Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-12-06
ECLI:NL:RBLIM:2017:12135
beschikking RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rekestnummer: C/03/240075 / HA RK 17-212 Beschikking van 6 december 2017 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats verzoeker] , verzoeker, advocaat mr. V.N. van Waterschoot, tegen naamloze vennootschap REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V. , gevestigd te Alkmaar, verweerster, advocaat mr. J.T. Suijdendorp. 1 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met producties, het verweerschrift, de mondelinge behandeling, de pleitnota van verzoeker. 2 De feiten 2.1. Verzoeker is op 5 oktober 2011 als fietser aangereden door een verzekerde van verweerster die in een personenauto reed. Voor deze aanrijding heeft verweerster als WAM-verzekeraar namens haar verzekerde aansprakelijkheid erkend. 2.2. Verzoeker heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. Ten tijde van het ongeval was verzoeker werkzaam als zelfstandig ondernemer en directeur van een transportbedrijf. In verband daarmee heeft verzoeker in het verleden een arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: AOV) afgesloten bij De Amersfoortse. 2.3. De Amersfoortse heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoeker per 6 oktober 2011 vastgesteld op 80-100%. Per 5 augustus 2014 is het percentage arbeidsongeschiktheid bijgesteld naar 25-35%. 3. Het geschil 3.1. Verzoeker verzoekt de rechtbank om: Primair: I. voor recht te verklaren dat de AOV van verzoeker, afgesloten bij De Amersfoortse, een sommenverzekering betreft; II. voor recht te verklaren dat verweerster geen beroep toekomt op verrekening van het verlies aan verdienvermogen met de uitkering van de AOV op grond van artikel 6:100 BW en verweerster aldus gehouden is om de volledige geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van verzoeker te vergoeden; Subsidiair: I. voor recht te verklaren dat, indien verweerster een beroep op verrekening van het verlies aan verdienvermogen met de uitkering van de AOV toekomt, alle door verzoeker betaalde jaarpremies en de mogelijk nog andere betaalde kosten van de sommenverzekering in mindering kunnen worden gebracht op het door verweerster te verrekenen bedrag. Zowel primair als subsidiair: de kosten van deze deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv te begroten op een bedrag van € 7.396,80 en verweerster te veroordelen tot betaling daarvan over te gaan, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na afgifte van de beschikking. 3.2. Verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de tussen hem en De Amersfoortse gesloten AOV een sommenverzekering is, zodat op grond van de geldende jurisprudentie geen plaats is voor verrekening van de uitkeringspenningen uit hoofde van de AOV. Verzoeker licht dit standpunt toe onder verwijzing naar (onder meer) de arresten Achmea/Cobussen (ECLI:NL:HR:2008:BD5828) en Verhaeg/Jenniskens (ECLI:NL:HR:2010:BM7808). 3.3. Verweerster voert verweer en stelt zich - zakelijk weergegeven - gemotiveerd op het standpunt dat de AOV aangemerkt dient te worden als een schadeverzekering. Gelet daarop is conform de geldende jurisprudentie sprake van een voordeel dat bij de vaststelling van de te vergoeden schade in (ver)rekening moet worden gebracht. Voorts voert verweerster gemotiveerd aan dat als er al sprake zou zijn van een sommenverzekering, op grond van de geldende jurisprudentie, ook dan geoordeeld moet worden dat verrekening op zijn plaats is. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Behandeling van de zaak in een deelgeschilprocedure 4.1. Allereerst moet worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen h Bovendien wordt bij de acceptatieprocedure van de AOV beoordeeld of de verzekerde bedragen reëel zijn en wordt gekeken naar het inkomen van de verzekerde. