ECLI:NL:RBLIM:2016:6296
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 15/3367
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2016 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.P. van der Beek-Verdoorn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen, verweerder
(gemachtigde: [naam 2] ).
Bij besluit van 23 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van
1 juli 2015 de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet (Pw) toegepast op de uitkering van eiseres.
Bij besluit van 15 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen 15/3421, 15/3220 en 15/3232, ter openbare zitting van 31 mei 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 3] Verweerder is niet verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de genoemde beroepen is afzonderlijk uitspraak gedaan.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout (voorzitter), mr. A.W.P. Letschert, en mr. P.J. Voncken leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op: 22 juli 2016
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
1. Eiseres ontvangt met ingang van 22 april 2009 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Met ingang van 1 januari 2015 ontvangt eiseres een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), naar de norm voor een alleenstaande.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten de uitkering van eiseres op grond van de Pw te wijzigen per 1 juli 2015 met toepassing van de zogenaamde kostendelersnorm, aangezien eiseres de kosten van zijn levensonderhoud kan delen met een medebewoner. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kostendelersnorm vanaf 1 juli 2015 van toepassing is op eiseres en dat zich geen uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 22, derde en vierde lid, van de Pw, voordoet.
4. Eiseres voert in beroep aan dat zij op basis van een schriftelijke overeenkomst een kamer huurt van haar vader en een commerciële prijs betaalt voor de kamer en geleverde diensten. Eiseres kan haar kosten niet delen en heeft derhalve geen lagere bestaanskosten. De vader van eiseres dient dan ook buiten beschouwing te worden gelaten bij de berekening van het totaal aantal personen dat in die woning hoofdverblijf hebben, betoogt zij. De uitkering van eiseres dient daarom volgens haar onveranderd naar de norm van een alleenstaande te worden doorbetaald. Dat de uitzondering op de kostendelersnorm van artikel 22a, vierde lid, sub b van de Pw niet van toepassing is op zakelijke relaties tussen bloed- en aanverwanten in de eerste of tweede graad acht eiseres in strijd met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is volgens eiseres sprake van eigendomsontneming als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP). Eiseres is bovendien van mening dat artikel 22a van de Pw in strijd is met Europese en andere regelgeving op het terrein van sociale grondrechten.
5. Bij de beoordeling van de beroepsgronden is het navolgende wettelijk kader van belang.
6. In artikel 18, eerste lid, van de Pw is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
In artikel 22a, eerste lid, van de Pw is bepaald dat indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende is:
(40% + A x 30%): A x B
Hierbij staat:
• A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; en
• B voor de rekennorm.
In artikel 22a, derde lid, van de Pw is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op de belanghebbende:
a. die gehuwd is en die niet met een of meer andere meerderjarige personen dan de echtgenoot in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, tenzij die echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft; of
b. die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt.
In artikel 22a, vierde lid, van de Pw is bepaald dat tot de personen, bedoeld in het eerste lid, niet worden gerekend:
a. de persoon die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt,
b. de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft,
c. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger, en
d. de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering kan bestaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering, de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en de persoon die een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt.
7. De rechtbank stelt vast dat niet betwist is dat eiseres haar hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als haar vader.
8. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat er sprake is van discriminatie nu de uitzondering op de kostendelersnorm van artikel 22a, vierde lid, sub b van de Pw niet van toepassing is op zakelijke relaties tussen bloed- en aanverwanten in de eerste of tweede graad. Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 14 van het EVRM.
8.1 De rechtbank overweegt, dat artikel 14 van het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar slechts die behandeling die als een ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de rechten van de mens, dient een ongerechtvaardigd onderscheid te worden aangenomen, indien voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Dit doet zich voor indien dat onderscheid geen legitiem doel dient of er geen redelijke proportionele verhouding is tussen de gebruikte middelen en het doel dat daarmee wordt beoogd te realiseren.
8.2 De vraag ligt voor of er voor het in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw gemaakte onderscheid in een geval als het voorliggende een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Voor beantwoording van deze vraag is de Memorie van Toelichting op artikel 22a van de Pw van belang.
8.3 Naar het oordeel van de rechtbank zijn aan de in de Memorie van Toelichting op artikel 22a, eerste lid, en artikel 22a, vierde lid, van de Pw en de artikelsgewijze toelichting, ontleende uitgangspunten, in het bijzonder dat de relatie tussen een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad nimmer een zakelijke relatie kan zijn, redelijke en objectieve gronden te ontlenen voor het in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, gemaakte onderscheid. De rechtbank stelt vast dat voormeld uitgangspunt weliswaar te absoluut is geformuleerd maar acht het in overeenstemming met de maatschappelijk realiteit dat dit slechts bij hoge uitzondering anders zal zijn. Voor de conclusie dat in dit geval van zo’n uitzondering sprake is, ziet de rechtbank in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid en dat artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw niet in strijd is met artikel 14 EVRM.
9. Ten aanzien van de vraag of er door toepassing van de kostendelersnorm sprake is van eigendomsontneming en de toepassing in strijd is met artikel 1 van het EP, overweegt de rechtbank dat op grond van vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 29 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3541) onder de term “eigendom” (of “possessions”) in dit artikel ook vermogensbestanddelen moeten worden verstaan, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe een betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd.
Als sprake is van “possessions” en daarmee van ontneming van eigendom, als bedoeld in de tweede zin van artikel 1 van het EP, dient te worden getoetst of aan de in dat artikel geformuleerde voorwaarden voor die eigendomsontneming is voldaan.