Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2019-04-19
ECLI:NL:RBLIM:2019:3652
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,476 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/794
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] verzoeker
(gemachtigde: mr. P.J.J. van de Kerkhof),
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.S.T. Peek).
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de ten behoeve van verzoeker ingediende aanvraag tot verlenging van de reeds verleende politietoestemming, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr), afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2019. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Op 7 december 2018 heeft [werkgever] B.V. te [plaats] , voor haar medewerker, verzoeker, een aanvraag ingediend tot verlenging van de toestemming zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr.
3. Op 21 februari 2019 heeft verweerder het voornemen uitgebracht dat – samengevat weergegeven – ertoe strekt de gevraagde toestemming om beveiligingswerkzaamheden te mogen uitoefenen, te onthouden.
4. De door verzoeker uitgebrachte mondelinge zienswijze heeft geen verandering gebracht in dit voornemen.
5. Bij het primaire besluit heeft verweerder de ten behoeve van verzoeker ingediende aanvraag tot verlenging van politietoestemming, afgewezen. Verweerder heeft bij zijn standpunt betrokken dat in het kader van het onderzoek naar verzoekers betrouwbaarheid op basis van informatie uit het Justitieel Documentatiesysteem en politiegegevens is gebleken dat verzoeker op 13 juni 2018 door het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken, met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis, wegens overtreding van de artikelen 10, vierde lid en 2 ahf/ond B van de Opiumwet (handel in drugs). Op grond van het vorenstaande heeft verweerder verzoeker onbetrouwbaar geacht om werkzaamheden binnen de beveiligingsbranche te verrichten. Het bezorgen van cocaïne is een zeer ernstige aantasting van de rechtsorde en dat maakt verzoeker onbetrouwbaar, aldus verweerder. Het argument van verzoeker dat hij destijds kwetsbaar was en zich heeft laten verleiden tot het bezorgen van drugs, acht verweerder niet toereikend omdat het verzoekers eigen keuze was om te beginnen als drugskoerier. Nu verzoeker dit uit puur winstbejag heeft gedaan acht verweerder dit zeer kwalijk en komt dit zijn betrouwbaarheid niet ten goede. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat het belang van de veiligheidszorg en het belang van de goede naam van de bedrijfstak zwaarder weegt dan het belang van verzoeker.
6. Verzoeker heeft betoogd dat hij met vrucht een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Hij voert daartoe aan dat hij begin 2016 vijf keer een kleine hoeveelheid cocaïne heeft bezorgd waarna hij op heterdaad is betrapt door de politie. Hij heeft in totaal slechts € 100,- verdiend aan deze bezorgingen. Het bezorgen van drugs heeft geen raakvlakken met zijn beveiligingswerkzaamheden, die hij al sinds 2010 verricht. Hij verricht immers geen beveiligingswerkzaamheden voor een coffeeshop of verslaafdeninstelling. Hij heeft in het verleden evenementen en objecten beveiligd. Thans werkt hij via [werkgever] als beveiliger bij het [plaats tewerkstelling] . Verzoeker geeft aan dat hij de strafbare feiten heeft gepleegd tijdens een verdrietige periode in zijn leven. Zijn opa was erg ziek en verzoeker heeft diens zorg op zich genomen. Zijn opa is later overleden. Na zijn strafrechtelijke aanhouding heeft hij direct weer zijn beveiligingswerkzaamheden opgepakt. Verzoeker schat de recidivekans in op 0,00%. Hij heeft een fout gemaakt en hiervoor zijn verantwoordelijkheid genomen. In eerste aanleg is hij veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In hoger beroep heeft het gerechtshof de duur van de straf bekort tot drie weken voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 40 uur. De taakstraf is vorig jaar geheel naar tevreden uitgevoerd. Het gerechtshof heeft bij de op te leggen straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Verder heeft het gerechtshof geoordeeld dat er geen sprake is van recidivegevaar. Verzoeker stelt dat zijn persoonlijke omstandigheden ertoe leiden dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Hij voert daartoe aan dat hij een eigen huis heeft en een vaste baan. Hij verwijst in dit kader naar een verklaring van zijn teamleider bij [werkgever] waaruit blijkt dat hij uitstekend functioneert bij [werkgever] en een vast dienstverband heeft gekregen.
7. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder terecht het beroep op de hardheidsclausule heeft verworpen. Bij haar beoordeling acht de voorzieningenrechter de navolgende bepalingen van belang.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wpbr, wordt onder beveiligingswerkzaamheden verstaan: het bewaken van de veiligheid van personen en goederen of het waken tegen verstoring van de orde en rust op terreinen en in gebouwen.
Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, voor zover hier van belang, stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef.
Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Wpbr, voor zover hier van belang, wordt de toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.
In onderdeel 2.3, aanhef en onder b, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (Beleidsregels) is opgenomen dat de toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke vrijheidsstraf of taakstraf is opgelegd.
ad. a en b, voor zover hier van belang,
Indien de betrokkene binnen de termijn van vier dan wel acht jaren voorafgaande aan het moment van toetsing enige tijd een vrijheidsbenemende straf of maatregel heeft ondergaan, wordt deze termijn van vier dan wel acht jaar verlengd met de feitelijke duur van de vrijheidsbenemende straf of maatregel. Dit totdat de termijn bestaat uit in totaal vier dan wel acht jaren, waarin geen sprake is geweest van een vrijheidsbenemende straf of maatregel. De betrokkene heeft immers gedurende de duur van de vrijheidsbenemende straf of maatregel niet kunnen laten zien dat hij geen (relevante) strafbare feiten meer zal plegen.
In onderdeel 2.3.1. van de Beleidsregels, voor zover hier van belang, is opgenomen dat de korpschef van het hiervoor onder ad. a en ad. b bepaalde kan afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang (hardheidsclausule).
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft geoordeeld, zie onder meer de uitspraak van 29 april 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD0785), volgt uit het imperatieve karakter van artikel 7, vijfde lid (thans: vierde lid), van de Wpbr dat toepassing van de hardheidsclausule er niet toe mag leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden.
Verweerder komt beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of een betrokkene voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche worden, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren, dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2950).
Verder staat de beoordeling door de korpschef los van een strafrechtelijke beoordeling.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2019.
De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 19 april 2019
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.