Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-10-04
ECLI:NL:RBLIM:2017:9403
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer: 5709096 CV EXPL 17-1304 Vonnis van de kantonrechter van 4 oktober 2017 in de zaak van lindorff b.v. , gevestigd te Amersfoort, eisende partij, gemachtigde M.G. de Jong tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] , wonend te [woonplaats] aan [adres] , gedaagde partij, gemachtigde mr. C.M.G.M. Raafs. Partijen zullen hierna Lindorff en [gedaagde] genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het exploot van dagvaarding d.d. 9 januari 2017 de conclusie van antwoord de conclusie van repliek de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op grond van een daartoe strekkende overeenkomst heeft Essent vanaf 24 januari 2013 energie (elektriciteit en gas) geleverd aan [gedaagde] . De overeenkomst (en de levering) is beëindigd per 2 augustus 2013 omdat [gedaagde] per die datum is ‘overgestapt’ naar een andere leverancier. 2.2. Op 15 september 2013 heeft Essent aan [gedaagde] een eindafrekening gestuurd ten bedrage van in totaal € 1.780,93 inclusief btw. Van dat bedrag bestaat € 535,22 inclusief btw uit netwerkkosten die Essent op grond van art. 95cb lid 1 Elektriciteitswet ten behoeve van netwerkbeheerder Enexis dient te factureren en te innen. 2.3. Ten aanzien van het verbruik staat in genoemde eindafrekening het navolgende: 9.658 Elektriciteit, verbruik in kWh Beginstand Eindstand 3.621 Nacht-/ weekendtelwerk 24-01-2013 t/m 01-08-2013 99.202 A) 102.823 B) 6.037 Dagtelwerk 24-01-2013 t/m 01-08-2013 174.946 A) 180.983 B) 3.119 Gas, gecorrigeerd verbruik in m3 Beginstand Eindstand (2,166) 2.170 Verbruik 24-01-2013 t/m 17-03-2013 54.540 A) 56.710 A) - 4 Calorische correctie 24-01-2013 t/m 17-03-2013 (-0.00164 x 2.170 m3 zie toelichting) (953) 955 Verbruik 18-03-2013 t/m 01-08-2013 56.710 A) 57 .665 B) - 2 Calorische correctie 18-03-2013 t/m 01-08-2013 (-0.00164 x 955 m' 1 zie toelichting) A) Door u doorgegeven B) Door uw netbeheerder berekend 2.4. Het bedrag van € 1.780.93 is op 29 september 2013 via een automatische incasso door Essent van de bankrekening van [gedaagde] afgeschreven. [gedaagde] heeft die betaling kort daarna laten storneren, naar zijn zeggen omdat hij het niet eens was met de meterstanden zoals die op de eindafrekening stonden. 3 De vordering 3.1. Lindorff vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.470,84, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 1.780,93 vanaf 4 januari 2017 tot aan de dag van voldoening, onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten. De vordering is als volgt opgebouwd: € 1.780,93 hoofdsom (onbetaald gelaten factuur van Essent) € 236,65 van 5 februari 2014 tot 9 september 2015 vervallen wettelijke rente € 186,12 van 17 september 2015 tot 4 januari 2017 vervallen rente € 267,14 vergoeding van buitengerechtelijke kosten. 3.2. Volgens Lindorff heeft Essent haar vordering op grond van genoemde overeenkomst met [gedaagde] aan haar gecedeerd en heeft zij [gedaagde] van die cessie ook schriftelijk op de hoogte gebracht. 3.3. [gedaagde] betwist de gestelde cessie en de omvang van het in rekening gebrachte verbruik. Ter zake van het deel van de factuur dat ziet op de netwerkkosten beroept hij zich bovendien op de specifieke wettelijke verjaringstermijn van twee jaar (art. 95cb lid 4 eerste volzin van de Elektriciteitswet). 