Rechtspraak Rechtbank Limburg 2017-10-18
ECLI:NL:RBLIM:2017:10043
RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: AWB/ROE 16/1541 en 16/1543 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 oktober 2017 in de zaken tussen AWB 16/1541: Sitech Services B.V. te Geleen, eiseres (hierna: Sitech), (gemachtigde: mr. N.H. van den Biggelaar), AWB 16/1543: AnQore B.V. te Sittard, eiseres (hierna: AnQore), (gemachtigde: mr. J.H.W. Koster) en het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg, verweerder, (gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink) Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: Dunea N.V. te Zoetermeer (gemachtigde: mr. H.J. Breeman), Evides N.V. te Rotterdam (gemachtigde: mr. M.G.J. Maas-Cooymans), N.V. Waterleidingmaatschappij te Maastricht, (gemachtigde: mr. J. Stoop). Procesverloop Bij besluit van 25 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Sitech een wijzigingsvergunning op grond van de Waterwet verleend voor het lozen van pyrazoolhoudend afvalwater. Sitech en Anqore hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Evides N.V. heeft verwezen naar het beroepschrift dat de drinkwaterbedrijven hebben ingediend in de procedure met zaaknummer AWB 16/2041. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Sitech is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [naam 1] . Anqore is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam 3] en ir. M.E.A. Gerits. Van de derde-partijen heeft Dunea N.V. zich laten vertegenwoordigen door mr. M.G.J. Maas-Cooymans en door [naam 4] en [naam 5] . Evides N.V. heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.G.J. Maas-Cooymans en N.V. Waterleidingmaatschappij Limburg door mr. J. Stoop. Overwegingen 1. Aan DSM Manufacturing Center B.V. (rechtsvoorganger van Sitech) is op 20 februari 2006 onder nummer V2005-124 een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) verleend voor het lozen van effluent, afkomstig van de Integrale Afvalwater Zuiverings Installatie (IAZI), in het oppervlaktewater genaamd de Zijtak Ur te Stein. Deze vergunning is daarna diverse malen gewijzigd en heeft een geldigheidstermijn tot 16 april 2016. 2. Op 22 december 2009 zijn de Waterwet en de Invoeringswet Waterwet in werking getreden en is de Wvo ingetrokken. Ingevolge artikel 2.25, eerste lid, van de Invoeringswet Waterwet wordt de vergunning van 20 februari 2006 gelijkgesteld met een vergunning op grond van de Waterwet. 3. Verweerder heeft op 4 september 2015 een aanvraag van Sitech ontvangen voor een wijzigingsvergunning op grond van de Waterwet voor het verrichten van handelingen in een watersysteem. De wijzigingsaanvraag betreft het verzoek om pyrazoolhoudend water te mogen lozen. De aanvraag is daarna diverse malen aangevuld. In de aanvraag is verzocht om een tijdelijke normering voor pyrazool in het effluent van maximaal 70 µg/l als daggemiddelde waarde (24 uurs volumeproportioneel opbouwmonster) en 45 µg/l als voortschrijdend rekenkundig gemiddelde van 10 achtereenvolgende etmaalmonsters voor de periode tot en met september 2016. Tevens is verzocht om een definitieve normering voor pyrazool in het effluent van maximaal 70 µg/l als daggemiddelde waarde (24 uurs volumeproportioneel opbouwmonster) en 30 µg/l als voortschrijdend rekenkundig gemiddelde van 10 achtereenvolgende etmaalmonsters. Ten slotte is nog een tijdelijke situatie aangevraagd waarin 1 maal per maand een piekwaarde van 70 < X < 400 µg/l aan pyrazool in het effluent wordt toegestaan waarbij een doelgerichte meldingswijze wordt gehanteerd. 