Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-12-15
ECLI:NL:RBLIM:2017:12266
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/995752-13 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 december 2017 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens verdachte] , wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. C.P. Timmers, advocaat, kantoorhoudende te Sommelsdijk. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 1 november 2017, 3 november 2017, 6 november 2017 en 7 november 2017. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officieren van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Op 1 december 2017 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten. Bij die gelegenheid waren de verdachte en haar raadsman niet aanwezig. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die gericht was op het plegen van fraude met persoonsgebonden budgetten; Feit 2: samen met een ander of anderen verantwoordingsformulieren en een nota en/of declaratieformulier in strijd met de waarheid heeft opgemaakt met de bedoeling om die documenten als echt en onvervalst te gebruiken; Feit 3: [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] opzettelijk mondeling heeft geïnstrueerd een bepaalde verklaring af te leggen ten overstaan van een ambtenaar. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben zich, zoals weergegeven in het door hen ter terechtzitting overgelegde requisitoir, op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. Zij baseren hun standpunt op de in het dossier aanwezige processen-verbaal van verhoor van verdachten, processen-verbaal van verhoor van getuigen en overige documenten waaronder verantwoordingsformulieren, declaratieformulieren en nota’s. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de haar tenlastegelegde feiten op grond van de verweren zoals genoemd in de pleitnota. Kort en bondig samengevat wordt ten aanzien van feit 1 gesteld dat het (voorwaardelijk) opzet bij de verdachte niet bewezen kan worden. Daarnaast zien de zaaksdossiers slechts op een klein percentage van het totale cliëntenbestand van [medeverdachte 1] , zodat deze hoeveelheid binnen de toegestane foutmarge van 5% kan vallen van artikel 8 lid 3 van de Regeling administratie en controle uitvoeringsorganen AWBZ. Mochten er fouten zijn gemaakt door een enkele medewerker van [medeverdachte 1] dan dienen deze fouten in de context van het snel groeiende cliëntenbestand te worden beoordeeld. Ten aanzien van feit 2 komt onvoldoende uit het procesdossier naar voren welke medewerker van [medeverdachte 1] welk formulier (valselijk) heeft opgemaakt. Voorts ontkent de verdachte het feit te hebben gepleegd en ontbreekt daarmee ook de overtuiging. Aangaande feit 3 heeft de verdachte haar cliënten met haar uitingen, die in het Limburgs dialect bemoedigend klinken, enkel willen geruststellen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Algemeen Deze strafzaak is de uitkomst van een onderzoek door de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het onderzoek draagt de naam Contone en gaat over fraude met persoonsgebonden budgetten (PGB’s). In de periode waarop de tenlastelegging ziet, is het PGB een voorziening uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Met een PGB kan iemand die vanwege ziekte, handicap of ouderdom zorg nodig heeft, deze zorg zelf inkopen bij (bijvoorbeeld) een zorgbureau. Om een PGB te krijgen is een indicatie nodig. Deze indicatie moet worden aangevraagd bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Als de aanvraag is goedgekeurd, geeft het CIZ een indicatiebesluit af. In dit besluit staat dan de zorgbehoefte, waarmee Sinds 2007, toen [medeverdachte 1] een vennootschap onder firma werd, rust de aansprakelijkheid voor de helft op [medeverdachte 6] en voor de helft op [verdachte] . Ook de winstverdeling is gelijk. Activiteiten [medeverdachte 1] [medeverdachte 6] heeft verklaard dat de insteek was om een soort uitzendbureau te zijn met een bestand van zorgverleners, die ingezet konden worden bij mensen die zorg nodig hadden. De clientèle van [medeverdachte 1] betrof dus zowel budgethouders als zorgverleners, zo begrijpt de rechtbank uit de verklaring van [medeverdachte 6] . Een van de hoofdactiviteiten van [medeverdachte 1] was het inzetten van zorgverleners, zoals huishoudelijke hulp en verpleegkundigen. Die zorgverleners waren zelfstandig en niet in loondienst van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] stelde wel regels op en maakte een dossier aan per budgethouder. [medeverdachte 1] maakte roosters voor de budgethouders en de zorgverleners. Ook [verdachte] omschrijft [medeverdachte 1] als een bemiddelingsbureau tussen zorgaanvrager en zorgverlener op het gebied van huishoudelijke hulp, verzorging, verpleging en ondersteunende begeleiding. Wanneer zorgverleners via [medeverdachte 1] ingezet werden bij budgethouders waren de zorgverleners bemiddelingskosten aan [medeverdachte 1] verschuldigd ter hoogte van 10% over de gewerkte uren, exclusief btw. Nadat zorgverlener en budgethouder met elkaar in contact waren gebracht via [medeverdachte 1] bleven deze bemiddelingskosten doorlopen omdat [medeverdachte 1] werkzaamheden voor de zorgverleners bleef verrichten. [medeverdachte 6] noemt als voorbeelden het maken van planningen en het regelen van vervanging. Van dit bemiddelingstarief werd een tegennota opgemaakt, gebaseerd op de nota van de zorgverlener. De nota’s en tegennota’s werden door [medeverdachte 1] voorzien van corresponderende factuurnummers. [verdachte] heeft een soortgelijke verklaring afgelegd over de werkzaamheden van [medeverdachte 1] voor de zorgverleners. Zij noemt aanvullend nog het opmaken van een jaaropgave, naast het maken van planningen en het zorgen voor vervanging. Over de gewerkte uren heeft [verdachte] verklaard dat bij [medeverdachte 1] per halve uren werd gedeclareerd. Verder bood [medeverdachte 1] volgens [medeverdachte 6] interne cursussen aan zorgverleners aan, zodat zij konden doorgroeien. [verdachte] heeft verklaard dat zij deze cursussen gaf. Over de werkzaamheden voor de budgethouders verklaart [medeverdachte 6] dat [medeverdachte 1] zorgverleners leverde, planningen maakte en eventueel de kwaliteit bevorderde bij zorgverleners. Ook hielp [medeverdachte 1] met het aanvragen van een PGB en verzorgde [medeverdachte 1] de daarbij horende administratie. Hiervoor had [medeverdachte 1] administratief medewerkers in dienst. De nota’s van de zorgverleners werden iedere maand door de zorgverleners bij [medeverdachte 1] ingeleverd en door [medeverdachte 1] per cliënt verzameld. Die nota’s moesten mede ondertekend zijn door de budgethouders. Van die nota’s werd per cliënt een overzicht gemaakt en dat werd opgestuurd naar of afgegeven bij de cliënten. Met behulp van dat overzicht wisten cliënten wat er betaald moest worden en konden ze aan het einde van het jaar zien wat ze moesten verantwoorden. Als cliënten dit wilden, dan hielp [medeverdachte 1] ook met het doen van de betalingen aan de zorgverleners. [medeverdachte 1] beschikte over een kopie van de toekenningsbeschikking van de budgethouders en hield via het overzicht ook bij of de budgethouders nog budget te