Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-11-20
ECLI:NL:RBLIM:2017:11205
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 16/2287 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2017 in de zaak tussen [Naam], te [plaatsnaam], eiser, en de Belastingdienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: J. Chattou). Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de kinderopvangtoeslag 2014 van eiser definitief berekend op € 0,-. Bij besluit van 30 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit afgewezen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2017. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 10 februari 2017 heropend teneinde eiser gelegenheid te geven nadere bewijsstukken te overleggen. Eiser heeft daar geen gebruik van gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:57, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht achterwege gelaten. Het onderzoek is op 3 juli 2017 gesloten. Overwegingen 1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser voor het jaar 2014 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag. Zowel het vastgestelde inkomen van eiser als het vastgestelde inkomen van zijn toeslagpartner over 2014 bedroeg volgens het bestreden besluit € 0,-. Ten aanzien van de dienstbetrekking van de toeslagpartner van eiser heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in het jaar 2014 geen sprake was van tegenwoordige arbeid waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 werd genoten (artikel 1.6, eerste lid, onder a, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp)), omdat de toeslagpartner in 2014 in verband met die dienstbetrekking onbetaald ouderschapsverlof genoot. Ook is volgens verweerder niet vast komen te staan dat de toeslagpartner van eiser in 2014 zonder enige vergoeding arbeid verrichtte in de onderneming van eiser in de zin van artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (artikel 1.6, eerste lid, onder b, van de Wkkp). Hulp en bijstand die onder echtgenoten gebruikelijk is valt daar volgens verweerder niet onder. 2. Eiser heeft niet betwist dat zijn inkomen in het jaar 2014 € 0,- bedroeg. Hij is echter van mening recht te hebben op zorgtoeslag voor dat jaar. Daartoe voert hij aan dat het feit dat ten aanzien van zijn partner geen sprake was van betaald ouderschapsverlof maar van onbetaald ouderschapsverlof niet in de weg kan staan aan het toekennen van kinderopvangtoeslag. Voorts voert hij daartoe aan dat zijn toeslagpartner in het jaar 2014 meewerkte in zijn onderneming (een adviespraktijk) in de zin van artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals aannemen van de telefoon, verwerken van post en bijhouden van afspraken. Dat hiervan geen urenregistratie is bijgehouden acht eiser geen reden om geen kinderopvangtoeslag toe te kennen. Voor de inkomstenbelasting is deze registratie volgens eiser niet nodig omdat het niet declarabele werkzaamheden waren, althans werkzaamheden voor minder dan 525 uren. Daarnaast voert hij nog aan dat verweerder ten onrechte op het bezwaar heeft beslist zonder nadere bewijsstukken omtrent het ouderschapsverlof van zijn partner af te wachten. Hij weerspreekt dat in bezwaar tijdens de hoorzitting is afgesproken dat deze stukken vóór 16 mei 2016 zouden moeten worden opgestuurd. 3. De rechtbank overweegt met betrekking tot de beroepsgrond dat verweerder had moeten wacht op nadere bewijsstukken alvorens op het bezwaar van eiser te beslissen, het volgende. Het verslag van de hoorzitting van 28 april 2016 houdt onder meer in dat op die zitting is afgesproken dat eiser voor 16 mei 2016 nadere bewijsstukken zou opsturen aan verweerder. Eiser betwist die afspraak, maar heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd dat aanknopingspunten biedt voor zijn