Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-10-17
ECLI:NL:RBLIM:2017:10069
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Familie en jeugd zaaknummer: AWB/17/1393 JW R A uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2017 in de zaak tussen [eiseres] en [eiser] , beiden wonende te [woonplaats eisers] , hierna gezamenlijk te noemen: ‘eisers’ en ieder afzonderlijk: ‘eiseres’ en ‘eiser’, gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten, en Raad voor de Kinderbescherming , namens de Minister van Veiligheid en Justitie, hierna te noemen: ‘verweerder’, gemachtigde: mr. C.M.J. Göeken. 1 De feiten en het procesverloop 1.1. Eisers hebben de wens om hun drie kleinkinderen in hun gezin op te nemen. Dit betreffen de kinderen van de dochter van eisers: [kleinkind 1] , [kleinkind 2] en [kleinkind 3] (hierna: ‘de kleinkinderen’). Het gezag over de kleinkinderen berust thans bij hun ouders. Zij staan sinds 5 juli 2016 onder toezicht van de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: ‘de GI’) en zijn uit huis geplaatst in een gezinshuis. 1.2. In het gezin van eisers woont [halfbroer] , een halfbroer van de kleinkinderen. Eiseres is bij beschikking van de Rechtbank Roermond van 10 november 2010 benoemd tot voogd van [halfbroer] . 1.3. In verband met de wens van eisers om hun kleinkinderen in hun gezin op te nemen heeft de William Schrikker Groep Pleegzorg (hierna: ‘WSG’) op 27 november 2016 bij verweerder een verzoek ingediend om een ‘verklaring van geen bezwaar’ (hierna: vvgb) in de zin van artikel 5.1 lid 1 onder d van de Jeugdwet af te geven. Verweerder heeft op 23 januari 2017 op dat verzoek beslist (hierna: het besluit in primo). Daarbij heeft verweerder het verzoek afgewezen. 1.4. Tegen het besluit in primo is door eisers op 13 februari 2017 bezwaar aangetekend. Op 12 april 2017 heeft verweerder bij beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het besluit in primo bekrachtigd. 1.5. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft vervolgens stukken aan de rechtbank toegezonden. Daarbij is met een beroep op artikel 8:29, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘Awb’) verzocht om beperkte kennisname (dat wil zeggen: alleen kennisname door de rechtbank) van enkele van de toegezonden stukken. 1.6. Bij beslissingen van 27 juli 2017 en 27 september 2017 (AWB/ROE 17/ 1393) heeft een andere rechter van deze rechtbank bepaald dat de door verweerder op grond van artikel 8:29, eerste lid Awb verzochte beperking van de kennisneming van de overgelegde stukken (hierna: ‘de 8:29-stukken’), gerechtvaardigd is. Eisers hebben medegedeeld toestemming te verlenen om mede op grond van de 8:29-stukken uitspraak te doen. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder is mevrouw mr. C.M.J. Göeken verschenen. Op grond van artikel 8:26 Awb heeft de rechtbank besloten dat WSG niet in de gelegenheid wordt gesteld aan het geding deel te nemen. WSG is weliswaar formeel de verzoeker ter zake de afgifte van een vvgb, maar materieel zijn eisers als verzoekers aan te merken. 2 De gronden van het beroep 2.1. Eisers hebben aangevoerd dat een onvoldoende belangenafweging door verweerder heeft plaatsgevonden. Er zijn dermate positieve punten aanwezig tegenover het strafrechtelijk verleden van eiser, dat niet tot een afwijzing van de vvgb besloten had kunnen worden. Zo is niet bij het bestreden besluit betrokken dat eisers al jaren opvoeders van (jonge) kinderen zijn en dat er nooit zorgen of klachten over onveiligheid van de kinderen zijn geweest. Zo voeden zij al jaren [halfbroer] , de halfbroer van de kleinkinderen, op. Eisers hebben daarnaast ook hun gehandicapte dochter (inmiddels overleden) opgevoed en verzorgd (eiseres is verpleegster). Bovendien bestaat er een nauwe band tussen de kleinkinderen en eisers. Zij hebben de kleinkinderen voor de uithuisplaatsing regelmatig opgevangen en fungeerden ook als vangnet. Bij het bestreden besluit is tot sl Onder sub d staat de volgende voorwaarde opgenomen: “d. de pleegouder beschikt over een verklaring van geen bezwaar die is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen bezwarende feiten en omstandigheden zijn voor de plaatsing van een jeugdige. (..)” 4.2. Verweerder heeft beleidsregels opgesteld over hoe hij toetst of er bezwarende feiten en omstandigheden zijn voor de plaatsing van een jeugdige. Deze staan opgenomen in het protocol Afstand, Screening, adoptie en Afstammingsvragen (hierna: ‘ASAA’) van 31 oktober 2016, paragraaf 3.3.. Hierin staat dat een justitiële screening plaatsvindt, waarbij gekeken wordt in het JDS en het archief van verweerder. De vvgb wordt afgegeven, tenzij de ingewonnen informatie duidt op zodanige gedragingen, mentaliteit of omstandigheden (van een van) de aspirant-pleegouders, andere gezinsleden of bewoners, dat plaatsing van een pleegkind een gevaar voor het welzijn van deze minderjarige zou opleveren. Dit gevaar is in beginsel aanwezig indien sprake is (geweest) van: strafrechtelijke afdoening van overtredingen van zodanige aard en/of frequentie dat hieruit een gering verantwoordelijkheidsbesef blijkt; zaken die, ook als ze geseponeerd zijn, aanleiding geven tot mogelijke bijzondere risico’s zoals verdenking van zedenmisdrijven of kindermishandeling; eerdere contacten met de Raad met het beoogde pleeggezin zijn geweest in verzorgings- of opvoedingsproblematiek; strafrechtelijke afdoening inzake geweldsdelicten, ernstige vermogensdelicten en oplichtingsmisdrijven; Bij strafrechtelijke afdoening inzake een zedendelict of kindermishandeling wordt de afgifte altijd geweigerd. 4.3. Aangezien het bestreden besluit een beschikking is in de zin van artikel 1:3 van de Awb is, zijn tevens de algemene bepalingen in de Awb over besluiten en de bijzondere bepalingen over beschikkingen van toepassing. Dit zijn onder meer algemene voorschriften over zorgvuldigheid en belangenafweging, voorschriften over de bekendmaking van besluiten en over het vooraf horen van de belanghebbenden. 5 De beoordeling 5.1. De toets of zich al dan niet bezwarende feiten en omstandigheden voordoen om een pleegkind in het gezin op te kunnen nemen, kent beoordelingsvrijheid van verweerder, waaraan door de rechtbank terughoudend getoetst moet worden. Ter beoordeling van de rechtbank ligt daarom voor of verweerder in redelijkheid de afgifte van een vvgb heeft kunnen weigeren. 5.2. De rechtbank overweegt dat uit het JDS volgt dat door eiser meerdere strafbare feiten zijn gepleegd, waaronder ook geweldsdelicten. Het meest recente delict waarvoor eiser veroordeeld is (wegens mishandeling van een beroepsbeoefenaar) dateert van 10 januari 2016. Uit de beleidsregels van verweerder volgt dat de vvgb in beginsel vanwege die omstandigheden geweigerd kan worden. Alvorens tot een weigering van de vvgb te kunnen komen, dient verweerder echter een belangenafweging te verrichten en bovendien dient door verweerder te worden nagegaan of de naleving van de beleidsregel in dit geval evenredig is aan de daarmee te dienen doelen. Dit bepaalt artikel 3:4 Awb. 5.3. Uit de bestreden beslissing, alsmede de toelichting daarop ter zitting, blijkt niet dat verweerder een volledige en evenredige belangenafweging heeft verricht. Zo heeft verweerder onvoldoende bij zijn besluitvorming betrokken dat hij in 2009 wél een vvgb afgaf terzake eisers. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt in hoeverre de omstandigheden bij eisers zodanig veranderd of anders zijn, dat dit het weigeren van een vvgb thans rechtvaardigt. Ook het gegeven dat [halfbroer] inmiddels al negen jaar bij eisers woont en dat het goed met hem gaat (ook blijkens een recent onderzoek van verweerder), is niet in de belangenafweging betrokken. 5.4. Daarbij komt dat conclusies die verweerder wel bij zijn beoordeling heeft meegenomen, niet ondersteund worden door concrete voorbeelden, een onderbouwing of stukken. Zo stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres meermaals he