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat niet meer dan 80% van het inkomen verzekerd kan worden tegen arbeidsongeschiktheid (toelichting, kopje ‘Inkomen bij acceptatie’). Evenwel moet in ogenschouw worden genomen dat een verzekeraar een dergelijke bepaling pleegt op te nemen om ervoor te zorgen dat er een prikkel blijft bestaan voor de verzekeringnemer om het genezingsproces te bevorderen. 4.8. Echter, de polisvoorwaarden bevatten naar het oordeel van de rechtbank in overwegende mate elementen van een sommenverzekering. Allereerst is van belang dat niet uit de polisvoorwaarden kan worden afgeleid dat de verzekeraar, in geval van een schadeveroorzakende gebeurtenis, toetst of er daadwerkelijk sprake is van inkomensverlies en dus van schade. Gesteld noch gebleken is voorts dat De Amersfoortse heeft geïnformeerd naar de hoogte van de schade. Bovendien is de hoogte van de uitkering ook niet van die schade afhankelijk. Ingevolge artikel 15 van de polisvoorwaarden is de hoogte van de uitkering namelijk (uitsluitend) gekoppeld aan de mate van arbeidsongeschiktheid en de verzekerde jaarrente. De hoogte van de uitkering is aldus afhankelijk van een van tevoren vastgestelde verzekerde som en niet van het laatstelijk verdiende inkomen. Gelet daarop kan niet gesteld worden dat de hoogte van de van de bij arbeidsongeschiktheid te ontvangen uitkering afhankelijk is van het inkomen dat verzoeker op dat moment geniet. Voorts hecht de rechtbank bijzondere waarde aan het feit dat de polisvoorwaarden geen bepalingen bevatten op grond waarvan op de hoogte van de uitkering een correctie kan worden toegepast als de uitkering hoger blijkt te zijn dan het daadwerkelijk genoten inkomen. Evenmin bepalen de polisvoorwaarden dat eventueel aanvullend inkomen dat gedurende arbeidsongeschiktheid wordt genoten in mindering moet worden gebracht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het ontbreken van dergelijke correctie c.q. cumulatiebepalingen ziet de rechtbank een belangrijke aanwijzing dat de verzekering in belangrijke mate kwalificeert als een sommenverzekering. 4.9. Verweerster stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat uit de polisvoorwaarden volgt dat het inkomen van verzoeker zowel bij het aangaan van de verzekering als gedurende de gehele looptijd van de verzekering een belangrijke rol speelt. Verweerster verwijst daartoe onder meer naar artikel 27, welk artikel de verzekerde de mogelijkheid biedt om de verzekerde jaarrente(s) met maximaal 15% te verhogen, mits daarbij inkomensgegevens worden overgelegd. Het feit dat verzoeker bij een verhoging van de verzekerde jaarrente zijn inkomensgegevens dient te overleggen, betekent nog niet dat er een koppeling bestaat met het daadwerkelijke inkomen van de verzekerde gedurende de looptijd van de verzekering. Bovendien vereisen de polisvoorwaarden voor een verhoging van de verzekerde jaarrente niet dat er sprake moet zijn van een inkomensstijging. Ook uit artikel 26 van de polisvoorwaarden blijkt niet van een koppeling aan het inkomen van verzoeker. 4.10. Voorts verwijst verweerster naar artikel 22 lid 1 en 2 alsmede naar diverse passages uit de toelichting op de polisvoorwaarden, waaruit volgens haar ontegenzeglijk blijkt dat er sprake is van een koppeling tussen het inkomen en de verzekerde jaarrente en tussen de verzekerde jaarrente en de uitkering. Hoewel een gedeelte van de toelichting op de polisvoorwaarden duidt op een schadeverzekeringsaspect (doorgeven van wijzigingen bij incidentele/structurele inkomensdaling en doorgeven van geen of minder verzekerbaar belang bij hetgeen verzekerd is) is dit schadeverzekeringsaspect naar het oordeel van de rechtbank ondergeschikt aan een veel belangrijker sommenverzekeringsaspect (geen duidelijke koppeling van het verzekerd bedrag aan het werkelijk inkomen, de hoogte van de uitkering is niet van de schade Allereerst dient getoetst te worden of is voldaan aan de “instapvoorwaarde” (gezichtspunt a). De rechtbank stelt vast dat partijen eenstemmig zijn over het feit dat de AOV ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor de verzekerde van verzoeker aansprakelijk is. De rechtbank onderschrijft dat standpunt van partijen. Verweerster is immers aansprakelijk voor de gevolgen van het verzoeker op 5 oktober 2011 overkomen ongeval, dus ook voor de inkomensderving die verzoeker als gevolg van het ongeval heeft geleden. Hoewel de AOV-uitkering ook wordt uitgekeerd als er geen sprake is van daadwerkelijke inkomensschade, strekt deze evenwel ook tot het verlenen van een uitkering bij derving van inkomen bij arbeidsongeschiktheid (artikel 2 van de polisvoorwaarden). De AOV strekt er aldus toe dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor de verzekerde van verweerster aansprakelijk is. 4.16. Zoals al eerder is overwogen, doet gezichtspunt b. zich in het onderhavige geval niet voor nu de AOV in overwegende mate aangemerkt moet worden als een sommenverzekering. 4.17. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat de AOV door verzoeker zelf is afgesloten en betaald. Op grond van gezichtspunt c komt verrekening in het algemeen niet in aanmerking omdat het bestaan van een sommenverzekering een aangelegenheid is die de schadeplichtige in beginsel niet aangaat. Het afsluiten daarvan is een zuiver individuele en persoonlijke beslissing, zowel voor wat betreft de vraag of men een zodanige verzekering zal afsluiten als voor wat betreft de vraag voor welke bedragen men in verband daarmee bereid is te betalen. Verweerster heeft gewezen op de noot van Hartlief bij het arrest Verhaeg/Jenniskens. De rechtbank zoekt evenwel aansluiting bij de algemene formulering van de Hoge Raad dat een sommenverzekering een verzekering en aangelegenheid is die de schadeplichtige in beginsel niet aangaat. De enkele omstandigheid dat de benadeelde op grond van een door hemzelf aangegane AOV een maandelijkse uitkering ontvangt en daarnaast jegens de (verzekeraar van de) veroorzaker van het ongeval aanspraak kan maken op volledige vergoeding van zijn schade is onvoldoende om op grond daarvan aan te nemen dat verrekening dient plaats te vinden. 4.18. Verder wordt overwogen dat vast staat dat de premie voor de AOV is voldaan door verzoeker zelf, zodat gezichtspunt d. zich hier niet voordoet. De omstandigheid dat de in het geding zijnde aansprakelijkheid in onderhavig geval via een WAM-verzekering is gedekt, brengt op grond van gezichtspunt e. met zich dat verrekening van een uitkering ingevolge een sommenverzekering in het algemeen niet in overeenstemming met de redelijkheid zal zijn. 4.19. Naar het oordeel van de rechtbank is de aansprakelijkheid in dit geval gebaseerd op schuld en is onvoldoende gemotiveerd gesteld dat sprake zou zijn van een risicoaansprakelijkheid. Het eerste gedeelte van gezichtspunt f. is gelet daarop in het onderhavige geval niet van toepassing. Voorts heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de aansprakelijke persoon een verwijt van het schadebrengende feit kan worden gemaakt nu als onbetwist vast staat dat de aansprakelijke persoon als automobilist verzoeker bij het verlaten van een parkeerterrein over het hoofd heeft gezien en heeft aangereden (tweede deel van gezichtspunt f). 4.20. Bovenstaande toetsing aan de gezichtspunten als door de Hoge Raad geformuleerd in het arrest Verhaeg/Jenniskens brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat in dit geval de conclusie gerechtvaardigd is dat verrekening van de uitkering uit hoofde van de AOV niet redelijk is. Het voorgaande betekent dat de primaire vorderingen zullen worden toegewezen zoals hierna is overwogen. Aan een beoordeling van de subsidiaire vorderingen wordt derhalve niet meer toegekomen. De kosten 4.21. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van verzoeker te begroten en dient daarbij de redeli