besteden hadden. [medeverdachte 1] bood ook hulp bij het invullen van de verantwoordingsformulieren. Als [medeverdachte 1] deze formulieren invulde, dan vulden zij alleen de tweede pagina in. Daarop noteerden zij de namen van de zorgverleners, hun BSN-nummer, het bedrag en kruisjes bij de verleende zorgvormen. Naast voornoemde administratieve werkzaamheden stelde [medeverdachte 1] ook de zorgplannen per cliënt op en vroeg indien nodig herindicaties bij het zorgkantoo Hij heeft verklaard dat hij in loondienst is gegaan, omdat hij een vaste aanstelling nodig had voor de aankoop van een huis. [verdachte] heeft hem toen aangeboden om bij [medeverdachte 1] te komen werken en heeft hem in dienst genomen. Vanwege zijn handigheid met computers verrichtte hij ICT-werkzaamheden. Andere werkzaamheden die hij noemt zijn het maken van planningen en het inboeken van nota’s. Daarnaast werkte hij als zzp’er voor [medeverdachte 1] , gemiddeld tussen de tien en dertig uren per week. De zorg bestond uit verzorgende en begeleidende activiteiten. Als voorbeelden daarvan noemt hij het helpen aankleden van mensen, het spuiten van insuline, mensen op de postoel zetten, medicatie aanreiken, ondersteunende begeleiding geven en het contact met artsen en apothekers. Hij deed geen verpleegkundige handelingen. Hij heeft verder verklaard dat hij in het geheel geen diploma’s heeft voor zorgverlening of verpleging. Hij beschikt enkel over certificaten van afgeronde interne opleidingen van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 5] was in de tenlastegelegde periode de echtgenoot van [medeverdachte 6] . Hij werkte vanaf 2009 als zzp’er in de PGB-zorgverlening. Tot 23 mei 2014 heeft hij zorg verleend aan budgethouders die waren aangesloten bij [medeverdachte 1] . Dit betekende onder andere dat hij budgethouders hielp bij het toiletteren en het douchen, een begeleidend praatje met hen maakte en boodschappen voor hen deed. Vanaf augustus 2012 was hij tevens internationaal chauffeur bij [naam BV] te Kerkrade. In de periode dat hij chauffeur was, heeft hij ook wel eens een budgethouder van [medeverdachte 1] verzorgd, maar alleen in de weekenden. Vóór 2009 werkte [medeverdachte 5] op het kantoor bij [medeverdachte 1] waar hij administratieve werkzaamheden verrichtte. [medeverdachte 7] was een goede vriendin van [verdachte] . Zij heeft van juni of juli 2007 tot april 2012 gewerkt bij [medeverdachte 1] . In die tijd werkte zij 20 uur per week in loondienst op het kantoor en gemiddeld 40 uur per week als zzp’er in de zorgverlening. Als kantoormedewerker nam zij intakegesprekken af met nieuwe budgethouders, verzorgde zij de nieuwe aanvragen en verlengingen en wanneer er nota’s van budgethouders binnen kwamen, zette zij die ook wel eens in het systeem. [medeverdachte 4] , de dochter van [verdachte] en [medeverdachte 2] , heeft van 2005 tot en met september 2007, van januari 2008 tot halverwege januari 2010 en van januari 2012 tot januari 2013 gewerkt bij [medeverdachte 1] . Zij heeft als kantoormedewerker en als zorgverlener werkzaamheden verricht. Op het kantoor heeft zij de telefoon aangenomen, werkplanningen gemaakt, vervanging geregeld voor zorgverleners, nota’s ingevoerd en deze af en toe uitbetaald, en zorgverantwoordingsformulieren opgemaakt. Als zorgverlener heeft zij budgethouders verzorgd door hen aan- en uit te kleden en te helpen met wassen. [medeverdachte 2] was de echtgenoot van [verdachte] . Hij heeft af en toe zorg verleend en deed dit al sinds 2009. Als [medeverdachte 1] geen zorgverlener kon vinden, dan werd hij ingezet als “joker” c.q. plaatsvervanger. Hij werkte dan als zelfstandige. Hij mocht geen medische handelingen verrichten, maar hij keek of de budgethouders de handelingen zelf goed verrichtten, hielp hen bij het aan- en uitkleden of bij het onder de douche gaan. Ook deed hij wel waaknachten. Vanaf januari 2014 heeft hij helemaal geen zorg meer verleend. [medeverdachte 9] [medeverdachte 2] heeft een adviesbureau op het gebied van petrochemie, chemie en pharma, genaamd [medeverdachte 9] Deze vennootschap is gestart op 29 januari 2001. Hij heeft bij de Inspectie SZW verklaard dat hij vennoot van deze onderneming is samen met [medeverdachte 8] . [medeverdachte 8] is alleen om belastingtechnische redenen vennoot van [medeverdachte 9] . Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt echter dat [medeverdachte 2] samen met [verdachte] vennoot was. Het geld dat [medeverdachte 2] verdiende als zorgverlener werd over [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] waren allen betrokken bij [medeverdachte 1] : als kantoormedewerker en/of als zorgverlener die via [medeverdachte 1] in contact was gebracht met budgethouders. Allen hebben daarover ook verklaard, hebben verklaard hoe [medeverdachte 1] te werk ging en welke taak iedereen binnen [medeverdachte 1] had. In het kader van het onderhavige onderzoek hebben [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] ook nog verklaard dat zij bij een aantal budgethouders meer uren gedeclareerd hebben dan ze gewerkt hebben. Zij waren echter niet de enigen die dat deden. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat wanneer er geld overbleef uit het budget van een PGB-cliënt, dat in sommige gevallen werd verantwoord op naam van hemzelf, [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] . Hij heeft daarbij ook verklaard dat het kantoorpersoneel van [medeverdachte 1] op de hoogte was van het frauduleuze handelen door de zorgverleners, dat het kantoorpersoneel de administratie verder rond maakte en zorgde voor de verantwoording van het PGB van de betreffende cliënt. “Binnen [medeverdachte 1] was dit iets dat gebeurde”, aldus [medeverdachte 5] . [medeverdachte 6] heeft verklaard dat er werd geïnventariseerd wat de budgetten van cliënten waren en welk deel daarvan nog ten onrechte in rekening kon worden gebracht. “ [verdachte] en [medeverdachte 7] gingen destijds met name naar de cliënten. Dit was in 2009 en 2010. Zij waren aanspreekpunt vanuit [medeverdachte 1] . Wanneer er budget over was, dan kwamen zij met dit bericht terug op kantoor. Er werd dan aan mij, of [medeverdachte 3] of [medeverdachte 5] gevraagd of wij ook zorguren ten onrechte in rekening wilden brengen. Er werden echter geen vergaderingen gehouden over hoe te handelen met overgebleven budgetten. (…) Ik weet dat [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zich hier ook schuldig aan maakten.” [medeverdachte 3] weet dat [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] ook meer uren schreven dan ze werkten. In het verleden deed [medeverdachte 7] dat ook, en, naar hij denkt, zijn vader [ [medeverdachte 2] , rechtbank] ook. Wat [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] ook hebben verklaard, is dat de budgethouders hiervan wisten. [medeverdachte 5] heeft hierover bij zijn verhoor door de inspectie gezegd: “Ik heb eerder verklaard dat er geen afspraken zijn gemaakt tussen zorgverleners die in relatie stonden tot [medeverdachte 1] en cliënten. Hier was echter wel degelijk sprake van. De uren die wij zorgverleners declareerden voor niet geleverde zorg bij een bepaalde cliënt, die werden in eerste instantie aan ons zorgverleners