Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2015-12-17
ECLI:NL:RBLIM:2015:10603
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
14,067 tokens
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/1479
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2015 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: M.J.M. Bergers),
en
de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: M.A. Groeneweg, mr. J. Jansen)
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) doorgezonden naar het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), omdat de verzochte documenten niet onder verweerder berusten.
Bij besluit van 16 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015.
Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.
Ingevolge artikel 4 wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
2. Bij brief van 19 augustus 2014 heeft eiser verzocht hem op grond van de Wob de volgende informatie te verstrekken:
het meest recente CJIB zaakoverzicht;
een kopie van het administratief beroepschrift;
het CVOM voorbewerkingsformulier;
de bijbehorende foto;
het tekstbestand, behorend bij de foto.
3. Bij het besluit van 12 september 2014 heeft verweerder dit verzoek in het geheel doorgestuurd naar het CJIB, omdat de verzochte documenten niet onder verweerder berusten.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
5. Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het door eiser ingestelde beroep te komen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen.
6. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (het BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13, van het BW, buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
7. Voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen is van belang dat verweerder, onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129, ECLI:NL:RVS:2014:4135, ECLI:NL:RVS:2014:4185) en 10 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1824) heeft aangevoerd dat eiser vertegenwoordigd wordt door een gemachtigde wiens handelwijze blijk geeft van misbruik van een wettelijke bevoegdheid. Verweerder heeft hierbij onder andere gewezen op de veelheid aan Wob-verzoeken en daarmee samenhangende procedures, de keuze om informatieverzoeken op grond van de Wob te doen, het ongeloofwaardige onderzoek, foutieve adressering, verkapte Wob-verzoeken en ingebrekestellingen of het bemoeilijken van de herkenning van bepaalde stukken als zodanig, het verzoeken om documenten waarvan gemachtigde van eiser weet dat deze hoogstwaarschijnlijk niet bij verweerder berusten en het doorprocederen indien het stuk reeds (via een ander bestuursorgaan) is ontvangen.
8. Zoals uit de onder 7 vermelde uitspraken volgt, zijn zwaarwichtige gronden vereist om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Ter beoordeling van de vraag of een zodanige situatie zich in dit geval voordoet, overweegt de rechtbank als volgt.
9. Verweerder heeft ten aanzien van gemachtigde van eiser uiteengezet dat hij alleen al bij verweerder in de periode 2013 tot en met 1 september 2015 186 administratieve beroepen, 169 Wob-verzoeken, 93 bezwaarschriften en 98 ingebrekestellingen heeft ingediend en dat dit in deze periode heeft geleid tot 102 beroepen bij de rechtbank en tot
10 hoger beroepen. Ten aanzien van eiser heeft verweerder opgemerkt dat ook hij bekend staat als ‘veel-wobber’, nu hij in 2014 21 Wob-verzoeken heeft ingediend, gevolgd door
11 ingebrekestellingen en 23 bezwaarschriften. In 2015 heeft eiser tot 1 september 2015
2 administratieve beroepen, 2 Wob-verzoeken, 5 bezwaren en 9 beroepen ingediend.
Volgens verweerder blijkt dat het financiële belang van gemachtigde van eiser bij de gevoerde procedures boven het belang van cliënten wordt geplaatst uit het feit dat deze gemachtigde bij deze verweerder in de hiervoor genoemde periode een bedrag van ruim
€ 99.000,- aan dwangsommen heeft geïncasseerd. Dat gemachtigde van eiser al dan niet in samenwerking met eiser in voorgaande jaren grote bedragen aan overheidsgelden heeft geïncasseerd, heeft er volgens verweerder niet toe geleid dat hij zijn handelwijze heeft willen aanpassen. De rechtbank constateert dat, ondanks dat verweerder deze getallen en het bedrag niet met precieze gegevens heeft onderbouwd, hieruit en uit het feit dat tussen partijen niet in geschil is (en de rechtbank ook ambtshalve bekend is) dat gemachtigde van eiser grote aantallen Wob-verzoeken bij deze verweerder heeft ingediend en daaruit voortvloeiende procedures tegen deze verweerder voert, in elk geval kan worden geconcludeerd dat gemachtigde van eiser als zogenaamde ‘repeat player’ kan worden aangemerkt.
9.1.
