Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-11-15
ECLI:NL:RBLIM:2017:11110
RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer 5961039 CV EXPL 17-3995 Vonnis van de kantonrechter van 15 november 2017 (bij vervroeging) in de zaak [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] wonend te [woonplaats] aan de [adres] verder ook aan te duiden als “ [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ” eisende partij in conventie / verwerende partij in reconventie gemachtigde mr. A. van den Eshoff, advocaat te Echt (gemeente Echt-Susteren) tegen STICHTING KOM LEREN statutair gevestigd te Maastricht en aldaar kantoor houdend aan het adres (6224 KV) Oranjeplein 201 verder ook aan te duiden als “SKL” gedaagde partij in conventie / eisende partij in reconventie gemachtigde mr. A.L.W.G. Houtakkers, advocaat te Maastricht 1 De procedure in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft SKL bij dagvaarding van 1 mei 2017 in rechte betrokken voor vorderingen als omschreven in het exploot van dagvaarding. Tegelijk daarmee zijn aan SKL in fotokopievorm drie producties (waarvan er één meervoudig was) betekend. SKL heeft - na herhaald uitstel - op 5 juli 2017 schriftelijk geantwoord. SKL heeft bij die gelegenheid ook een (voorwaardelijke?) eis in reconventie ingesteld. Verwezen is voor een en ander tevens naar zeven harerzijds bijgevoegde producties. Door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is op 9 augustus 2017 gerepliceerd in conventie en geantwoord in reconventie. Nadat SKL op 6 september 2017 voor dupliek / repliek geconcludeerd had, heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] op 4 oktober 2017 het schriftelijke debat afgerond met een dupliek in reconventie. Hierna is vonnis bepaald. De uitspraak is - bij vervroeging - op vandaag gesteld. 2 Het geschil in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie 2.1 [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert de veroordeling van SKL - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling aan haar van: achterstallig loon tot een bedrag van € 1 037,40 exclusief vakantiebijslag over het tijdvak 1 oktober 2016 tot en met (31) maart 2017, te vermeerderen met de (maximale) wettelijke verhoging (€ 518,70) op de voet van art. 7:625 BW en met de wettelijke rente over de som van deze bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum van algehele voldoening; verdere loonbedragen naar een bruto maandniveau van € 1 733,25 ‘inclusief’ (bedoeld zal zijn exclusief) vakantiebijslag over het tijdvak 1 april 2017 tot datum (toekomstig) einde arbeidsovereenkomst; achterstallige vakantiebijslag tot een bedrag van € 2 912,00 bruto over het tijdvak 24 augustus 2014 tot en met 31 mei 2016, te vermeerderen met de (maximale) wettelijke verhoging (€ 1 456,00) en met de wettelijke rente over de som van deze bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum van algehele voldoening; de kosten van dit geding en de nadere uitvoeringskosten bij executie van een veroordelend vonnis, alsmede de wettelijke rente over het te vergoeden kostenbedrag indien dit niet binnen veertien dagen na dagtekening vonnis voldaan mocht zijn. 2.2 [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] baseert haar vordering op de als eerste productie ingebrachte ‘arbeidsovereenkomst’ (‘Overeenkomst Coördinatie Tussenschoolse Opvang’) d.d. 14 oktober 2014 tussen haar en openbare bassischool “ [naam basisschool] ”, op een arrest dat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 19 juli 2016 wees in het hoger beroep van een vonnis in kort geding van de kantonrechter / voorzieningenrechter Maastricht waarbij [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en SKL partij waren (prod.2) en op loonspecificaties voor de maanden oktober 2016 tot en met februari 2017 (prod.3). Zij beschouwt - in lijn met het vonnis en het arrest waarop zij zich beroept - haar rechtsrelatie met SKL als een verhouding die berust op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur in de zin van art. 7:610 BW. Waar eerder in de overeenkomst van 14 o De vordering van haar kant behelst dat zij een verklaring van recht vraagt “dat de beloning ad EUR 1.733,33 die [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] thans ontvangt niet passend is bij de functie van coördinator ‘tussenschoolse’ opvang, hetgeen rechtvaardigt dat belasting, sociale premies, vakantiegeld, eindejaarsuitkering en overige emolumenten (secundaire arbeidsvoorwaarden) dienen te worden voldaan door kom Leren aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] uit de beloning van EUR 1.733,33 bruto”. In wezen is die reconventionele eis het spiegelbeeld of tegendeel van hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert en daarmee een herhaling in andere woorden van het verweer dat SKL tegen de vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] inbrengt. Sterk samengevat komt de stellingname van SKL er op neer dat zij voor de functie van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] verwijst naar de cao primair onderwijs en de daarin genoemde voorbeeldfuncties en dat de functie van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] dan vergeleken zou moeten worden met de normfunctie ‘assistent’ (in schaal 5), terwijl haar loon op het niveau van adjunct-directeur dan wel leraar uitkomt. SKL meent daarvoor steun te kunnen vinden in het arrest van 19 juli 2016, in het bijzonder rechtsoverweging 6.8.4. van die uitspraak. Hoewel SKL zegt dat zij zich na het arrest van het Hof en het daarin vervatte ‘oordeel’ dat de overeenkomst van opdracht als arbeidsovereenkomst beschouwd moet worden, ‘in haar lot (dient) te schikken’, wenst zij niet nog meer aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te betalen dan dit bedrag van € 25,00 per uur bruto (neerkomend op € 1 733,33 bruto per maand). Op basis van een in opdracht van SKL uitgevoerd onderzoek wordt de functie van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gewaardeerd op een indeling in schaal 5 met een maximum van € 2 357,00 bruto (bij een volledige werkweek) per 1 januari 2017. Dat leidt voor [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tot een maandbeloning van 16/40 x € 2 357,00 maakt € 942,80 bruto. 2.5 SKL rekent vervolgens voor hoe zij - in aanvulling op dat bedrag van € 942,80 - bedragen in mindering op het aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] verschuldigde maandbedrag van € 1 733,33 aan derden afdraagt dan wel voor [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] reserveert. Zij reserveert tot een totaal van € 180,75 per maand vakantiebijslag, eindejaarsuitkeringen en bijdragen dag van de leraar, terwijl per maand aan inkomensvergoeding en levensloopbijdrage een bedrag van € 21,33 maandelijks boven het vaste loonbedrag van € 942,80 uitbetaald wordt. De rest wordt aangemerkt als ‘toelage’ en is voorlopig op € 588,59 bruto bepaald. Het totaalbedrag van € 1 552,72 bruto waarop SKL per 1 maart 2017 het aldus bepaalde brutoloon wil(de) laten uitkomen, zou verklaard worden door het feit dat zij eigenlijk (door de ‘toelage’) de reserveringen voor vakantiebijslag en eindejaarsuitkeringen te laag gesteld had, hetgeen pas bij uitbetaling op de daarvoor bepaalde tijdstippen - mei respectievelijk december als ook de belastinginhouding plaatsvindt - tot uiting zal komen. 2.6 Nader heeft SKL bij dupliek benadrukt dat het nooit de bedoeling van SKL geweest is om een arbeidsovereenkomst met [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan te gaan. Nu daarvan toch uitgegaan moet worden, kan slechts tot uitgangspunt genomen worden dat het netto uurloon van € 25,00 hetzelfde bedrag bruto mocht zijn, maar er zijn nimmer afspraken gemaakt over ‘toekenning van vakantiegeld, eindejaarsuitkering en overige uitkeringen’. Die zijn aanvang 2015 ook niet betaald noch door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gedeclareerd. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] declareerde - net als de vrijwilligers aan wie zij naar eigen zeggen ‘leiding’ gaf - de gemaakte uren. Het plannen beslissende betekenis toegekend worden voor de vraag wat onder ‘€ 25,00 bruto per gewerkt uur’ in de verhouding tussen partijen verstaan zou moeten worden. Ten aanzien van het proces-verbaal is dit hiervoor al geoordeeld. Aan het slot van r.o. 6.8.4. van het bijna een halfjaar later gewezen arrest is ten aanzien van de beloning van € 25,00 per uur slechts overwogen dat het Hof niet kan vaststellen (en daar in het bestek van een kort geding ook geen oplossing voor kan bieden in de vorm van een opdracht tot onderzoek naar de waardering van de functie) of de beloning van € 25,00 per uur ‘zonder vakantiegeld, eindejaarsuitkering en overige emolumenten en voordelen uit hoofde van secundaire arbeidsvoorwaarden (zoals doorbetaling van loon tijdens ziekte), passend is bij de functie van coördinator’. Nadat partijen uit het Hof-arrest de gevolgtrekking gemaakt hadden dat zij met elkaar verder moesten op het pad van een gecontinueerde arbeidsovereenkomst, had het op de weg van SKL gelegen om de beloningskwestie alsnog prominent op de agenda te plaatsen en daarover met [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tot afspraken te komen, al dan niet op basis van een op gezamenlijk initiatief te starten functiewaarderingsonderzoek. In plaats daarvan heeft SKL gekozen voor de weg van eenzijdigheid, aldus miskennend dat zij nu te maken had met een werknemer in loondienst die de bescherming genoot van het arbeidsovereenkomstenrecht en ten aanzien van wier overeenkomst niet veel meer vastlag dan een (niet in de cao / het ‘functiegebouw’ ondergebrachte) functie met bijbehorende werkzaamheden, de omvang van de werkweek en de beloning van ieder werkuur met een bedrag van € 25,00 (sinds 17 februari 2016 door beide partijen als ‘bruto’ gedefinieerd). Deze opstelling van SKL verdraagt zich ook niet met de aanwijzing die het Hof aan het slot van r.o. 6.12. aan partijen gaf, dat het ‘aan hen’ (meervoud!) was om uitvoeringsafspraken te maken over eventuele wijziging van ‘de betalingsverplichting’ en het daarvoor noodzakelijk / wenselijk te achten ‘onderzoek’ (bijvoorbeeld in de vorm van functiewaardering) te (laten) verrichten. 3.3 Onder loon wordt in de verhouding werkgever / werknemer iedere vergoeding verstaan die de werkgever aan de werknemer geeft / verschuldigd is wegens het verrichten van de bedongen arbeid. In beginsel wordt het loon in bruto gedaante betaald. Onder bruto uurloon daarentegen worden niet alle in geld vastgestelde loonvormen begrepen die bijvoorbeeld voor de toepassing van art. 7:625 BW meetellen. Waar art. 7:625 BW ook het oog heeft op vakantiebijslag, het niet naar tijdruimte vastgestelde loon, provisie, tantième, bedongen gratificatie en de vergoeding wegens niet-genoten vakantie- of verlofdagen, ziet het periodeloon uitsluitend op het ‘kale loon’, de primaire arbeidsvoorwaarde die gerelateerd is aan het aantal gewerkte uren. Recente aanwijzingen zijn daarvoor ook te vinden in de wetsgeschiedenis die ten grondslag ligt aan de Wwz en aan het Besluit van 14 december 2014 tot vaststelling van regels over de inhoud van het begrip loon in het kader van de berekening van de hoogte van de vergoedingen ex art. 7:668 lid 3 BW en art. 7:673 BW. Als het loon naar tijdsduur begrensd is (zoals het geval is bij ‘uurloon’), worden andere loonelementen waarvoor een afwijkende berekeningsmethodiek en een ander betaalmoment gelden, daar niet mee geïmpliceerd. Voor zover dit kale periodeloon dan ook nog eens als ‘bruto’ gekwalificeerd wordt, heeft te gelden dat deze directe naar tijdsduur bepaalde tegenprestatie voor de arbeidsverrichting slechts tot uitbetaling komt nadat het aldus verkregen loonbedrag per periode - in een loonspecificatie verantwoord - onderworpen is aan inhouding van loonbelasting (loonheffing), pensioenpremie en werknemersdeel van de premie sociale verzekeringen, zodat een nettobedrag resteert. Dat wil in het geval van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zeggen dat het haar per loonperiode van een maand