Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-12-20
ECLI:NL:RBLIM:2017:12763
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Familie en jeugd Datum uitspraak: 20 december 2017 Zaaknummer: C/03/218494 / FA RK 16-904 C/03/218494 / FA RK 16-904 De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van: [verzoekster], verder te noemen: de vrouw, en [verzoeker], verder te noemen: de man, gezamenlijk te noemen: verzoekers, wonend te [woonplaats], advocaat mr. R.G.J. Booij, kantoorhoudend te De Meern, gemeente Utrecht. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WBRv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad. Als belanghebbende daartoe uitgenodigd heeft een schriftelijke toelichting op de zaak gegeven: de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, verder te noemen: de ambtenaar. 1 Het verloop van de procedure De rechtbank heeft kennis genomen van: het op 22 maart 2016 ingediende verzoekschrift met producties; de brief van 13 mei 2016 van de ambtenaar; de brief van 13 maart 2017 van de raad en het daarbij gevoegde rapport van 9 maart 2017; de brief van 6 juli 2017, met productie, van de advocaat van verzoekers; de brief van 10 november 2017, met producties, van de advocaat van verzoekers, waarbij de verzoeken deels zijn gewijzigd. De zaak is behandeld ter zitting van 14 november 2017. Verschenen zijn: verzoekers, bijgestaan door hun advocaat. Verzoekers hebben de verzoeken nog toegelicht. De uitspraak is hierna nader bepaald op heden. 2 De feiten Verzoekers zijn op [2011] te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit. Bij besluit van 26 oktober 2011 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie naar aanleiding van het verzoek van 23 oktober 2008 van de vrouw aan haar toestemming verleend tot opneming ter adoptie van één of twee buitenlandse kinderen. Deze toestemming is geldig tot 27 oktober 2015. Bij besluit van 18 mei 2015 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vrouw naar aanleiding van voormeld verzoek toestemming verleend tot opneming ter adoptie van de kinderen [voornamen minderjarige 1] en [voornamen minderjarige 2], beiden geboren op [2010], met de Nigeriaanse nationaliteit. Deze toestemming is geldig tot 27 oktober 2015. Blijkens ‘Affidavit’ van 9 december 2014, afgelegd ten overstaan van ‘the commissioner for oaths’ van ‘the High Court of Justice’ te Osun, Nigeria, hebben de oom en tante van voormelde kinderen (broer en schoonzus van de biologische vader van de kinderen), die sinds het overlijden van de biologische ouders (de biologische vader op [2012] en de biologische moeder op [2013]) voor de kinderen zorgden, de kinderen in hun belang overgedragen aan ‘the government State of Osun (Ministry of Women and Children Affairs)’. Bij besluit van 7 september 2015 (‘Approval for Adoption’) van het ‘Ministry of Women and Children Affairs’ te Osogbo, State of Osun, Nigeria, is aan verzoekers toestemming verleend tot adoptie van de kinderen. Uit de overgelegde beslissingen van 16 september 2015 (‘Enrolment of Order’ en ‘Final Adoption of Order’) van ‘the Family Court, Osun State of Nigeria’ blijkt dat naar Nigeriaans recht de adoptie van de kinderen door verzoekers tot stand is gekomen. Bij die adoptie hebben de kinderen de namen [naam na adoptie 1] en [naam na adoptie 2] gekregen en zijn de kinderen overgedragen aan de zorg en het gezag van verzoekers. Op 17 september 2015 is in Nigeria naar aanleiding van de adoptie ten aanzien van beide kinderen een ‘Certificate of Birth’ afgegeven, waarin verzoekers als de moeder en de vader van de kinderen zijn vermeld. Op 13 november 2015 hebben de kinderen een Nigeriaans paspoort verkregen. Op 1 december 2015 is ten behoeve van de kinderen een visum voor Nederland verstrekt. Verzoekers hebben de kinderen vervolgens meegenomen naar Nederland en sindsdien hebben zij de kinderen samen verzorgd en opgevoed. Op 7 december 20 De ambtenaar heeft geen documentatie gevonden ten aanzien van adoptie in de staat Osun. De ambtenaar maakt daarom bezwaar tegen de erkenning van de buitenlandse adoptie. Omdat zowel de vrouw als de man in familierechtelijke betrekking met de kinderen wil komen te staan, ligt het voor de hand de adoptie naar Nederlands recht uit te spreken. Ten aanzien van die adoptie is de ambtenaar geen belanghebbende. De door de kinderen bij de buitenlandse adoptie verkregen namen worden op grond van artikel 10:24 BW in Nederland erkend. Van de kinderen komen geen geboorteaktes voor in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage. De overgelegde ‘Certificates of Birth’ betreffen een herregistratie en bevatten niet de oorspronkelijke geboortegegevens van de kinderen. Met het oog hierop ligt het voor de hand de oorspronkelijke geboortegegevens van de kinderen vast te stellen. De ambtenaar heeft een voorstel gedaan met betrekking tot de vast te stellen geboortegegevens. 5 Het standpunt van de raad De raad heeft geadviseerd het verzoek tot erkenning van de Nigeriaanse adoptie toe te wijzen. De raad is van mening dat de erkenning van die adoptie in het kennelijk belang is van de kinderen. De raad heeft aangevoerd dat verzoekers de kinderen een beschermde opvoedingssituatie bieden met structuur, liefde, duidelijkheid en ruimte om zich binnen hun eigen mogelijkheden te ontwikkelen. Verzoekers hebben respect voor de eigenheid van de tweeling. In het dagelijks leven is statusvoorlichting van de tweeling een vanzelfsprekend onderdeel van de opvoeding. Verzoekers genieten van de tweeling en hun gezinsleven en ook de kinderen laten in hun gedrag zien zich vertrouwd c.q. gehecht te voelen aan verzoekers. 