Met de onder rechtsoverweging 9 genoemde cijfers heeft verweerder verder aan willen geven dat behalve gemachtigde van eiser ook eiser zelf ervaring heeft in het indienen van bezwaar en beroep. Nu staat het een ieder in het bestuursrecht vrij de keuze te maken om al dan niet gebruik te maken van juridische bijstand, maar volgens verweerder wordt het inschakelen van juridische bijstand door eiser en diens gemachtigde gezien als ingang om tot een proceskostenveroordeling te komen.
10. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat ook het feit dat betrokkenen (de personen die de verkeersboetes hebben gekregen) formeel geen partij zijn in onderhavige beroepsprocedures en zij naar alle waarschijnlijkheid niet op de hoogte zijn van het feit dat het CJIB nummer inzake een aan hun opgelegde boetebeschikking op de hierboven beschreven wijze wordt gebruikt door eiser en zijn gemachtigde, een reden is om aan te nemen dat sprake is van misbruik van procesrecht. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Op grond van de Wob is het mogelijk overheidsinformatie op te vragen en het is daarbij aan de bestuursorganen zelf om een inschatting te maken welke gegevens uit de opgevraagde documenten al dan niet (geanonimiseerd) verstrekt kunnen worden. Het opvragen van documenten waarin persoonsgegevens van derden voorkomen, die niet op de hoogte zijn van de op grond van de Wob opgevraagde informatie, is derhalve, naar het oordeel van de rechtbank, op zichzelf geen indicator van misbruik van procesrecht.
11. Onder verwijzing naar de voormelde uitspraken van 19 november 2014, overweegt de rechtbank dat met openbaarmaking op grond van de Wob wordt beoogd dat een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. De omstandigheid dat in artikel 3, derde lid, van de Wob is bepaald dat de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met dit oogmerk is toegekend. Misbruik van recht kan zich voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Derhalve kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert (rechter), in aanwezigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
17 december 2015.
w.g. Y.L.J. Damoiseaux,
griffier
w.g. A.W.P. Letschert,
voorzitter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 17 december 2015
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/1479
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2015 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: M.J.M. Bergers),
en
de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: M.A. Groeneweg, mr. J. Jansen)
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) doorgezonden naar het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), omdat de verzochte documenten niet onder verweerder berusten.
Bij besluit van 16 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015.
Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.
Ingevolge artikel 4 wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
2. Bij brief van 19 augustus 2014 heeft eiser verzocht hem op grond van de Wob de volgende informatie te verstrekken:
het meest recente CJIB zaakoverzicht;
een kopie van het administratief beroepschrift;
het CVOM voorbewerkingsformulier;
de bijbehorende foto;
het tekstbestand, behorend bij de foto.
3. Bij het besluit van 12 september 2014 heeft verweerder dit verzoek in het geheel doorgestuurd naar het CJIB, omdat de verzochte documenten niet onder verweerder berusten.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
5. Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het door eiser ingestelde beroep te komen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen.
6. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (het BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13, van het BW, buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
7. Voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen is van belang dat verweerder, onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129, ECLI:NL:RVS:2014:4135, ECLI:NL:RVS:2014:4185) en 10 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1824) heeft aangevoerd dat eiser vertegenwoordigd wordt door een gemachtigde wiens handelwijze blijk geeft van misbruik van een wettelijke bevoegdheid. Verweerder heeft hierbij onder andere gewezen op de veelheid aan Wob-verzoeken en daarmee samenhangende procedures, de keuze om informatieverzoeken op grond van de Wob te doen, het ongeloofwaardige onderzoek, foutieve adressering, verkapte Wob-verzoeken en ingebrekestellingen of het bemoeilijken van de herkenning van bepaalde stukken als zodanig, het verzoeken om documenten waarvan gemachtigde van eiser weet dat deze hoogstwaarschijnlijk niet bij verweerder berusten en het doorprocederen indien het stuk reeds (via een ander bestuursorgaan) is ontvangen.
8. Zoals uit de onder 7 vermelde uitspraken volgt, zijn zwaarwichtige gronden vereist om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Ter beoordeling van de vraag of een zodanige situatie zich in dit geval voordoet, overweegt de rechtbank als volgt.
