Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-11-16
ECLI:NL:RBLIM:2017:11224
vonnis RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Team stafrecht Parketnummer: 96/221048-16 Datum uitspraak: 16 november 2017 Vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingslocatie Maastricht, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboortedatum] , wonende te [adres verdachte] . 1 Onderzoek van de zaak Dit vonnis is op tegenspraak ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2017, waarbij de officier van justitie en de raadsman, mr. J.W.E. Luiten, hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 21 oktober 2016 te Heerlen als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol heeft gereden. 3 De voorvragen Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan de daaraan krachtens de wet te stellen eisen voldoet. Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan; de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op het proces-verbaal ter zake artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 en de kopie van het rijbewijs van de verdachte, waaruit blijkt dat hij een beginnend bestuurder was ten tijde van de pleegdatum. Immers, het eerste rijbewijs, het rijbewijs AM, is afgegeven op 29 juni 2010. De zevenjaarstermijn voor beginnend bestuurders die hier van toepassing is, zou in het geval van de verdachte daarom op 19 juni 2017 verstrijken en de datum waarop het feit gepleegd is, is 21 oktober 2016. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman bepleit vrijspraak. Hij is van mening dat bij het bepalen of de verdachte een beginnend bestuurder was, moet worden gekeken naar de rijbewijscategorie die van toepassing is. Dat is hier de categorie B, het autorijbewijs, en niet de categorie AM, het bromfietsrijbewijs. Het rijbewijs B is afgegeven op 12 september 2012. Op dat moment was de verdachte meerderjarig en ving de wettelijke vijfjaarstermijn voor beginnend bestuurders aan. In de tenlastelegging wordt ten onrechte uitgegaan van de zevenjaarstermijn die geldt voor beginnend bestuurders die minderjarig waren ten tijde van de afgifte van het eerste rijbewijs. Het tenlastegelegde kan daarom niet worden bewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De feiten Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat het operationeel centrum in Maastricht op 21 oktober 2016 melding maakte van een bestuurder die vermoedelijk dronken een voertuig bestuurde op de Willem Barentzweg te Heerlen. De verdachte werd staande gehouden. Uit een blaastest volgde het resultaat A. Voorts werd medewerking gevorderd aan een ademanalyse op het politiebureau. Aan de verdachte is het resultaat van de ademanalyse medegedeeld, te weten 460 µg/l. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij vijf blikken bier van een halve liter had gedronken en dat hij daarna als bestuurder was opgetreden. Bij het proces-verbaal is een kopie gevoegd van het rijbewijs van de verdachte. Hieruit blijkt dat het rijbewijs voor de categorie AM voor het eerst is afgegeven op 29 juni 2010 toen de verdachte 17 jaar oud was en het rijbewijs voor de categorie B voor het eerst is afgegeven op 12 september 2012 toen de verdachte 19 jaar oud was. De politierechter ziet zich gesteld voor de vraag van welke datum moet worden uitgegaan bij de bepaling van het begin van de vijf- dan wel de zevenjaarstermijn. 4.3.2 De wetsgeschiedenis In de Memorie van toelichting behorende bij het wetsvoorstel Wijziging va 4.5 De kwalificatie Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994. 4.6 De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard. 5 De op te leggen straffen en/of maatregelen 5.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een geldboete ter hoogte van € 450,- bij niet-betaling of geen verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis, en daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. 5.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft zich niet uitgelaten over eventuele straftoemeting. 5.3 Het oordeel van de politierechter Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - als beginnend bestuurder rijden onder invloed. Door zijn handelwijze heeft de verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht. De politierechter heeft acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister betreffende de verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen voor een soortgelijk feit. Voor het bestraffen van het rijden onder invloed door een beginnend bestuurder is in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een oriëntatiepunt vastgesteld voor first offenders, te weten een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. De eis van de officier van justitie is conform dit oriëntatiepunt. De politierechter ziet geen reden om van dit oriëntatiepunt af te wijken. Alles afwegende, acht de politierechter het passend en geboden dat aan de verdachte een geldboete ter hoogte van € 450,-, bij niet-betaling of geen verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis, en daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren wordt opgelegd. 6 Toepasselijke wetsartikelen De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 7 De beslissing De politierechter: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen , zoals hierboven onder 4.4 is omschreven; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.5 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf - veroordeelt de verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 450,-, bij niet-betaling of geen verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis; - ontzegt de verdachte terzake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden; - bepaalt dat deze ontzegging niet wordt tenuitvoergelegd , tenzij de rechter alsnog de tenuitvoerlegging daarvan beveelt omdat de veroordeelde gedurende de proeftijd, welke wordt gesteld op twee jaren , de algemene voorwaarde heeft overtreden; - verstaat dat de wet als algemene voorwaarde stelt dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Dit vonnis is gewezen door: mr. P.H.M. Kuster, politierechter, in tegenwoordigheid van mw. S.L.M. van Venrooij, griffier, en is uitgesproken op 16 november 2017. BIJLAGE 1: DE TENLASTELEGGING Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij: op of omstreeks 21 oktober 2016 te Heerlen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit