Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-10-11
ECLI:NL:RBLIM:2017:9790
RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 5997386 \ CV EXPL 17-4369 Vonnis van de kantonrechter van 11 oktober 2017 in de zaak van: [eisende partij] , wonend [adres eisende partij] , [woonplaats eisende partij] , eisende partij, gemachtigde mr. A. Hollman, tegen: [gedaagde partij] , h.o.d.n. [X] , wonend [adres gedaagde partij] , [woonplaats gedaagde partij] , gedaagde partij, procederende in persoon. Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 27 oktober 2014 sloten [gedaagde partij] als opdrachtnemer en [eisende partij] als cliënt een overeenkomst voor budgetbeheer. 2.2. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Artikel 5. Werkzaamheden die door de opdrachtnemer voor cliënt worden gedaan. 1. Deze bestaan onder andere uit: Inventariseren van inkomsten, uitgaven, schulden en bezittingen, Opstellen van een huishoudelijk budget Informatie inwinnen bij diverse relevante instanties/instellingen, Wijzigen van gegevens bij instanties/instellingen (…) Doorbetalen van de vaste lasten (...) Artikel 6. Kosten. 1. Kosten van beschermingsbewind / budgetbeheer De tarieven zijn overeenkomstig de geldende tarieven vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK). Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd in overeenstemming met een door de minister van Justitie vastgesteld percentage . (…) Artikel 10. Ontbinding, opschorting en opzegging van de overeenkomst. (…) 4. Beide partijen kunnen de overeenkomst voor budgetbeheer te allen tijde middels aangetekend schrijven schriftelijk opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een volle kalendermaand. (…)” 2.3. Op 7 november 2014 heeft [gedaagde partij] op naam van [eisende partij] een autoverzekering afgesloten bij Klaverblad verzekeringen voor de Suzuki Swift met kenteken [kenteken Suziki Swift] . Deze verzekering is per 1 november 2015 verlengd. De premie bedroeg per maand € 23,44 en is gebaseerd op 10 schadevrije jaren. 2.4. Bij brief van 26 mei 2015 heeft DAS Incasso Rotterdam “Inzake Nationaal Spaarfonds” bij [eisende partij] aanspraak gemaakt op betaling van € 826,54 ter zake openstaande premie autoverzekering. In die brief staat vermeld dat de verzekering inmiddels is beëindigd wegens wanbetaling. 2.5. Bij e-mail van 4 januari 2016 heeft [A] [gedaagde partij] verzocht het budgetbeheerdossier van [eisende partij] aan hem over te dragen, hetgeen [gedaagde partij] heeft beschouwd als een opzegging van de tussen partijen bestaande overeenkomst per 1 februari 2016. 2.6. Bij brief van 7 april 2017 heeft EDR aan [eisende partij] gemeld dat er een schuld van € 838,88 open staat bij DAS Incasso Rotterdam B.V. inzake Nationaal Spaarfonds. Blijkens de specificatie van 12 april 2017 (dossiernummer 10484714) betreft het factuur/contract 8541450 1-11-2014 ad € 682,37, € 38,33 aan rente en € 123,85 aan buitengerechtelijke kosten. 2.7. Bij schrijven van 29 december 2016 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] gesommeerd om binnen 10 dagen een bedrag van € 603,38 terug te betalen vanwege te veel in rekening gebrachte budgetbeheerkosten. Ook heeft [eisende partij] in die brief [gedaagde partij] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt en heeft geleden als gevolg van het feit dat [gedaagde partij] het vermogen van [eisende partij] niet naar behoren heeft beheerd. 3 Het geschil 3.1. [eisende partij] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 426,10 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2017 alsmede van € 838,88 te vermeerderen me de wettelijke rente vanaf 7 april 2017, kosten rechtens. 