4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aangevraagde vergunning voor het wijzigen van de op 20 februari 2006 tot 16 april 2016 verleende vergunning voor het lozen van afvalwater, afkomstig van de IAZI, in het oppervlaktewater genaamd de Zijtak Ur te Stein, verleend onder de in het besluit gestelde voorschriften en de aangevraagde vergunning voor het mee Dat maakt immers nog niet dat pyrazool onderdeel uitmaakt van de aanvraag voor de latere wijzigingsvergunningen. Deze beroepsgronden slagen daarom niet. 11. Subsidiair hebben Sitech en AnQore zich op het standpunt gesteld dat de bij het bestreden besluit gestelde normen onaanvaardbaar en disproportioneel zijn, hetgeen leidt tot een kostbare wijze van bedrijfsvoering, terwijl ook bij een minder strenge normering geen sprake is van relevante effecten voor het milieu en de volksgezondheid. Zij betogen dat alle installaties op de Chemelot Site voldoen aan BBT en dat ook de IAZI voldoet aan de BREF CWW (Common Waste en Waste Gas). Uit de final draft BREF toets blijkt dat de IAZI met betrekking tot verwijdering van pyrazool een rendement kan halen van > 99,9%. Inherent aan de bedrijfsvoering en onvermijdelijk is echter dat variaties in de afvalwatersamenstelling optreden die kunnen worden veroorzaakt door allerlei geplande en ongeplande oorzaken. Door een geringe variatie in aanbod of samenstelling in de totale afvalwaterstroom naar de IAZI kan het biologisch systeem en daarmee het rendement van de afbraak worden beïnvloed, waardoor dit tijdelijk met enkele procenten kan dalen. De door Sitech aangevraagde normering van 70 µg/l per etmaalmonster en 30 µg/l per voortschrijdend gemiddelde van etmaalmonsters houdt een verwijderingsrendement in van respectievelijk 99% en 99,6%. Gezien de gevoeligheid van de biologische zuivering en de factoren die de werking kunnen beïnvloeden, zoals de periodieke grote onderhoudstops van de verschillende fabrieken, stelt Sitech meer tijd nodig te hebben om het proces verder te optimaliseren. Sitech heeft er daarbij op gewezen dat zij altijd een integrale afweging moet maken voor de afbraak van de diverse afvalstoffen in het afvalwater. Maximale afbraak van de ene stof mag daarbij niet resulteren in een onaanvaardbaar lagere afbraak van een andere stof. De thans opgelegde normering is volgens Sitech afgeleid uit een niet representatieve bedrijfssituatie en dwingt tot onverantwoorde maatregelen. Sitech betoogt dat de strikte normering leidt tot aanzienlijke en kostbare beperkingen in de reguliere bedrijfsvoering. Zo worden bijvoorbeeld twee van de drie beschikbare bergingen als buffer gebruikt. Dit terwijl er geen definitieve normstelling voor pyrazool in het kader van de oppervlaktewaterkwaliteit of de drinkwaterkwaliteit voorhanden is en er geen officiële gezondheidskundige grenswaarde voor pyrazool is vastgesteld. Uit de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 27 augustus 2015 blijkt dat tot 27 augustus 2017 Maaswater met een concentratie tot maximaal 15 µg/l kan worden ingenomen ten behoeve van de drinkwatervoorziening en dat dit geen gevaar voor de volksgezondheid oplevert. Deze conservatieve norm levert rekenkundig een maximale waarde op van 150 µg/l bij het lozingspunt uitgaande van een minimaal Maasdebiet van 10 m³/s. Verder is uit onderzoek gebleken dat pyrazool met 98% zekerheid niet genotoxisch is. Sitech wijst erop dat uit artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet geen primaat kent van de vervulling van maatschappelijke functies (het drinkwaterbelang) door watersystemen. 12. Verweerder heeft de tijdelijke norm vastgesteld na een afweging van het belang van Sitech (en AnQore) enerzijds en de belangen van de Waterwet, waaronder met name het belang van de drinkwatervoorziening. Ter bepaling van de (tijdelijke) norm voor pyrazool is belang gehecht aan de brief van de Minister van 27 augustus 2015, de Duitse GOW-oriëntatiewaarde en de door de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de uitspraak van 18 november 2015 bepaalde norm. Verweerder wijst erop dat de IAZI naar huidige inzichten als BBT wordt beschouwd en dat het verwijderingsrendement van pyrazool in een stabiele bedrijfssituatie meer dan 99% bedraagt. Gebleken is dat het proces gevoelig is voor verstoringen. Om die reden heeft verweerder tevens een voorschrift (artikel 34) opgenomen dat pyrazoolhoudend afvalwater te all