overgemaakt. Een gedeelte van dit overgemaakte geld werd vervolgens in contanten dan weer terug gegeven aan de cliënt, waarmee afspraken waren gemaakt. [medeverdachte 6] en ik hebben ons hier ook schuldig aan gemaakt. (…) [Wij] pinden (…) het gestorte PGB-bedrag van onze rekening en dan gaven we dat deel van het afgesproken bedrag terug aan de cliënt. (…) De cliënten hebben er net zo goed van geprofiteerd als [medeverdachte 6] en ik. Het is dus niet eerlijk, vind ik, dat alleen wij opdraaien voor dit frauduleuze handelen. (…) De verdeling was zo ongeveer 1/3 deel voor de cliënt en 2/3 deel van de te veel in rekening gebrachte zorguren voor de zorgverlener.” Ook [medeverdachte 6] heeft verklaard dat geld werd gepind om weer terug te geven aan de cliënten. Na zich bij haar verhoor door de Inspectie SZW op 29 juli 2014 aanvankelijk op de vlakte gehouden te hebben, heeft [medeverdachte 4] in een e-mail van haar aan rechercheur [naam rechercheur] van 19 mei 2015 over het handelen binnen [medeverdachte 1] verklaard. Ze zet daarbij uiteen welke activiteiten [medeverdachte 1] verrichtte voor de cliënt (…) Op het moment dat [verdachte] iemand van het kantoorpersoneel benaderde om overgebleven zorggeld te verdelen met de cliënt, dan deelde zij daar zelf ook in mee. [verdachte] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben hier flink van geprofiteerd.” Manieren van frauderen Hiervoor is met name gesproken over het declareren van zorg die nooit verleend werd. Dat is een manier van frauderen. Er zou binnen [medeverdachte 1] echter ook nog op andere manieren gefraudeerd zijn met PGB’s. Zoals bij de beschrijving van de rollen uiteen werd gezet, verlangde [medeverdachte 1] ook een kostenvergoeding. [medeverdachte 6] heeft daarover verklaard dat vóór 2012 bij [medeverdachte 1] de administratiekosten en dergelijke op het verantwoordingsformulier weggeschreven werden onder BK (bemiddelingskosten) of administratiekosten. Toen dat niet meer mocht, zijn die kosten weggeschreven onder PV (persoonlijke verzorging) op naam van [medeverdachte 1] . De rechtbank constateert dat echter ook vóór 2012 al kosten onder de omschrijving PV gedeclareerd werden op naam van [medeverdachte 1] . Dit blijkt uit verschillende verantwoordingsformulieren die in het dossier steken. Dit kan niet juist zijn: een logische gevolgtrekking uit het gegeven dat [medeverdachte 1] een rechtspersoon is, is dat die niet zelf persoonlijke verzorging kan verlenen. Ook uit de verklaring van [medeverdachte 6] volgt dat die kostendeclaraties niet juist kunnen zijn. Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] zelf nooit zorg verleende: als kantoormedewerkers van [medeverdachte 1] zorg verleenden, dan gebeurde dat op eigen naam. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat tussen 2009 en 2014 op naam van [medeverdachte 1] structureel kosten voor persoonlijke verzorging werden gedeclareerd, terwijl [medeverdachte 1] geen persoonlijke verzorging verleende. Ook dat is fraude. Ook op andere manieren zou nog gefraudeerd zijn: persoonlijke verzorging zou gedeclareerd zijn als (duurdere) verpleging en in twee gevallen zouden huishoudelijke hulpen van verdachten bekostigd zijn uit een PGB van een cliënt. De rechtbank zal al deze andere manieren van frauderen verder buiten beschouwing laten. Als er inderdaad ook op deze manieren gefraudeerd is, dan levert dat dezelfde misdrijven op als de hiervoor meer uitvoerig besproken manieren van frauderen. En welke misdrijven levert dat dan op? Concrete misdrijven Zoals gezegd, werd er zorg gedeclareerd die nooit werd verleend. Om die zorg te kunnen declareren werden er op de diverse voor de declaratie en verantwoording benodigde formulieren meer uren ingevuld dan er in werkelijkheid gewerkt waren. Die formulieren werden dus valselijk opgemaakt. Wat er op stond, was immers niet waar. Deze formulieren werden vervolgens wel als waar, “als echt en onvervalst” gebruikt bij de declaratie. Dat levert valsheid in geschrift op. Ook is er sprake geweest van verduistering en oplichting. Zoals uiteengezet is onder het kopje “Algemeen” betaalde het zorgkantoor een toegekend PGB bij wijze van voorschot uit. De budgethouder kreeg daarmee geld onder zich dat nog aan een ander toebehoorde. Door vervolgens mee te werken aan het (laten) declareren van te veel uren zorg vloeide een deel van het PGB ten onrechte naar de verdachten en naar de budgethouders. Er was dus sprake van wederrechtelijke toe-eigening door budgethouders en verdachten van geld dat de budgethouders legaal onder zich hadden. In juridische zin levert dat medeplegen van verduistering op. Medeplegen, omdat het feit gepleegd werd door de hier met name genoemde verdachten en de budgethouders samen. Deze budgethouders wisten er immers niet alleen van, maar verleenden er ook hun medewerking aan om er zo zelf beter van te worden. Er was daarbij echter ook sprake van oplichting. Door gebruik te maken van valse geschriften, en met de bedoeling (“oogmerk”) om daar zelf beter van te worden, hebben de verdachten en de budgethouders het zorgkantoor zo ver gekregen om het PGB dat bij wijze van Conclusie Uit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat er een gestructureerd samenwerkingsverband is geweest waar [verdachte] deel van uitmaakte. Binnen dit samenwerkingsverband, en meer in het bijzonder binnen [medeverdachte 1] , werd er vanaf 2009 gefraudeerd met PGB’s. Pas met het ingrijpen van de Inspectie SZW op 23 mei 2014 is aan de activiteiten van [medeverdachte 1] een einde gekomen. En is ook een einde gekomen aan de fraude die, blijkens de verklaring van [medeverdachte 3] , tot op dat moment nog doorging. De betrokkenen wisten allen van het plegen van fraude. Een aantal verdachten heeft dat wel ontkend, maar gelet op de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen hecht de rechtbank aan die verder niet onderbouwde ontkenning geen enkele waarde. Binnen [medeverdachte 1] werd er bijgehouden bij welke budgethouder er nog ruimte was om te frauderen. De budgethouder werd bij de fraude betrokken en de voor de fraude benodigde documenten werden binnen [medeverdachte 1] opgemaakt. Mede gelet op de duur van de fraude, het grote aantal PGB’s waarmee gefraudeerd werd en de stelselmatigheid van de fraude, is de rechtbank van oordeel dat het oogmerk van [medeverdachte 1] en van degenen die daarbij betrokken waren ook gericht was op het plegen van fraude. Elk van de verdachten, en ook overig personeel van [medeverdachte 1] , wist niet alleen van de fraude, maar heeft er, blijkens de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen, ook een aandeel in gehad. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een criminele organisatie en dat [verdachte] daarvan lid was. De criminele organisatie had tot oogmerk het plegen van valsheid in geschrift, verduistering, oplichting, heling en witwassen. Laatste opmerkingen De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de organisatie ook het oogmerk zou hebben om diefstallen te plegen. Dat zou het geval zijn als budgethouders niet zouden weten dat geld van zijn/haar PGB-rekening ten onrechte werd overgeboekt. Zoals echter volgt uit het bovenstaande, acht de rechtbank het zo te zijn geweest dat de budgethouders bij de fraude betrokken werden en waren. Er zijn hier en daar wel aanwijzingen voor de stelling dat de budgethouders nergens van wisten, aanwijzingen die met name gevonden worden in de verklaringen van de desbetreffende budgethouders, maar die aanwijzingen overtuigen de rechtbank niet. De rechtbank zal de verdachten dan ook van dit onderdeel vrijspreken. Zoals ook duidelijk mag zijn geworden uit het bovenstaande, heeft de rechtbank voor het bewijs niet alleen geput uit de verklaringen van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] , maar heeft zij ook gebruik gemaakt van de verklaring van [medeverdachte 4] , neergelegd in een e-mail van 19 mei 2015. De rechtbank doet dat ondanks dat [medeverdachte 4] daarna nog te kennen heeft gegeven, en wel in een e-mail van 30 september 2017, dat zij haar beschuldigingen wil intrekken. In die e-mail van 30 september 2017 geeft ze aan dat ze ten tijde van het schrijven van haar eerdere e-mail onder invloed van drank was en dat ze de informatie uit de krant had en van horen zeggen. Ook had ze het nog eens behoorlijk aangedikt. En dat alles was gebeurd na een ruzie met haar moeder. Aan die e-mail van 30 september 2017 hecht de rechtbank echter geen waarde. Dat wat [medeverdachte 4] in haar e-mail van 19 mei 2015 gedetailleerd beschrijft, komt namelijk overeen met de op dat moment al afgelegde verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] en past bij de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, zoals de declaratie- en verantwoordingsformulieren. Daarbij wekt de tekst en opmaak van de e-mail van 19 mei 2015 én het tijdstip waarop deze verzonden werd aan inspecteur [naam rechercheur] , 13:01 uur, niet de indruk dat deze geschreven werd door een dronken persoon. Helder, overzichtelijk en nauwgezet wordt door [medeverdachte 4] in de e-mail uit de doeken gedaan hoe het binnen [medeverdachte 6] doet een keer per maand voor haar de administratie in ongeveer vijftien minuten. [medeverdachte 8] zegt haar niks. De verklaring van [budgethouder 1] over [medeverdachte 4] vindt bevestiging in de verklaring van [medeverdachte 4] zelf. Zij heeft namelijk verklaard dat zij in 2009 geen zorg heeft verleend en dat er met het PGB van [budgethouder 1] , kort samengevat, is gefraudeerd. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat ten aanzien van haar de codering VP niet juist is, omdat zij [budgethouder 1] niet heeft verpleegd, maar wel persoonlijke verzorging heeft geleverd (helpen met wassen en aankleden met name) en dat zij op het formulier het handschrift van [verdachte] en de handtekening van [budgethouder 1] herkent. Ook heeft [medeverdachte 6] bekend dat zij met [budgethouder 1] afspraken had over het contant teruggeven van geld in een enveloppe en dat zij weet dat [medeverdachte 4] en [verdachte] ook deze afspraak met haar hadden. Zij heeft daarbij uitgelegd dat wanneer er budget overbleef en er geen extra zorg nodig was, dat deel van het budget ten onrechte in rekening werd gebracht. [medeverdachte 1] kan als vennootschap geen zorg verlenen in de zin van PV (persoonlijke verzorging), zoals staat vermeld op het formulier. Gelet op de zojuist weergegeven bewijsmiddelen, is de conclusie dat [verdachte] dit formulier heeft ingevuld ten behoeve van haar zelf, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] en dat de informatie die verstrekt is over de verleende zorg onjuist is, omdat die zorg niet is verleend. Ook dit formulier is dus in strijd met de waarheid opgesteld om de vermelde bedragen uit het PGB-budget ten onrechte te laten verstrekken aan de vermelde personen en rechtspersonen. Formulier 3: het verantwoordingsformulier juli/december 2009 ten name van [budgethouder 2] Het verwijt met betrekking tot dit verantwoordingsformulier is dat het vermelde totaal bedrag aan verleende zorg niet klopt, dat [medeverdachte 1] , [betrokkene 6] , [betrokkene 9] , [betrokkene 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 8] ( [verdachte] dus), [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] ten onrechte staan vermeld als verleners van zorg en dat ten onrechte de coderingen PV (persoonlijke verzorging) en VP (verpleging) zijn genoteerd. Op dit formulier, dat budgethouder [budgethouder 2] op 2 februari 2010 te Kerkrade heeft ondertekend, staat dat veertien zorgverleners in de maanden juli tot en met december 2009 voor € 17.570,00 aan zorg aan haar hebben verleend. Volgens [naam echtgenoot] , de echtgenoot van de budgethouder, [naam schoondochter] , de toenmalige schoondochter, en [zorgverlener 1] , een van de vaste zorgverleners van [budgethouder 2] , hebben zeven van hen geen zorg verleend namelijk [medeverdachte 1] , [betrokkene 6] , [betrokkene 9] , [betrokkene 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 8] / [verdachte] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] . [naam schoondochter] en [zorgverlener 1] geven aan, kort samengevat, dat zij door hun vele werk voor [budgethouder 2] weten wie haar zorg verleenden en wie niet. [naam echtgenoot] heeft verklaard dat de namen van [betrokkene 6] , [betrokkene 9] en [betrokkene 4] hem niets zeggen. Ook de naam [medeverdachte 5] zegt hem niks. Er is vanuit [medeverdachte 1] nooit een man komen werken, behalve [medeverdachte 3] . De naam van [medeverdachte 7] komt hem wel bekend voor. [medeverdachte 7] heeft geen zorg verleend, maar deed begeleiding in de vorm van het doen van aanvragen; zij deed ‘meer kantoordingen’. Dat zij in de administratie als verzorgende wordt verantwoord, heeft hij nooit geweten. [medeverdachte 4] kent hij niet en [medeverdachte 8] ook niet. Over [verdachte] verklaart hij dat die alleen administratie heeft gedaan, maar geen zorg heeft verleend aan zijn vrouw. [medeverdachte 1] kwam alleen maar bij hen voor de administratie. Op het formulier herkent hij de handtekening van zijn vrouw. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] hebben verklaard dat zij op het formulier het Zij en twee andere collega’s kregen niet uitbetaald voor hun werk bij [budgethouder 3] en op kantoor van [medeverdachte 1] werd gezegd, bijvoorbeeld door [medeverdachte 6] of [verdachte] , dat het budget van [budgethouder 3] op was. Op basis van het journaal kon je zien dat dat niet klopte. Daar staat namelijk in wie wanneer gewerkt heeft. Ook weet zij dat [verdachte] en [medeverdachte 3] er niet waren op tijdstippen dat zij op de loonlijst hadden aangegeven er wel te zijn; zij had hen daar dan namelijk niet gezien. [naam zus] , de zus van budgethouder [budgethouder 3] , heeft verklaard dat de PGB-administratie van haar broer fouten bevatte. Er waren bedragen afgeschreven die niks te maken hebben met zorg verlenen, zoals dat iemand van [medeverdachte 1] koffie kwam drinken tegen betaling. Toen zij dit bij [verdachte] aan de orde stelde in 2010 en aangaf stappen te gaan ondernemen tegen [medeverdachte 1] , had [verdachte] tegen haar gezegd dat als zij moeilijk ging doen, haar broer geen zorg meer zou krijgen. Ook zei [verdachte] toen dat haar broer een envelop met geld had aangenomen. Haar broer had dat tegenover haar bevestigd. Het ging om € 50,00 en dat zou over zijn geweest van zijn zorgbudget. Haar broer had