3.2. [gedaagde partij] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan Artikel 11 van de Regeling bepaalt voorts het volgende: “De kantonrechter stelt de jaarbeloning voor 2015 van een bewindvoerder die in 2014 een beloning heeft ontvangen op basis van het tarief behandeling schulden door beschermingsbewindvoerder uit de Aanbevelingen meerderjarigenbewind vast overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onderdeel a.” 4.7. De door [gedaagde partij] gehanteerde vergoeding voor haar werkzaamheden bedroeg in 2014 € 89,84 per maand conform de Aanbevelingen. Deze aanbevelingen bieden zoals reeds opgemerkt de mogelijkheid voor een extra vergoeding in de situatie waarin sprake is van problematische schulden. Op deze extra vergoeding heeft [gedaagde partij] voor 2014 (kennelijk) geen aanspraak gemaakt. Met ingang van 1 januari 2015 heeft [gedaagde partij] de vergoeding verhoogd naar € 144,20 per maand, terwijl [eisende partij] stelt dat [gedaagde partij] slechts recht had op een vergoeding van € 111,42 per maand. Voor de hogere vergoeding haakt [gedaagde partij] aan bij de uitgangspunten van de Regeling. Doordat partijen in hun overeenkomst voor de vergoedingen van het beheer de Aanbevelingen van toepassing hebben verklaard, kan in beginsel naar het oordeel van de kantonrechter ervan uitgegaan worden dat hetgeen voor die Aanbevelingen in de plaats komt (de Regeling) van overeenkomstige toepassing is op de overeenkomst van partijen. Met andere woorden: de maandelijkse standaardvergoeding van € 89,84 wordt vervangen door een vergoeding van € 111,42 (2015) en € 111,30 (2016). Dat de Regeling een onderscheid maakt tussen rechthebbenden met en zonder problematische schulden, waarbij voor de laatste categorie een hogere vergoeding van toepassing is, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat automatisch die hogere vergoeding in het onderhavige geval ook geldt. De situatie van problematische schulden en daarmee de hogere vergoeding kent immers een toetsing c.q. goedkeuring door de kantonrechter bij het instellen van een meerderjarigenbewind dan wel bij het toezicht daarop. Een dergelijke goedkeuring ontbreekt in de onderhavige situatie. Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] met [eisende partij] deze extra vergoeding heeft besproken en [eisende partij] deze heeft goedgekeurd, kan [gedaagde partij] in alle redelijkheid geen aanspraak maken op deze hogere vergoeding. Dit geldt temeer nu [gedaagde partij] zich niet reeds in 2014 op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van problematische schulden en gesteld noch gebleken is dat daar vanaf 2015 verandering in is gekomen. Daarbij acht de kantonrechter ook van belang dat er al sprake is van een behoorlijke verhoging van de beheerskosten van € 89,94 naar € 111,42, een stijging van 24%. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde partij] enkel aanspraak kan maken op gebruikelijke vergoeding. Nu [gedaagde partij] de hogere vergoeding uitbetaald heeft gekregen, dient zij het meerdere (door [eisende partij] onbetwist becijferd op € 426,10) aan haar terug te betalen. De vordering van [eisende partij] is dan ook toewijsbaar. Gelet op voornoemde brief van 29 december 2016 en de daarin genoemde termijn, is de wettelijke rente vanaf 8 januari 2017, zoals gevorderd, toewijsbaar. Ten aanzien van de autoverzekering 4.8. [eisende partij] vordert een bedrag van € 838,88 stellende dat [gedaagde partij] een nieuwe autoverzekering heeft afgesloten en dat afgesproken was dat [gedaagde partij] de vorige autoverzekering bij Nationaal Spaarfonds zou opzeggen. Dat heeft zij nagelaten, waardoor [gedaagde partij] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] . [eisende partij] lijdt immers schade aangezien zij thans door EDR aangesproken wordt op betaling van de premie voor de auto met het kenteken [kenteken Suziki Swift] over de periode 1 november 2014 tot en met 30 april 2015. De verzekering zou per laatstgenoemde datum beëindigd zijn vanwege wanbetaling. [gedaagde partij] dient deze schade te vergoeden, aldus [eisende partij] . 4.9