Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2022-12-15
ECLI:NL:RBLIM:2022:10092
Bestuursrecht, Civiel recht; Burgerlijk procesrecht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
4,432 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
zaaknummer / rolnummer: C/03/311815 / KG ZA 22-442
Vonnis in kort geding van 15 december 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres in conventie, verweerster in het incident] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
verweerster in het incident,
hierna aangeduid als [eiseres in conventie, verweerster in het incident]
advocaten mr. W.J. Bosma en mr. J.E. van der Holst,
tegen
1 [gedaagde sub 1 in conventie, verweerder in het incident] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde sub 2 in conventie, verweerder in het incident],
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
3. [gedaagde sub 3 in conventie, verweerder in het incident],
wonende te [woonplaats] ,
4. [gedaagde sub 4 in conventie, verweerder in het incident],
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
5. [gedaagde sub 5 in conventie, verweerder in het incident],
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
6. [gedaagde sub 6 in conventie, verweerder in het incident],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
verweerders in het incident,
gedaagden sub 1 tot en met 6 hierna gezamenlijk aangeduid als [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s.
in welke procedure hebben verzocht toegelaten te worden als gevoegde partij aan de zijde van eiseres
1 [eiser sub 1a in het incident] en [eiser sub 1b in het incident] ,
wonende te [woonplaats] ;
2. [eiser sub 2a in het incident] en [eiser sub 2b in het incident],
wonende te [woonplaats] ;
3. [eiser sub 3a in het incident] en [eiser sub 3b in het incident],
wonende te [woonplaats] ;
4. [eiser sub 4 in het incident],
wonende te [woonplaats] ;
5. [eiser sub 5a in het incident] en [eiser sub 5b in het incident],
wonende te De Lier,
6. [eiser sub 6 in het incident],
gevestigd te [woonplaats] ,
eisers in het incident,
hierna gezamenlijk aangeduid als Kopers
advocaat mr. J.E. van der Holst
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 november 2022 met daarbij en nadien overgelegde producties 1 tot en met 14;
de conclusie van antwoord van gedaagden sub 1 tot en met 4 en 6;
de incidentele conclusie tot voeging met productie 1;
de mondelinge behandeling op 14 december 2022
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Verstekverlening
2.1.
Gedaagden [gedaagde sub 2 in conventie, verweerder in het incident] , [gedaagde sub 4 in conventie, verweerder in het incident] en [gedaagde sub 5 in conventie, verweerder in het incident] zijn behoorlijk opgeroepen tegen de terechtzitting van 14 december 2022, maar zijn daar niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Op grond van artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt tussen [eiseres in conventie, verweerster in het incident] , [gedaagde sub 1 in conventie, verweerder in het incident] , [gedaagde sub 3 in conventie, verweerder in het incident] en [gedaagde sub 6 in conventie, verweerder in het incident] voortgeprocedeerd en wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak zal worden beschouwd.
Feiten
3.1.
[eiseres in conventie, verweerster in het incident] is een projectontwikkelaar, die zich richt op het ontwikkelen van bouwprojecten. Een van de te realiseren projecten is het project [projectnaam] te Tegelen. Dit betreft de realisatie van 34 grondgebonden woningen, een woonstraat, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en wandelpaden aan de [straatnaam 1] [huisnummer] tot en met [huisnummer] en [straatnaam 2] [huisnummer] tot en met [huisnummer] en [huisnummer] tot en met [huisnummer] te Tegelen.
3.2.
Daartoe is op 17 mei 2022 door het College van B&W van de gemeente Venlo een besluit hogere waarden Wet geluidhinder genomen, is op 29 juni 2022 door de Raad van de gemeente Venlo vastgesteld het bestemmingsplan [projectnaam] en is op 5 juli 2022 door het College van B&W van de gemeente Venlo een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de 34 woningen.
3.3.
Tegen deze besluiten hebben [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. beroep ingesteld en is verzocht om een voorlopige voorziening inhoudend schorsing van die besluiten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State (de Afdeling) onder zaaknummers 202204977/1 en 20224977/2. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1 in conventie, verweerder in het incident] aangevoerd dat gedaagde sub 5 haar beroep bij de Afdeling niet langer zou handhaven.
3.4.
Kopers hebben met [eiseres in conventie, verweerster in het incident] aannemings- en koopovereenkomsten gesloten ter zake de te bouwen woningen.
3.5.
Bij brieven van 9 november 2022 heeft [eiseres in conventie, verweerster in het incident] [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. gesommeerd over te gaan tot onvoorwaardelijke intrekking van het beroep en het verzoek tot voorlopige voorziening. [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. heeft daar geen gevolg aan gegeven.
Geschil
4.1.
[eiseres in conventie, verweerster in het incident] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
I. [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. te gelasten het beroep bij de Afdeling tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan “Vossen Breuers” van 6 juli 2022, het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning van 5 juli 2022 voor het oprichten van 34 woningen en het aanleggen van inritten/uitwegen aan de [straatnaam 1] [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] , [huisnummer] en [straatnaam 2] [huisnummer] t/m [huisnummer] (oneven), [huisnummer] t/m [huisnummer] (even) te Tegelen en het besluit van 17 mei 2022 om hogere waarden vast te stellen als bedoeld in artikel 83 van de Wgh ten behoeve van voornoemd bestemmingsplan (bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geregistreerd onder zaaknummers 202204977/1 en 20224977/2) in te trekken, per aangetekende post en per e-mail, met toezending van een bewijs daarvan aan [eiseres in conventie, verweerster in het incident] , binnen één dag na het te wijzen vonnis, en te bepalen dat als [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. daartoe binnen die termijn niet zijn overgaan, dit vonnis dezelfde kracht heeft als een door [eiseres in conventie, verweerster in het incident] in wettige vorm opgemaakte akte tot intrekking van vorenbedoeld beroep, op grond waarvan en met behulp waarvan [eiseres in conventie, verweerster in het incident] het hiervoor bedoelde beroep van [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. zelf in kan trekken;
II. [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. te veroordelen om bij niet-naleving van de veroordeling onder I. aan [eiseres in conventie, verweerster in het incident] een dwangsom te verbeuren van € 2.500,- per dag van niet-naleving, met een maximum van € 100.000,- ;
III. [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten.
4.2.
[gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
in het incident
5.1.
Kopers hebben gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van [eiseres in conventie, verweerster in het incident] in de procedure tussen [eiseres in conventie, verweerster in het incident] en [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. De voorzieningenrechter heeft ter zitting beslist dat de kopers worden toegelaten als gevoegde partij. Zij hebben voldoende belang zich met dat doel te mengen in het onderhavige kort geding, nu de uitkomst daarvan de (rechts)positie van Kopers mogelijk nadelig kan beïnvloeden.
5.2.
Omdat [eiseres in conventie, verweerster in het incident] en [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. in het incident geen verweer hebben gevoerd, zullen de proceskosten in het incident tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in de hoofdzaak
Het onderwerp van geschil
5.3.
In dit kort geding gaat het kort gezegd om de vraag of aan [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. wegens misbruik van recht althans onrechtmatige daad een gebod moet worden opgelegd tot intrekking van de bij de Afdeling ingestelde beroepen tegen de eerder genoemde besluiten. Oftewel: een procedeerverbod wegens misbruik van procesrecht.
Ontvankelijkheid
5.4.
Nu [eiseres in conventie, verweerster in het incident] haar vorderingen baseert op het burgerlijk recht, is de burgerlijke rechter bevoegd daarvan kennis te nemen. Daarmee is de ontvankelijkheid van [eiseres in conventie, verweerster in het incident] in deze kort geding procedure echter nog niet gegeven.
5.5.
De burgerlijke rechter is “restrechter” voor gevallen waarin een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang bij een andere rechter, waarin eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan worden behaald, ontbreekt. Niet van belang is of in die procedure bij die andere rechter – in dit geval de bestuursrechter – exact dezelfde vorderingen kunnen worden ingesteld. Ook indien dat niet het geval is levert dat op zichzelf geen rechtstekort op dat leidt tot ontvankelijkheid bij de burgerlijke rechter (vgl. HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4548). Doorslaggevend is of de eiser met een elders in te stellen vordering eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan bereiken. In dat geval staat een met voldoende waarborgen omgeven rechtsgang elders open en moet de eiser door de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
5.6.
De bestuursrechter kan een beroep niet-ontvankelijk verklaren indien sprake is van misbruik van bevoegdheid (vgl. ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129). De in dit kort geding ingestelde vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in het incident] hebben echter een ander karakter. Zij strekken er immers toe dat de burgerlijke rechter op voorhand wegens misbruik van recht althans onrechtmatige daad [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. gebiedt om het bij de bestuursrechter ingestelde beroep in te trekken, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling daarvan bij de bestuursrechter. Daarmee wordt geen niet-ontvankelijkverklaring van een beroep nagestreefd, maar om een procedeerverbod gevraagd. Het is met name het tijdsaspect van de onderhavige kwestie en het gestelde daaruit voortvloeiende spoedeisend belang van de gevraagde voorziening (die in het navolgende zullen worden toegelicht), die meebrengen dat een ontvankelijkheidsbeoordeling en inhoudelijke behandeling van het ingestelde beroep bij de bestuursrechter niet zouden kunnen worden afgewacht.
5.7.
Ter zitting is gebleken dat een behandeling van het ingediende verzoek bij de Afdeling tot het verlenen van een voorlopige voorziening is bepaald op 15 december 2022, zijnde de dag na die van onderhavig kort geding. Daarin bestaat gelet op het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook de mogelijkheid tot het kortsluiten van de zaak, in die zin dat indien en voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak (waarvan in geval van misbruik van bevoegdheid sprake kan zijn), hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. In dat geval kan aldus ook op de ingestelde beroepen worden beslist. Voor toepassing van deze bevoegdheid is in dit geval ingevolgde artikel 8:86, tweede lid, Awb evenwel vereist dat partijen daarvoor toestemming verlenen. Hoewel gedaagden sub 1, 3 en 6 ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard op voorhand daarvoor toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 8:86, tweede lid Awb, kan deze toestemming niet worden gegeven namens gedaagden sub 2, 4 en 5 nu zij niet ter zitting zijn verschenen. Daarmee is niet zeker dat het bestuursprocesrecht in dit geval mogelijkheden biedt om te bewerkstelligen dat op een mogelijk kansloos dan wel onevenredig laederend beroep bij de bestuursrechter op de in deze gewenste termijn een einduitspraak volgt. Dat betekent dat moet worden geoordeeld dat [eiseres in conventie, verweerster in het incident] voor – in casu – effectieve rechtsbescherming niet bij de bestuursrechter terecht kan. In zoverre kan [eiseres in conventie, verweerster in het incident] dan ook in haar vorderingen in dit kort geding worden ontvangen.
Misbruik van recht?
5.8.
Door [eiseres in conventie, verweerster in het incident] en de Kopers is aangevoerd dat de door [gedaagde sub 1 t/m 6 in conventie, verweerders in reconventie] c.s. ingestelde beroepen enkel tot doel hebben om zodanige vertraging te veroorzaken dat de omgevingsvergunning niet binnen de daarvoor gestelde termijn onherroepelijk kan worden. Als gevolg daarvan zullen de gesloten koop- en aanneemovereenkomsten enerzijds en de door Kopers in dat kader bedongen hypotheekoffertes anderzijds hun geldigheid verliezen. Als gevolg van tussentijds gestegen hypotheekrente en de oplopende bouwkosten geldt voor het merendeel van de kopers dat zij onder de huidige marktomstandigheden niet in staat zijn een nieuwe financiering te verkrijgen als gevolg waarvan hun kans op de nieuwbouwwoning is verkeken en bij gevolg de haalbaarheid van het project [projectnaam] in gevaar komt.
5.9.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van de gevraagde voorziening voorop dat een onbelemmerde toegang tot de rechter tot de grondbeginselen van de rechtstaat behoort en is vastgelegd in artikel 17 Grondwet en in artikel 6 EVRM. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat een procedeerverbod als gevorderd slechts kan worden toegewezen onder uitzonderlijke omstandigheden. Bijvoorbeeld wanneer evident sprake is van misbruik van bevoegdheid c.q. het systematisch onrechtmatig instellen van vorderingen, die gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven (vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 r.o. 5.1). Hiervan kan echter pas sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360). Dit geldt nog meer in het bestuursrecht, dat zich juist kenmerkt door laagdrempeligheid (ABRvS 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1841).
Dictum
De voorzieningenrechter
in het incident
6.1.
laat de kopers toe als gevoegde partij;
6.2.
compenseert de proceskosten in het incident aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
6.3.
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagden,
6.4.
wijst de vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in het incident] af;
6.5.
veroordeelt [eiseres in conventie, verweerster in het incident] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [gedaagde sub 1 in conventie, verweerder in het incident] , [gedaagde sub 3 in conventie, verweerder in het incident] en [gedaagde sub 6 in conventie, verweerder in het incident] gezamenlijk begroot op € 942,- aan griffierecht;
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.M.G. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2022.
RR