haar verteld dat de familie [familienaam] hem geen zorg had verleend. [verdachte] had hem geen zorg verleend, maar kwam wel regelmatig bij hem om de papieren in orde te maken. Zij heeft [verdachte] ook om uitleg gevraagd over de hoge bedragen die aan [medeverdachte 8] zijn uitbetaald, maar daar had [verdachte] geen verklaring voor. Over [medeverdachte 6] heeft haar broer het nooit gehad. Gelet op de inhoud van deze stukken en de verklaringen, is de conclusie dat er in de periode juli tot en met december 2009 geen zorg verleend is door [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 8] / [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en dat de ten aanzien van hen vermelde bedragen en coderingen dus niet juist zijn. Ook het verantwoorde totaalbedrag is daarmee niet juist. Dat deze conclusie correct is, wordt verder nog onderbouwd door de al eerder genoemde verklaring van [medeverdachte 4] en de verklaring van [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] heeft verklaard dat zij in 2009 geen zorg heeft verleend . [medeverdachte 5] heeft verklaard dat er met [budgethouder 3] een afspraak over verdeling van het PGB-budget was en dat hij [budgethouder 3] geen verpleging (VP) heeft verleend zoals op het formulier staat, en ook niet alle vermelde uren – dat waren er kennelijk dus, gelet op het uitbetaalde bedrag van € 5.095,00 in die periode, geen 268 à € 19,00. En relevant is de verklaring van [medeverdachte 6] dat zij aan [budgethouder 3] een keer geld heeft teruggegeven uit zijn PGB-budget. Dat was, meent zij, € 750,00 contant. Zij en [verdachte] hadden dit besproken en [verdachte] heeft met [budgethouder 3] afspraken gemaakt over het teruggeven van 1/3 deel van de bij hem ten onrechte in rekening gebrachte zorguren; de rest kwam dan bij haar en [verdachte] terecht. [medeverdachte 1] kan als vennootschap geen zorg verlenen in de zin van PV (persoonlijke verzorging), zoals staat vermeld op het formulier. Nu [budgethouder 3] heeft verklaard dat [verdachte] zijn administratie verzorgde, gaat de rechtbank ervan uit dat het verantwoordingsformulier in kwestie door [verdachte] is opgemaakt. [medeverdachte 6] en [verdachte] hebben allebei verklaard dat zij [budgethouder 3] wel degelijk zorg hebben verleend. [medeverdachte 5] zou [medeverdachte 6] soms vervangen hebben in 2009 naar haar zeggen. Maar gelet op de weergegeven verklaringen en het ontbreken van hun namen in het rooster, nemen hun verklaringen hierover de valsheid in geschrift ten aanzien van dit verantwoordingsformulier over de tweede helft van 2009 niet weg. Feit 3 Aan [verdachte] wordt onder feit 3 – kort gezegd – verweten dat zij opzettelijk een aantal budgethouders en zorgverleners heeft geïnstrueerd hoe te verklaren. Die personen zouden bepaalde dingen moeten z [betrokkene 13] denkt van wel, mevrouw is vanmiddag na vier uur wel thuis. Het is wel fijn dat ze (de rechtbank begrijpt: mevrouw [budgethouder 1] ) weet wat ze zeggen moet, dat ze niets verkeerd zegt, zegt [betrokkene 13] . Ook [verdachte] is er maar druk mee op die derde februari 2014, want ze gaat alle cliënten langs omdat de recherche invallen aan het doen is omdat er een onderzoek is naar [medeverdachte 1] , zo meldt ze aan een zorgverlener. ’s Avonds is ze in gesprek met [medeverdachte 6] en [betrokkene 14] en ze moet daarna nog naar [budgethouder 13] , [budgethouder 14] (fon.), [budgethouder 15] en [budgethouder 16] , vertelt ze aan [medeverdachte 2] . Op 4 februari 2014 om 12:59 uur belt [verdachte] naar mevrouw [budgethouder 1] . [verdachte] wist natuurlijk al dat mevrouw [budgethouder 1] die ochtend om 10:00 uur gehoord zou worden en wilde kennelijk weten hoe dat was verlopen. Het verhoor, dat volgens [betrokkene 13] twee uur zou duren, is echter uitgelopen. Na afloop van het telefoongesprek vertelde [budgethouder 1] aan de opsporingsambtenaren dat zij net [verdachte] aan de telefoon had. Zij had al vier jaar niets meer van haar gehoord. [verdachte] had gezegd dat zij alleen met ja of nee hoefde te antwoorden en had daarna gevraagd of ‘ze’ er nog waren en of het nodig was dat [verdachte] naar haar toekwam. [medeverdachte 6] , die ook wist dat mevrouw [budgethouder 1] op 4 februari 2014 zou worden verhoord, belt haar ’s middags ook nog ‘om door te geven dat [verdachte] straks even langs komt, om even door te nemen hoe alles is gegaan’. Maar daar heeft mevrouw [budgethouder 1] geen zin in, het verhoor heeft al de hele ochtend geduurd, en ze wil nu even rust. ‘Ze hebben alles. Heeft die wel eens bij u gewerkt, nee die ken ik niet. En die, die staat bij u op de loonlijst, nee die ken ik niet’, vertelt [budgethouder 1] aan [medeverdachte 6] . Er waren mensen bij, die ze nog nooit gekend heeft. ‘ [betrokkene 15] en nog eentje, [betrokkene 16] (fon.) of zoiets. En [medeverdachte 3] is het ergste, die kwam voor de papieren in te vullen, maar niet voor 10.000 zoveel op een half jaar’, zegt [budgethouder 1] . Meteen daarna belt [medeverdachte 6] naar [verdachte] om verslag te doen van dit telefoongesprek. [medeverdachte 6] meldt dat mevrouw [budgethouder 1] namen heeft genoemd, [betrokkene 15] of [betrokkene 15] (fon.). Daar heeft ze van gezegd dat ze deze persoon niet kent. Ook heeft ze gezegd dat [medeverdachte 3] niet zoveel daar is geweest. ‘Dat is stom, kut’, zegt [verdachte] dan. [verdachte] heeft rond deze tijd ook contact gehad met mevrouw [budgethouder 5] . Deze budgethouder verklaarde dat ze een paar weken voordat zij in april 2014 door de Inspectie SZW werd verhoord van [verdachte] hoorde dat er controleurs waren. [verdachte] wilde dat zij haar gelijk zou bellen als er bij haar een controle zou zijn, omdat [verdachte] graag bij dat gesprek aanwezig wilde zijn. [budgethouder 5] denkt dat dat was zodat zij niets verkeerd zou zeggen. [medeverdachte 6] en [verdachte] hebben niet alleen contact met elkaar, de andere medeverdachten, budgethouders en zorgverleners, maar ook met voormalige zorgverleners. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de gesprekken die op 4 februari 2014 worden gevoerd. Op die dag belt [medeverdachte 6] om 17:25 uur naar [medeverdachte 7] . [medeverdachte 6] meldt dat ze [medeverdachte 7] belt omdat er gecontroleerd wordt. [medeverdachte 7] wist er al van, zegt ze, ze was gisteren door mevrouw [budgethouder 6] gebeld toen ze bij [budgethouder 6] aan de deur waren. [medeverdachte 6] zegt dat ze met [verdachte] heeft afgesproken om [medeverdachte 7] en [betrokkene 3] ook te bellen om ze in te lichten. [medeverdachte 6] vertelt bij wie ze al geweest zijn en vraagt of [medeverdachte 7] haar mensen, zoals [budgethouder 7] , [budgethouder 8] en [budgethouder 9] , ook wil inlichten. Dat heeft [medeverdachte 6] namelijk ook gedaan, die is langs cliënten gegaan waar ze heeft gewerkt en nog werkt. [medeverdachte 6] zal Ze zei toen dat als er rechercheurs aan de deur zouden komen, dat [betrokkene 22] moest zeggen dat zij op maandag, dinsdag, woensdag en vrijdag bij mevrouw [budgethouder 17] werkte. Ze gaf daar ondersteunende begeleiding. Volgens [betrokkene 21] werkt zijn vrouw helemaal niet bij mevrouw [budgethouder 17] . Zij doet – op verzoek van [verdachte] – huishoudelijk werk bij [medeverdachte 3] . De uren