6 De beoordeling rechtsmacht De onderhavige zaak heeft een internationaal karakter. De rechtbank dient daarom eerst ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter (in internationale zin) bevoegdheid toekomt van het verzoek kennis te nemen. Nu verzoekers en de kinderen in Nederland woonplaats hebben, komt aan de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder a, WBRv rechtsmacht toe. erkenning van buitenlandse adoptiebeslissing De rechtbank dient eerst ambtshalve te toetsen of de in Nigeria bij beslissingen van 16 september 2015 uitgesproken adoptie van de kinderen door verzoekers van rechtswege in Nederland wordt erkend of voldoet aan de voorwaarden voor erkenning, hetzij op grond van het HAV1993, hetzij, als dat Verdrag niet van toepassing is, op grond van artikel 10:108 BW of artikel 10:109 BW. Indien sprake is van een voor erkenning vatbare buitenlandse adoptiebeslissing, komt de rechtbank niet meer toe aan het verzoek om de adoptie naar Nederlands recht uit te spreken. Nigeria is geen partij bij het HAV1993, zodat dat Verdrag niet van toepassing is. Om te bepalen of op het verzoek tot erkenning van de Nigeriaanse adoptiebeslissingen artikel 10:108 BW of artikel 10:109 BW van toepassing is, is van belang waar de kinderen en verzoekers hun gewone verblijfplaats hadden, zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak. Uit de gedingstukken blijkt dat de kinderen op voormelde tijdstippen hun gewone verblijfplaats in Nigeria hadden, terwijl verzoekers hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Gezien het vorenstaande dient het verzoek tot erkenning van de Nigeriaanse adoptiebeslissingen beoordeeld te worden aan de hand van artikel 10:109 BW. Op grond van artikel 10:109, lid 1, BW wordt een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van de staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, erkend indien: de bepalingen van de Wobka in acht zijn genomen, de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, en erkenning niet op een g Op grond van artikel 1:227, lid 2, tweede volzin, BW kan het verzoek door de adoptant die echtgenoot van de ouder is, slechts worden gedaan, indien hij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd. De vrouw heeft pas bij het in kracht van gewijsde gaan van de onderhavige beschikking als de ouder van de kinderen te gelden. Het belang van de kinderen dient in dezen echter voorop te staan en dat belang vergt dat beide verzorgers en opvoeders van de kinderen zo mogelijk gelijktijdig in een familierechtelijke betrekking met de kinderen komen te staan. Vanwege het belang van de kinderen en om proceseconomische redenen zal de rechtbank daarom vooruitlopen op het juridisch ouderschap van de vrouw. Genoegzaam gebleken is dat verzoekers onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek ten minste drie aaneengesloten jaren met elkaar hebben samengeleefd. Ingevolge artikel 1:227, lid 3, BW kan het verzoek tot adoptie alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW wordt voldaan. Mede gezien het rapport van de raad is de rechtbank van oordeel dat de adoptie van de kinderen door de man in het kennelijk belang is van de kinderen, aangezien de man al vanaf september 2015, samen met de vrouw, zorg draagt voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. De oorspronkelijke ouders van de kinderen zijn overleden en daarmee staat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vast en is voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien dat de kinderen niets meer van hun oorspronkelijke ouders in de hoedanigheid van verzorgers en opvoeders te verwachten hebben. Voor zover het de hier van belang zijnde voorwaarden voor adoptie, als bedoeld in artikel 1:228 BW betreft overweegt de rechtbank als volgt: de kinderen zijn op de dag van het eerste verzoek minderjarig; de kinderen zijn geen kleinkinderen van de man; de man is ten minste achttien jaren ouder dan de kinderen; van tegenspraak van de oorspronkelijke ouders van de kinderen kan geen sprake zijn, omdat ze zijn overleden; de vrouw stemt in met de adoptie; de man heeft, vanaf het moment dat hij en de vrouw de kinderen feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden, de kinderen ten minste een jaar mede verzorgd en opgevoed; de vrouw heeft het eenhoofdig gezag over de kinderen. Uit het voorgaande volgt dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van de adoptie door de man van de kinderen is voldaan. Het betreffende verzoek ligt daarmee voor toewijzing gereed. De adoptie heeft op grond van artikel 1:230, lid 1, BW haar gevolgen van de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. inschrijving van buitenlandse geboorteaktes / vaststelling van geboortegegevens Vast staat dat in het geboorteregister van de gemeente ’s-Gravenhage geen geboorteaktes van de kinderen voorkomen. De overgelegde ‘Certificates of Birth’ komen niet voor inschrijving in aanmerking, omdat daarin niet de oorspronkelijke geboortegegevens van de kinderen zijn vermeld. Verzoekers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat zijn gelegaliseerde afschriften van de oorspronkelijke geboorteaktes van de kinderen over te leggen. De rechtbank zal daarom, gelet op artikel 10:109, lid 3, BW en artikel 1:25c BW, de voor het opmaken van een geboorteakte van de kinderen noodzakelijke gegevens vaststellen, op de wijze zoals in het dictum nader is vermeld. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met alle bewijzen en aanwijzingen zoals die op grond van de door verzoekers overgelegde stukken in deze procedure aan haar ter kennis zijn gekomen. Voor zover de ambtenaar heeft voorgesteld om als voornaam van de moeder ‘[voornaam 1]’ op te nemen gaat de rechtbank