4 De beoordeling 4.1. Bij repliek heeft Lindorff een akte van cessie tussen haar en Essent Retail Energie B.V. overgelegd (productie 4) alsook een lijst van vorderingen (productie 5) waarop een vordering met nummer 0170586362 ter zake van [handelsnaam] ad € 2.048,07 staat. Tevens is een kopie overgelegd van een brief van Lindorff aan [gedaagde] d.d. 8 februari 2014, waarin Lindorff stelt dat zij ‘eigenaar’ is geworden van een vordering van Essent op [gedaagde] met de mededeling dat [gedaagde] de vordering ad € 2.048,07 aan Lin 95cb lid 1 Elektriciteitswet ten behoeve van netwerkbeheerder Enexis dient te factureren, te weten € 535,22 inclusief btw, wordt als volgt overwogen. Het vierde lid van art. 95cb Elektriciteitswet luidt - voor zover hier relevant -: “ Rechtsvorderingen tot betaling van de door de leverancier overeenkomstig het eerste (…) lid gefactureerde bedragen (…), verjaren door verloop van twee jaren. Indien de leverancier een vordering tot betaling van een schuld van een afnemer ter zake van de uitvoering van taken als bedoeld in het eerste lid, niet heeft gedaan binnen twee jaren nadat de vordering opeisbaar is geworden, vervalt het recht om betaling te vorderen. ” Ten aanzien van vorderingen van netbeheerders die op grond van het eerste lid van art. 95cb Elektriciteitswet door de energieleverancier dienen te worden gefactureerd en geïnd, geldt dus zowel een verjaringstermijn van twee jaar als een vervaltermijn van twee jaar. [gedaagde] , die - zo lijkt het - na de eerste volzin van het artikellid is gestopt met lezen, beroept zich alleen op verjaring van de vordering. Dat beroep kan echter niet slagen nu dit eerst bij dupliek - en derhalve te laat want in strijd met een goede procesorde - is gedaan. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat dit beroep op verjaring ook inhoudelijk niet kan slagen, gelet op de veelvoud aan naar aard en inhoud onbetwist gebleven sommaties en betalingsherinneringen die bij repliek in het geding zijn gebracht en waarin het recht op nakoming steeds voldoende ondubbelzinnig is voorbehouden, waardoor die de verjaring hebben gestuit. 4.5. De in de tweede volzin van art. 95cb Elektriciteitswet neergelegde vervaltermijn van twee jaar is een termijn van openbare orde, waaraan derhalve de vordering ambtshalve getoetst dient te worden, zo ook dus in dit geval. Verwezen wordt naar de Memorie van Antwoord van de Minister van Economische Zaken aangaande een “Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt” in 2008 (pagina 6 en 7): “ De leden van de CDA-fractie stelden diverse vragen over de in het wetsvoorstel opgenomen vervaltermijn voor het factureren van door de afnemer verschuldigde bedragen voor de uitvoering van de wettelijke netbeheerderstaken (‘netbeheerderstarieven’). Ten algemene wordt in reactie op hetgeen de leden opmerken over de gang van zaken in de parlementaire voorgeschiedenis allereerst aangegeven dat het thans voorliggende wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt op het punt van de verval- dan wel verjaringstermijn een lange voorgeschiedenis kent. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was een verjaringstermijn opgenomen in verband met de aan de Eerste Kamer gedane toezegging om de vervaltermijn te vervangen door een verjaringstermijn (Kamerstukken I 2006/07, 30 212, F, pag. 37). Deze toezegging is nagekomen bij de indiening van het oorspronkelijke wetsvoorstel (Kamerstukken II 2007/08, 31 374, nr. 2, artikel I, onderdelen L en W en artikel II, onderdelen D en L). Amendering (Kamerstukken II 2007/08, 31 374, nr. 33) heeft er toe geleid dat ten aanzien van de netbeheerderstarieven behalve een verjaringstermijn ook een vervaltermijn in het wetsvoorstel opgenomen. Dit is dezelfde vervaltermijn als die in het huidige artikel 31, tiende lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 12b, derde lid, onderdeel e, van de Gaswet reeds is opgenomen. De vervaltermijn ziet daarbij op een andere fase in de facturering van de netbeheerderstarieven dan de verjaringstermijn. De huidige bepalingen van artikel 31, tiende lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 12b, derde lid, onderdeel e, van de Gaswet inzake de vervaltermijn strekken ertoe de termijn waarbinnen voor verrichte netbeheerdersdiensten kan worden gefactureerd te begrenzen tot twee jaar om te voorkomen dat afnemers na verloop van lange tijd nog worden geconfronteerd met hoge facturen voor