9. Verweerder heeft ten aanzien van gemachtigde van eiser uiteengezet dat hij alleen al bij verweerder in de periode 2013 tot en met 1 september 2015 186 administratieve beroepen, 169 Wob-verzoeken, 93 bezwaarschriften en 98 ingebrekestellingen heeft ingediend en dat dit in deze periode heeft geleid tot 102 beroepen bij de rechtbank en tot
10 hoger beroepen. Ten aanzien van eiser heeft verweerder opgemerkt dat ook hij bekend staat als ‘veel-wobber’, nu hij in 2014 21 Wob-verzoeken heeft ingediend, gevolgd door
11 ingebrekestellingen en 23 bezwaarschriften. In 2015 heeft eiser tot 1 september 2015
2 administratieve beroepen, 2 Wob-verzoeken, 5 bezwaren en 9 beroepen ingediend.
Volgens verweerder blijkt dat het financiële belang van gemachtigde van eiser bij de gevoerde procedures boven het belang van cliënten wordt geplaatst uit het feit dat deze gemachtigde bij deze verweerder in de hiervoor genoemde periode een bedrag van ruim
€ 99.000,- aan dwangsommen heeft geïncasseerd. Dat gemachtigde van eiser al dan niet in samenwerking met eiser in voorgaande jaren grote bedragen aan overheidsgelden heeft geïncasseerd, heeft er volgens verweerder niet toe geleid dat hij zijn handelwijze heeft willen aanpassen. De rechtbank constateert dat, ondanks dat verweerder deze getallen en het bedrag niet met precieze gegevens heeft onderbouwd, hieruit en uit het feit dat tussen partijen niet in geschil is (en de rechtbank ook ambtshalve bekend is) dat gemachtigde van eiser grote aantallen Wob-verzoeken bij deze verweerder heeft ingediend en daaruit voortvloeiende procedures tegen deze verweerder voert, in elk geval kan worden geconcludeerd dat gemachtigde van eiser als zogenaamde ‘repeat player’ kan worden aangemerkt.
9.1.
Met de onder rechtsoverweging 9 genoemde cijfers heeft verweerder verder aan willen geven dat behalve gemachtigde van eiser ook eiser zelf ervaring heeft in het indienen van bezwaar en beroep. Nu staat het een ieder in het bestuursrecht vrij de keuze te maken om al dan niet gebruik te maken van juridische bijstand, maar volgens verweerder wordt het inschakelen van juridische bijstand door eiser en diens gemachtigde gezien als ingang om tot een proceskostenveroordeling te komen.
10. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat ook het feit dat betrokkenen (de personen die de verkeersboetes hebben gekregen) formeel geen partij zijn in onderhavige beroepsprocedures en zij naar alle waarschijnlijkheid niet op de hoogte zijn van het feit dat het CJIB nummer inzake een aan hun opgelegde boetebeschikking op de hierboven beschreven wijze wordt gebruikt door eiser en zijn gemachtigde, een reden is om aan te nemen dat sprake is van misbruik van procesrecht. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Op grond van de Wob is het mogelijk overheidsinformatie op te vragen en het is daarbij aan de bestuursorganen zelf om een inschatting te maken welke gegevens uit de opgevraagde documenten al dan niet (geanonimiseerd) verstrekt kunnen worden. Het opvragen van documenten waarin persoonsgegevens van derden voorkomen, die niet op de hoogte zijn van de op grond van de Wob opgevraagde informatie, is derhalve, naar het oordeel van de rechtbank, op zichzelf geen indicator van misbruik van procesrecht.
11. Onder verwijzing naar de voormelde uitspraken van 19 november 2014, overweegt de rechtbank dat met openbaarmaking op grond van de Wob wordt beoogd dat een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. De omstandigheid dat in artikel 3, derde lid, van de Wob is bepaald dat de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met dit oogmerk is toegekend. Misbruik van recht kan zich voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Derhalve kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert (rechter), in aanwezigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
17 december 2015.
w.g. Y.L.J. Damoiseaux,
griffier
w.g. A.W.P. Letschert,
voorzitter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 17 december 2015
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Inleiding
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/1479
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2015 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: M.J.M. Bergers),
en
de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: M.A. Groeneweg, mr. J. Jansen)
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) doorgezonden naar het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), omdat de verzochte documenten niet onder verweerder berusten.
Bij besluit van 16 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015.
Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.
Ingevolge artikel 4 wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
2. Bij brief van 19 augustus 2014 heeft eiser verzocht hem op grond van de Wob de volgende informatie te verstrekken:
het meest recente CJIB zaakoverzicht;
een kopie van het administratief beroepschrift;
het CVOM voorbewerkingsformulier;
de bijbehorende foto;
het tekstbestand, behorend bij de foto.