die zij bij [medeverdachte 3] werkt, worden vervolgens geregistreerd op naam van mevrouw [budgethouder 17] . [betrokkene 22] bevestigt wat haar man heeft verklaard en voegt daar nog aan toe dat [verdachte] haar heeft gezegd dat als er rechercheurs kwamen, zij moest zeggen dat ze geen andere mensen kende bij [medeverdachte 1] en dat ze niet bij [medeverdachte 3] werkte, maar bij mevrouw [budgethouder 17] begeleiding gaf. Maar ook al vóórdat de Inspectie SZW vanaf februari 2014 in Zuid-Limburg onderzoek doet, worden voorzorgsmaatregelen getroffen. Daarover verklaart de hiervoor al genoemde mevrouw [budgethouder 5] . [verdachte] is, zo zegt ze, in januari 2014 bij haar thuis geweest en heeft toen verteld dat de administratiekosten anders opgeschreven moesten worden. Er moest opgeschreven worden dat zij bij [budgethouder 5] zorg had verleend. Deze nota’s voor zorg kwamen dan in de plaats van de nota’s die [budgethouder 5] voorheen kreeg waar administratiekosten op stonden. [verdachte] vertelde ook dat als er ooit controle kwam dat [budgethouder 5] moest zeggen dat zij haar verzorgde voor de uren die op de facturen stonden. [verdachte] heeft bevestigd dat zij de administratie doet bij [budgethouder 5] . [verdachte] heeft ter terechtzitting erkend dat zij naar aanleiding van de verhoren met zorgverleners en budgethouders heeft gesproken. Zij heeft ze gerustgesteld, zo verklaarde ze. Ook de raadsman heeft erop gewezen dat [verdachte] het als haar plicht beschouwde om de budgethouders, die opeens werden geconfronteerd met een verhoor door de politie, gerust te stellen. [verdachte] sprak Limburgs dialect met de budgethouders. Volgens de raadsman dient de uiting ‘Zeg geweun’ dan ook te worden opgevat als ‘je kunt dat gerust zeggen, want zo is het toch’. Van een instructie of opzettelijke beïnvloeding was daarom geen sprake. De rechtbank is het niet eens met de raadsman. Wanneer de rechtbank de in de tenlastelegging vermelde (tap)gesprekken die door [verdachte] zijn gevoerd met de dames [budgethouder 10] , [betrokkene 18] , [budgethouder 5] en [betrokkene 22] en de heer [betrokkene 21] in samenhang beschouwt met alle andere hiervoor vermelde (tap)gesprekken, is het voor de rechtbank klip en klaar dat [verdachte] opzet had om de vrijheid van deze personen om onbelemmerd en naar eigen inzicht te verklaren te beïnvloeden. Zij moesten ten overstaan van de rechercheurs of controleurs verklaren zoals [verdachte] hen instrueerde. Alles was bedoeld ter voorkoming van eventuele schade voor [medeverdachte 1] en/of voor [verdachte] zelf en/of haar medeverdachten. De door [verdachte] afgelegde verklaring dat zij die personen enkel had gerustgesteld laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing. Ook het verweer van de raadsman wordt om diezelfde reden verworpen. Dat betekent dat sprake is van het – tezamen met anderen – mondeling beïnvloeden in de zin van artikel 285a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals hiervoor beschreven. Het onder feit 3 tenlastegelegde zal dan ook bewezen worden verklaard. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte 1. in de periode van 1 januari 2009 tot en met 23 mei 2014 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit haar, verdachte, en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] en andere natuurlijke personen en de vennootschap onder firma [medeverdachte 1] en de besloten vennootschap [medeverdachte 8] en de vennootschap onder firma [medeverdachte 9] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 5 februari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk (al dan niet door middel van een telefonisch gesprek) mondeling zich jegens personen heeft geuit, kennelijk om hun vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, immers heeft/hebben zij, verdachte, en haar mededaders toen en daar telkens opzettelijk -zakelijk weergegeven- = [getuige 1] telefonisch geïnstrueerd en/of gevraagd en/of mededeling gedaan om te verklaren dat zij ( [verdachte] ) haar ( [getuige 1] ) altijd verzorgt (zeg gewoon dat ik jou altijd verzorg, klaar punt); en = [getuige 2] telefonisch geïnstrueerd en/of gevraagd en/of mededeling gedaan om te verklaren dat zij ( [getuige 2] ) de heer [budgethouder 11] ook verzorgt en dat zij ( [getuige 2] ) WMO-en en begeleiding doet en dat zij ( [getuige 2] ) begeleiding doet bij pap en dat zij ( [getuige 2] ) ook bij [budgethouder 15] heeft gewerkt; en = [getuige 3] geïnstrueerd en/of aangegeven om te verklaren en/of bij een controle te zeggen dat zij ( [verdachte] ) haar ( [getuige 3] ) verzorgde voor de uren die op de facturen stonden; en = [getuige 4] en [getuige 5] geïnstrueerd en/of aangegeven om te verklaren en/of bij een controle te zeggen dat zij ( [getuige 5] ) geen andere mensen kende bij [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) en dat zij ( [getuige 5] ) niet werkte bij [medeverdachte 3] , maar dat zij ( [getuige 5] ) bij mevrouw [budgethouder 17] begeleiding gaf; terwijl zij, verdachte, en haar mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaringen zouden worden afgelegd. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: Feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Feit 2: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Feit 3: medeplegen van het opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten. 6 De straf 6.1 De vordering van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest. [verdachte] had een initiërende rol binnen [medeverdachte 1] , zowel in de PGB-fraude als in de toedekking daarvan. Zij heeft geen inzicht getoond in de laakbaarheid van haar handelen en stelt zich op als slachtoffer van anderen. Daarnaast vorderen zij, om te voorkomen dat [verdachte] een nieuwe zorgonderneming start, een verbod op het uitoefenen van enig beroep in de zorgverlening, financiële verantwoording van zorg daaronder begrepen, voor de duur van vijf jaren. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair verzocht om vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, eventueel met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast is verzocht rekening te houden met de ouderdom van de tenlastegelegde feiten, de jarenlange onzekerheid die daarmee gepaard ging, de media-aandacht voor deze zaak, het blanco strafblad van de verdachte en de ongeoorloofde druk die door de recherche is uitgeoefend tijdens het ondervragen van de verdachte. Ook heeft de belastingdienst een grote Zeker in het licht van hoe zij zich presenteerden op zitting: als slachtoffer van justitie. Ook [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben zich zo gepresenteerd. Maar die slachtofferrol past hun allen niet. Het was een bewuste keuze om tegen de geldende regels in niet-verleende zorg te declareren en dus om te frauderen. Om je dan toch als slachtoffer van justitie te zien, getuigt van een bedenkelijke moraal. Op het schaamteloos vullen van je eigen portemonnee ten koste van gemeenschapsgeld kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Maar hoe hoog moet die straf zijn? Met enige regelmaat behandelen de rechtbanken en gerechtshoven in Nederland fraudezaken. Om te komen tot meer gelijkheid en lijn in de straffen, zijn er in 2012 oriëntatiepunten geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarbij is men uitgegaan van het zogeheten benadelingsbedrag. Ligt dat bedrag tussen de € 125.000,00 en € 250.000,00, dan is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de negen en twaalf maanden het oriëntatiepunt. Ligt het bedrag tussen de € 250.000,00 en € 500.000,00, dan is dat een gevangenisstraf tussen de 12 en 18 maanden. Bij een benadelingsbedrag tussen de € 500.000,00 en € 1.000.000,00 vormt een gevangenisstraf tussen de 18 en 24 maanden het oriëntatiepunt. Vervolgens kan er nog gekeken worden naar strafverzwarende en strafverminderende factoren als de duur van de fraude, de rol van de verdachte ten opzichte van de mededaders, de mate waarin de verdachte medewerking heeft verleend aan het onderzoek, of de verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, de mate waarin de verdachte voordeel heeft gekregen door de fraude, etc. Voor [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] geldt het volgende. De rechtbank kijkt bij hen onder andere naar de rol die elk van hen had en ieders, hierboven al besproken, proceshouding. De rechtbank laat [medeverdachte 7] verder buiten beschouwing, omdat haar zaak vanwege haar ziekte moest worden aangehouden. [medeverdachte 1] was het vehikel waarmee gefraudeerd werd. [verdachte] was samen met [medeverdachte 6] de oprichter van [medeverdachte 1] en, zoals verklaard is door diverse verdachten, de bedenker van deze manier van frauderen. Bij de fraude betrok zij ook de leden van haar gezin. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] mochten van haar mee-eten uit de frauderuif. Ook anderen gunde zij wat. En dat “gunde” gebruikt de rechtbank hier bewust. [verdachte] was namelijk degene die de touwtjes in handen had en in grote mate bepaalde wie, wat en waar mocht frauderen. Vanzelfsprekend zorgde zij daarbij ook goed voor zichzelf. [medeverdachte 6] liet zich bij de fraude ook niet geheel onbetuigd. Samen met [verdachte] zocht ze naar ruimte binnen de budgetten om te frauderen. De e-mails daarover in het dossier spreken boekdelen. Maar het bleef niet bij zoeken alleen. Ook zij fraudeerde er lustig op los door formulieren valselijk in te vullen en betrok er een ander, haar toenmalige echtgenoot [medeverdachte 5] , bij. [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben, toen de fraude aan het licht dreigde te komen, geprobeerd om de schade voor zichzelf te beperken. Dat mag natuurlijk, maar alleen tot op zekere hoogte. Het beïnvloeden van getuigen, zoals zij dat gedaan hebben, is een strafrechtelijke stap te ver. Ook dat neemt de rechtbank mee bij het bepalen van hun straf. Het recht moet zijn loop kunnen hebben, maar dat hebben zij geprobeerd te verstoren. [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] deelden mee in de fraude. En dat niet alleen financieel. Zij verrichtten ook zelf frauduleuze handelingen. De rechtbank vindt daarbij de rol van [medeverdachte 4] overigens opvallend. Blijkens haar e-mail van 19 mei 2015 was zij zich er zeer van bewust dat wat binnen [medeverdachte 1] gebeurde, niet door de beugel kon. Zij verlaat [medeverdac Zo bezien is de redelijke termijn overschreden. Wanneer de rechtbank echter let op de omvang van de zaak, de omstandigheid dat er in de zaken van [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] getuigen moesten worden gehoord en de vaststelling dat er daarbij geen lange periodes van inactiviteit zijn geweest, dan ziet de rechtbank daarin geen reden tot matiging van de straf. Dat is anders in de zaken van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . De getuigenverhoren in de zaken van [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] hebben ervoor gezorgd dat de berechting in hun zaken voor langere tijd stil lag en zij dus ook langer op hun berechting moesten wachten. Bij [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] acht de rechtbank daarom een korting van de op te leggen gevangenisstraf met twee maanden gepast. In de zaken van [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] is nog de oplegging van een (voorwaardelijk) beroepsverbod geëist. De feiten waarvoor zij nu veroordeeld worden, hebben zij begaan in de uitoefening van hun beroep. Om met name het gevaar in te perken dat zij zich in de toekomst opnieuw schuldig zullen maken aan het plegen van dergelijke of soortgelijke feiten, en ter bescherming van een kwetsbare groep mensen in onze samenleving, acht de rechtbank het passend en geboden om hun, naast oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, voorwaardelijk het recht te ontzeggen om gedurende vijf jaren na het onherroepelijk worden van dit vonnis een beroep uit te oefenen in de zorgsector. De rechtbank begrijpt daar ook onder de financiële en administratieve dienstverlening in de zorgsector. De rechtbank komt tot een voorwaardelijk beroepsverbod om de verdachten, die voor hun broodwinning en gelet op hun opleiding waarschijnlijk aangewezen zullen blijven op een baan in de zorg, een laatste kans te gunnen te laten zien dat zij ook zonder frauderen in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Mochten zij zich gedurende de maximale proeftijd van drie jaren toch schuldig maken aan enige vorm van fraude, dan zal dat betekenen dat zij gedurende vijf jaren niet meer werkzaam mogen zijn in de zorg. Voor [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8] geldt ten slotte het volgende. [medeverdachte 1] bleek op het moment dat de dagvaarding werd uitgebracht, het moment waarop de vervolging van [medeverdachte 1] startte, niet meer te bestaan. Dit brengt met zich dat [medeverdachte 1] niet meer berecht kan worden. Dat is anders voor [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8] . Zoals bij de bespreking van het criminele-organisatieverwijt werd beschreven, werd [medeverdachte 9] door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] door [verdachte] gebruikt als onderneming waarbinnen zij, kennelijk enkel en alleen om fiscale/boekhoudkundige redenen, hun werkzaamheden verrichtten. Omdat er geen andere werknemers binnen de vennootschappen werkzaam waren en zij de eigenaren/oprichters van deze vennootschappen zijn, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de handelingen van [medeverdachte 2] en [verdachte] één op één aan hun vennootschappen worden toegerekend. Ook hun frauduleuze handelingen. Betoogd kan dan worden dat een bestraffing van [medeverdachte 9] en [medeverdachte 8] een bestraffing van [medeverdachte 2] en [verdachte] inhoudt voor feiten waarvoor ze ook persoonlijk bestraft worden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank echter niet zo. Door als rechtspersoon of (strafrechtelijk) daarmee gelijk te stellen samenwerkingsvorm betrokken te raken bij fraude wordt het vertrouwen beschaamd dat de maatschappij in het algemeen en de zakenwereld in het bijzonder moet kunnen stellen in de integriteit van dergelijke entiteiten. Naar het oordeel van de rechtbank past een onvoorwaardelijke geldboete bij dit verwijt. De rechtbank betrekt hierbij ook de hierboven besproken, meer algemene overwegingen omtrent de strafwaardig zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 23 mei 2014 te Kerkrade