in het arrondissement Oost-Brabant en/of (elders) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere): - [verdachte 1] en/of - [verdachte 3] en/of - [verdachte 4] en/of - [naam 2] en/of - [verdachte 6] en/of - [verdachte 5] en/of - [verdachte 7] en/of - [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet. Indien in dit vonnis personen worden genoemd, worden zij de eerste keer met de volledige initialen van hun voornamen vermeld, en de keren daarna alleen met hun achternaam. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit zaaksdossier 1, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK1-LBRAA18007, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 888, zaaksdossier 3, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK3-LBRAA18007, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 230, zaaksdossier 4, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK4-LBRAA18007, gesloten d.d. 1 maart 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 223, zaaksdossier 5, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, proces-verbaalnummer ZK5-LBRAA18007, gesloten d.d. 29 april 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 209, zaaksdossier 7, een proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg en Politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 22 november 2018, pagina 77, en zaaksdossier 3, proces-verbaal van aanhouding d.d. 20 november 2018, pagina 104. Zaaksdossier 3, proces-verbaal van observatie d.d. 22 november 2018, pagina’s 77 tot en met 79. Zaaksdossier 3, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 19 tot en met 21. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen doos met hennepstekken [adres 4] Schinveld d.d. 27 november 2018, pagina’s 202 tot en met 204, en zaaksdossier 3, kennisgeving van inbeslagneming d.d. 20 november 2018, pagina 172. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van bevindingen doos met hennepstekken [adres 4] Schinveld d.d. 27 november 2018, pagina 202. Inleiding en Algemeen dossier, proces-verbaal Pv stemherkenning [verdachte 6] d.d. 13 maart 2019, pagina 142. Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 5 tot en met 11. Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 11. Zaaksdossier 4, proces-verbaal van observatie d.d. 15 november 2018, pagina’s 81 en 82. Zaaksdossier 5, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina 12, en zaaksdossier 5, proces-verbaal van observatie d.d. 5 december 2018, pagina 34. Proces-verbaal van terechtzitting verklaring [verdachte 6] . Zaaksdossier 5, proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 24 november 2018, pagina 46 tot en met 51, met als bijlagen een fotomap, pagina’s 52 tot en met 70, en kennisgevingen van inbeslagneming, pagina’s 71 tot en met 76, en een ruimlijst, pagina 77. Zaaksdossier 4, proces-verbaal ID [naam 2] d.d. 3 oktober 2018, pagina’s 30 en 31, en zaaksdossier 4, een ander geschrift, zijnde proces-verbaal Lokale Politie te Genk, eerste verhoor tijdens arrestatietermijn d.d. 16 oktober 2018, pagina 79, en zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina’s 5 tot en met 12 en 18. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 5. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 7. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 8. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 10. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 11. Zaaksdossier 4, proces-verbaal ID [naam 2] d.d. 3 oktober 2018, pagina’s 30 en 31. Zaaksdossier 4, proces-verbaal d.d. 1 maart 2019, pagina 12. Beslagdossier, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 21 november 2018, pagina’s 471 en 472, met als bijlage een kavellijst, pagina 477 en 478. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] d.d. 21 november 2018, pagina’s 603 en 604. Zaaksdossier 7, proces-verbaal van bevindingen stekkenhandel [verdachte 1] d.d. 27 november 2018, pagina 12’s tot en met 27. Zaaksdossier 1, proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 28 december 2018, pagina’s 569 tot en met 571. Zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] d.d. 21 november 2018, pagina’s 241 en 242. Zaaksdossier 1, proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 4 januari 2019, pagina’s 210 tot en met 215. TK 2011-2012, 32 842, nr. 6, pagina’s 2 en 3; aangehaald in ECLI:NL:PHR:2019:1143, r.o. 10. TK 2012-2013, 32 842, nr. 13, pagina 6. TK 2011-2012, 32 842, nr. 6, pagina 9. Zaaksdossier 1, proces-verbaal [telefoonnummer 8] igb [verdachte 1] d.d. 4 juni 2018, pagina’s 93 en 94, zaaksdossier 1, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 november 2018, pagina 196, en Inleiding en Algemeen dossier, proces-verbaal van bevindingen stemherkenning [verdachte 1] d.d. 4 december 2018, pagina 133. Inleiding en Algemeen dossier, proces-verbaal stemherkenning d.d. 3 december 2018, pagina 134. Zaaksdossier 1, proces-verbaal nummers [verdachte] , pagina’s 96 en 97. Zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 9 tot en met 13, 15 ,17, en 20 tot en met 22, zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 12 en 26. .Zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 17 en 26. Zaaksdossier 1, proces-verbaal d.d. 29 april 2019, pagina’s 14, 16, 23 en 26. Zaaksdossier 1, pro