Rechtspraak Rechtbank Limburg 2021-07-09
ECLI:NL:RBLIM:2021:5575
Strafrecht
RECHTbANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/702549-17 (ontneming) Tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2021 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen: [verdachte 24] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [adresgegevens verdachte 24] , hierna te noemen: [verdachte 24] . [verdachte 24] wordt bijgestaan door mr. L.P.H. Hameleers, advocaat, kantoorhoudende te Roermond. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van: 29, 30 en 31 maart 2021, 6, 7, 13, 14, 19, 21, 26 en 28 april 2021, 3, 4, 25, 26, 27 en 28 mei 2021 en op 9 juli 2021 is het onderzoek gesloten. [verdachte 24] is op 26 mei 2021 verschenen en zijn raadsman is op meerdere dagen verschenen. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/702549-17. Op 9 juli 2021 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen. 2De vordering van de officier van justitie De vordering van het Openbaar Ministerie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte 24] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. Het Openbaar Ministerie had dit oorspronkelijk geschat op 213.845,62 euro. Op de terechtzitting van 26 mei 2021 heeft het Openbaar Ministerie de vordering gewijzigd tot een bedrag van 47.617,20 euro. 3Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat op vordering van het Openbaar Ministerie aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij voormeld vonnis van 9 juli 2021 is [verdachte 24] vrijgesproken van al hetgeen aan hem ten laste is gelegd, zodat het Openbaar Ministerie nietontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. De rechtbank: - verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze uitspraak is gegeven door mr. L.P. Bosma, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer en mr. O.A.G. Corten, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juli 2021.