en/of Landgraaf en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit haar, verdachte, en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of de vennootschap onder firma [medeverdachte 1] en/of de besloten vennootschap [medeverdachte 8] en/of de vennootschap onder firma [medeverdachte 9] en/of een of meer andere rechtsperso(o)n(en) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van verduistering als bedoeld in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht en/of het plegen van diefstal als bedoeld in artikel 310/311 van het Wetboek van Strafrecht en/of het plegen van oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht en/of het plegen van valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en/of het plegen van witwassen als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht en/of het plegen van heling als bedoeld in artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht; 2. zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand 2 februari 2010 tot en met mei 2013, in elk geval in of omstreeks de/het ja(a)r(en) 2010 en/of 2013, te Kerkrade en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, 1. een nota en/of declaratieformulier over de maand april 2013 (Taak: ondersteunig nachten) betreffende door [medeverdachte 2] gewerkte dagen en/of (gewerkte) aantal uren voor Mevr [budgethouder 17] (bijlage DOC-027-46, blz 2833); en/of 2. een verantwoordingsformulier ten name van de budgethouder [budgethouder 1] (Dossiernummer 39583.004) betreffende de Verantwoordingsperiode 01-07-2009 t/m 31-12-2009 (bijlage DOC-016-01/02, blz 2526-27), en/of 3. een verantwoordingsformulier ten name van de budgethouder [budgethouder 2] (Dossiernummer 6454.002) betreffende de Verantwoordingsperiode 01-07-2009 t/m 31-12-2009 (bijlage DOC-014-02/03, blz 2512-13), en/of 4. een verantwoordingsformulier ten name van de budgethouder [budgethouder 3] (Dossiernummer 32578.004) betreffende de Verantwoordingsperiode 01-07-2009 t/m 31-12-2009 (bijlage DOC-024-08-09, blz 2766-67), zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of haar, verdachtes, mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- == op/in die nota en/of dat declaratieformulier == (een) hoger(e) aantal(len) gewerkte dagen en/of (een) hoger(e) aantal(len) gewerkte uren dan die [medeverdachte 2] in werkelijkheid aan zorg had verleend aan mevrouw [budgethouder 17] en/of == op/in dat/die verantwoordingsformulier(en) == als bedrag dat totaal aan die [budgethouder 1] haar zorgverlener(s) in voornoemde periode was betaald euro 9.680,--, en/of == als bedrag dat totaal aan die [budgethouder 2] haar zorgverlener(s) in voornoemde periode was betaald euro 17.570,--, en/of == als bedrag dat totaal aan die [budgethouder 3] zijn zorgverlener(s) in voornoemde periode was betaald euro 18.918,--, in elk geval (telkens) een te hoog (betaald) bedrag, vermeld en/of opgenomen en/of geschreven en/of doen en/of laten vermelden en/of opnemen en/of schrijven en/of == ten aanzien van die [budgethouder 1] als zorgverlener(s) en/of zorgverlenende instantie die/welke PV (persoonlijke verzorging) en/of VP (verpleging) had(den) verleend [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of == ten aanzien van die [budgethouder 2] als zorgverlener(s) en/of zorgverlenende instantie die/welke PV (persoonlijke verzorging) en/of VP (verple 2950 tot en met 2952 en de zorgovereenkomst tussen budgethouder [budgethouder 19] en zorgverlener [zorgverlener 3] , p. 2866 tot en met 2871. Zie de Registratierichtlijn van 1 februari 2000 van de (toenmalige) Landelijke Vereniging voor Thuiszorg en de brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 15 juni 2009 (Kamerstukken II, 30 597, nr. 74). Het uittreksel uit het handelsregister, gehouden door de Kamer van Koophandel d.d. 26 oktober 2015. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering. Het uittreksel uit het handelsregister, gehouden door de Kamer van Koophandel d.d. 26 oktober 2015. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering. De processen-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 24 mei 2014, p. 179, 180, 188 en 189. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 november 2017. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 23 mei 2014, p. 58, 61, 66 tot en met 68. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 24 mei 2014, p. 88. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht d.d. 16 december 2015, p. 11 van het deeldossier Contone - Ontnemingsrapportage. Dit deeldossier maakt geen onderdeel uit van de doornummering. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 23 mei 2014, p. 59. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 24 mei 2014, p. 180 en 181. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 23 mei 2014, p. 177. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 23 mei 2014, p. 253 en 254. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 24 mei 2014, p. 256 en 258. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 23 mei 2014, p. 371. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 23 mei 2014, p. 376, 377 en 380. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 23 mei 2014, p. 379 en 380. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] d.d. 23 mei 2014, p. 449, 450 en 454. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 7] d.d. 25 mei 2014, p. 479. Het e-mailbericht van [medeverdachte 4] aan [naam rechercheur] d.d. 19 mei 2015, blad 2 tot en met 4. Dit schriftelijk bescheid maakt geen onderdeel uit van de doornummering. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 24 mei 2014, p. 322 in combinatie met het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 25 mei 2014, p. 336. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 24 mei 2014, p. 322. Het uittreksel uit het handelsregister, gehouden door de Kamer van Koophandel d.d. 26 oktober 2015. Dit schriftelijk bescheid maakt geen onderdeel uit van de doornummering. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 24 mei 2014, p. 319 en 320. Het uittreksel uit het handelsregister, gehouden door de Kamer van Koophandel d.d. 26 oktober 2015. Dit bescheid maakt geen deel uit van de doornummering. Onder andere: het verantwoordingsformulier PGB van [naam 1] , p. 2629 en 2630. De verzamelnota’s van [medeverdachte 1] voor [naam 1] , p. 2638 en 2639. De nota voor mevr. [budgethouder 17] , p. 2833. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 23 mei 2014, p. 316. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 25 mei 2014, p. 411. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 25 mei 2014, p. 113. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 3 juni 2014, p. 278. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 25 mei 2014, p. 412. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 24 juni 2014, p. 142. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 3 juni 2014, p. 284. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 17 juni 2014, p. 288. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 24 juni 2014, p. 145 en 147. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 5] d.d. 25 mei 2014, p. 414. Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdacht