Rechtspraak Rechtbank Limburg 2021-06-08
ECLI:NL:RBLIM:2021:10221
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Familie en jeugd Datum uitspraak: 8 juni 2021 Zaaknummers: C/03/278317 / FA RK 20-1896 (zorgregeling en hoofdverblijf) C/03/273810 / JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170 (verzoek op grond van artikel 1:265g lid 1 Burgerlijk Wetboek) De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake: In de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896: [de moeder] , verzoekster, hierna te noemen de moeder of de vrouw, wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres, advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, en: [de vader] , wederpartij, hierna te noemen de vader of de man, wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres, advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd te Roosendaal. In de zaken met zaaknummers C/03/273810/ JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170: de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG , hierna te noemen de GI, gevestigd te Roermond, betreffende [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder of de vrouw, wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres, advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, en [de vader] , hierna te noemen de vader of de man, wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres, advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd te Roosendaal. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaken betrokken: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht, verder te noemen: de Raad. Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op 10 juli 2020 uitgesproken beschikking. 1 De verdere procedure In alle zaken Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het rapport van de Raad, binnengekomen bij de rechtbank op 1 december 2020; de brief van de Raad met bijlage, binnengekomen bij de rechtbank op 1 februari 2021; de aanvullende stukken van de vader, binnengekomen bij de rechtbank op 25 en 30 maart 2021. In de zaak met zaaknummer C/03/278317 / FA RK 20-1896 de brief van de moeder, binnengekomen bij de rechtbank op 13 juli 2020; de reactie van de moeder op het raadsrapport, binnengekomen bij de rechtbank op 15 december 2020; de uitstelverzoeken van de vader, binnengekomen bij de rechtbank op 19 en 29 december 2020; de reactie van de vader op het raadsrapport, binnengekomen bij de rechtbank op 12 januari 2021. De zaken zijn ter zitting van 31 maart 2021 gezamenlijk behandeld. Daarbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door mr. Wilhelmus; de vader, bijgestaan door mr. De Jongh; twee vertegenwoordigers van de GI; een vertegenwoordiger van de Raad. 2 Het advies van de Raad De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om het hoofdverblijf van de kinderen voorlopig vast te stellen bij de vader en een tijdelijke zorgregeling vast te leggen, waarbij de contacten tussen de kinderen en de moeder voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zullen plaatsvinden via een begeleide omgangregeling (BOR), niveau 3, onder professionele begeleiding van de Mutsaersstichting, waarbij de regie over de contacten ligt bij voormelde instantie, en voor het overige de zaak voor een periode van acht maanden aan te houden in afwachting van een aanvullende rapportage van de Raad met definitief advies. De Raad heeft in zijn rapport onder meer gesteld dat het onderzoek heeft uitgewezen dat de kinderen al jaren in een onstabiele en met momenten onveilige opvoedingssituatie verkeren. Er is langdurig sprake van zeer ernstige lo Om te komen tot een definitief standpunt acht de Raad absoluut noodzakelijk om aanvullend te toetsen: in hoeverre de vader in staat is om samen te werken met de GI; of er een nieuwe school voor de kinderen is geregeld en hoe de schoolgang verloopt; of er hulpverlening is gerealiseerd voor de kinderen in de vorm van kindercoaching; wat het verloop is van het contactherstel tussen de moeder en de kinderen middels de BOR 3; of de ouders in staat zijn om te werken aan het normaliseren van hun onderlinge verhouding middels inzet van solo-parallel ouderschap. De vertegenwoordiger van de Raad heeft ter zitting aanvullend gesteld dat de zorgen niet alleen bij de moeder liggen, maar ook bij de vader. De vader heeft (vanuit houden van dan wel bescherming van de kinderen) immer een eigen koers gevaren. Het is positief om te vernemen dat de vader met de huidige gezinsvoogden (anders dan met de vorige gezinsvoogd) (wel) een klik heeft. De kinderen verblijven al geruime tijd in een onstabiele situatie. Ze zijn in juli 2020 vanuit de situatie bij de moeder opeens in een hele andere situatie (bij de vader) terecht gekomen. De Raad acht het vooralsnog het beste om de situatie voorlopig zo te laten en fors in te zetten op hulpverlening voor de kinderen (die niet alleen ziet op eventuele hoogbegaafdheid, maar ook op de wijze waarop de kinderen naar hun moeder kijken) en de ouders. Daarbij moet het contact tussen de moeder en de kinderen worden hersteld. Dat de moeder thans aangeeft dat ze zich wil terug trekken, acht de Raad niet in het belang van de kinderen. De oplossing voor de problematiek ligt bij de ouders en vraagt maximale inzet aan hun zijde. 3 De standpunten van partijen De GI heeft in haar reactie van 12 november 2020 op het raadsrapport gesteld het advies van de Raad te kunnen volgen, maar zich wel ernstig zorgen te maken over de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen indien deze de komende acht maanden worden toevertrouwd aan de vader. Verder heeft de GI aangegeven zich af te vragen of het advies van de Raad wel uitvoerbaar is, mede gelet op de opstelling van de vader in het verleden, de verstoorde relatie tussen de ouders, het onvoldoende erkennen van de loyaliteitsproblemen van de kinderen en het persoonlijk functioneren van de vader. De vertegenwoordigers van de GI hebben ter zitting gesteld dat de verzoeken in de zaken met zaaknummers C/03/273810/ JE RK 20-169 en C/03/273814 / JE RK 20-170 worden ingetrokken. Er zijn nieuwe gezinsvoogden aangesteld. Deze hebben een start gemaakt om de zaak zo spoedig mogelijk vlot te trekken, waarbij het advies van de Raad als leidraad wordt gebruikt en de plaatsing van de kinderen bij de vader voorlopig wordt gehandhaafd onder de voorwaarden als vermeld in het raadsrapport. Hoewel de ondertoezichtstelling van de kinderen voor de vader moeilijk is, houdt hij zich thans wel aan de voorwaarden. Voor wat betreft de school van de kinderen zijn vorderingen gemaakt. De kinderen gaan nu in de buurt van [plaats] naar school. Ook is individuele hulp voor hen ingeschakeld bij La Luna (waarbij ook sprake is van individuele gesprekken). Verder is ook het contact tussen de GI en de moeder goed te noemen. De situatie is moeilijk voor de moeder. In het laatste gesprek heeft ze aangegeven dat ze de kinderen mist en graag contact met hen wil hebben. Tegelijkertijd wordt gezien dat het voor het eerst sinds lange tijd rustig is en zijn er zorgen dat zodra het contact wordt hersteld de strijd opnieuw oplaait. De vader heeft in zijn reactie op het raadsrapport van 12 januari 2021 onder meer aangege-ven dat hij het advies om de kinderen (voorlopig) aan hem toe te vertrouwen onderschrijft en dat de wens van de kinderen om op dit moment geen contact met de moeder te hebben, moet worden gerespecteerd. De vader heeft ter zitting aanvullend gesteld dat hij zijn verzoek handhaaft en dat het hoofd-verblijf van de kinderen bij hem moet worden bepaald. Het is bekend dat hij van begin af aan niet “pro ondertoezichtstelling”