3. Bij het besluit van 12 september 2014 heeft verweerder dit verzoek in het geheel doorgestuurd naar het CJIB, omdat de verzochte documenten niet onder verweerder berusten.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
5. Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het door eiser ingestelde beroep te komen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen.
6. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (het BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13, van het BW, buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
7. Voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen is van belang dat verweerder, onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129, ECLI:NL:RVS:2014:4135, ECLI:NL:RVS:2014:4185) en 10 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1824) heeft aangevoerd dat eiser vertegenwoordigd wordt door een gemachtigde wiens handelwijze blijk geeft van misbruik van een wettelijke bevoegdheid. Verweerder heeft hierbij onder andere gewezen op de veelheid aan Wob-verzoeken en daarmee samenhangende procedures, de keuze om informatieverzoeken op grond van de Wob te doen, het ongeloofwaardige onderzoek, foutieve adressering, verkapte Wob-verzoeken en ingebrekestellingen of het bemoeilijken van de herkenning van bepaalde stukken als zodanig, het verzoeken om documenten waarvan gemachtigde van eiser weet dat deze hoogstwaarschijnlijk niet bij verweerder berusten en het doorprocederen indien het stuk reeds (via een ander bestuursorgaan) is ontvangen.
8. Zoals uit de onder 7 vermelde uitspraken volgt, zijn zwaarwichtige gronden vereist om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Ter beoordeling van de vraag of een zodanige situatie zich in dit geval voordoet, overweegt de rechtbank als volgt.
9. Verweerder heeft ten aanzien van gemachtigde van eiser uiteengezet dat hij alleen al bij verweerder in de periode 2013 tot en met 1 september 2015 186 administratieve beroepen, 169 Wob-verzoeken, 93 bezwaarschriften en 98 ingebrekestellingen heeft ingediend en dat dit in deze periode heeft geleid tot 102 beroepen bij de rechtbank en tot
10 hoger beroepen. Ten aanzien van eiser heeft verweerder opgemerkt dat ook hij bekend staat als ‘veel-wobber’, nu hij in 2014 21 Wob-verzoeken heeft ingediend, gevolgd door
11 ingebrekestellingen en 23 bezwaarschriften. In 2015 heeft eiser tot 1 september 2015
2 administratieve beroepen, 2 Wob-verzoeken, 5 bezwaren en 9 beroepen ingediend.
Volgens verweerder blijkt dat het financiële belang van gemachtigde van eiser bij de gevoerde procedures boven het belang van cliënten wordt geplaatst uit het feit dat deze gemachtigde bij deze verweerder in de hiervoor genoemde periode een bedrag van ruim
€ 99.000,- aan dwangsommen heeft geïncasseerd. Dat gemachtigde van eiser al dan niet in samenwerking met eiser in voorgaande jaren grote bedragen aan overheidsgelden heeft geïncasseerd, heeft er volgens verweerder niet toe geleid dat hij zijn handelwijze heeft willen aanpassen. De rechtbank constateert dat, ondanks dat verweerder deze getallen en het bedrag niet met precieze gegevens heeft onderbouwd, hieruit en uit het feit dat tussen partijen niet in geschil is (en de rechtbank ook ambtshalve bekend is) dat gemachtigde van eiser grote aantallen Wob-verzoeken bij deze verweerder heeft ingediend en daaruit voortvloeiende procedures tegen deze verweerder voert, in elk geval kan worden geconcludeerd dat gemachtigde van eiser als zogenaamde ‘repeat player’ kan worden aangemerkt.
9.1.
Met de onder rechtsoverweging 9 genoemde cijfers heeft verweerder verder aan willen geven dat behalve gemachtigde van eiser ook eiser zelf ervaring heeft in het indienen van bezwaar en beroep. Nu staat het een ieder in het bestuursrecht vrij de keuze te maken om al dan niet gebruik te maken van juridische bijstand, maar volgens verweerder wordt het inschakelen van juridische bijstand door eiser en diens gemachtigde gezien als ingang om tot een proceskostenveroordeling te komen.
10. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat ook het feit dat betrokkenen (de personen die de verkeersboetes hebben gekregen) formeel geen partij zijn in onderhavige beroepsprocedures en zij naar alle waarschijnlijkheid niet op de hoogte zijn van het feit dat het CJIB nummer inzake een aan hun opgelegde boetebeschikking op de hierboven beschreven wijze wordt gebruikt door eiser en zijn gemachtigde, een reden is om aan te nemen dat sprake is van misbruik van procesrecht. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Op grond van de Wob is het mogelijk overheidsinformatie op te vragen en het is daarbij aan de bestuursorganen zelf om een inschatting te maken welke gegevens uit de opgevraagde documenten al dan niet (geanonimiseerd) verstrekt kunnen worden. Het opvragen van documenten waarin persoonsgegevens van derden voorkomen, die niet op de hoogte zijn van de op grond van de Wob opgevraagde informatie, is derhalve, naar het oordeel van de rechtbank, op zichzelf geen indicator van misbruik van procesrecht.
11. Onder verwijzing naar de voormelde uitspraken van 19 november 2014, overweegt de rechtbank dat met openbaarmaking op grond van de Wob wordt beoogd dat een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. De omstandigheid dat in artikel 3, derde lid, van de Wob is bepaald dat de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met dit oogmerk is toegekend. Misbruik van recht kan zich voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Derhalve kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert (rechter), in aanwezigheid van mr. Y.L.J. Damoiseaux, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
17 december 2015.
w.g. Y.L.J. Damoiseaux,
griffier
w.g. A.W.P. Letschert,
voorzitter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 17 december 2015
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Overwegingen
De rechtbank verwijst in dit kader tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3118).
11.1.
Eiser stelt dat hij onderzoek verricht naar de werkwijze van verweerder. Hij wilde bekijken in hoeverre sprake is van standaard afwijzingen van administratieve beroepen; hoe de administratieve beroepen eruit zien indien deze door een burger of een jurist worden ingediend; welke informatie verweerder opstelt bij een procedure in het kader van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en welke informatie daarin is terug te vinden en in welke gevallen de CVOM over onderliggende stukken (zoals de foto) beschikt. Aanleiding voor dit onderzoek zijn de mediaberichten over de zaken die misgaan bij het opleggen van verkeersboetes zoals onder andere de boetes die door de RDW worden geconstateerd. Maar ook andere zaken die misgaan. Eiser stelt daarom op www.rechtspraak.nl te hebben gekeken naar uitspraken die te maken hebben met de Wahv en vervolgens de onderliggende stukken te hebben opgevraagd met betrekking tot die gepubliceerde uitspraken.
11.2.
Verweerder stelt dat het onderzoek zoals hiervoor is weergegeven ongeloofwaardig is. De bronverzameling en de toelichting daarop suggereert volgens verweerder dat eiser een kwantitatief onderzoek uitvoert, terwijl dit niet blijkt uit de feiten. Eiser heeft immers slechts verzocht om informatie bij 21 dossiers, terwijl verweerder jaarlijks 446.000 administratieve beroepschriften ontvangt. Volgens verweerder kan eiser op deze manier nooit een totaalbeeld krijgen, terwijl hij wel suggereert een totaalbeeld te willen krijgen.
11.3.
Met de voorhanden zijnde informatie over het onderzoek is het voor de rechtbank niet mogelijk te achterhalen of sprake is van een oprecht onderzoek of dat het onderzoek een middel zou zijn om verzoeken op basis van de Wob te verantwoorden, zoals verweerder in feite stelt. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder wel in zoverre, dat de onderzoeksvragen en de probleemstelling met de informatie uit 21 dossiers niet gedegen beantwoord kunnen worden, omdat deze bronverzameling daarvoor te gering is en geen significante onderzoekwaarden zal opleveren.
12. Voorts overweegt de rechtbank dat, gelet op de ruime kennis en ervaring van eiser en diens gemachtigde, ervan moet worden uitgegaan dat zij ermee bekend zijn dat zij de gevraagde documenten betreffende de opgelegde verkeersboete op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 11, vierde lid en 19, vierde lid, van de Wahv hadden kunnen opvragen. Dat zij hier niet voor gekozen hebben wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest om het informatieverzoek op de Wob te baseren, hetgeen overigens ook door gemachtigde wordt bevestigd. Gezien de kennis en ervaring van eiser en diens gemachtigde moet er tevens van worden uitgegaan dat zij ermee bekend waren dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, anders dan een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de voormelde Wahv-bepalingen gebaseerd informatieverzoek, er toe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan, in geval van niet-tijdige besluitvorming, aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Voor zover door gemachtigde van eiser is betoogd dat met een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de Wahv-bepalingen gebaseerd verzoek de (voor het deugdelijk kunnen aanvechten van een verkeersboete) beoogde informatie niet tijdig dan wel niet zo spoedig mogelijk kan worden verkregen, wijst de rechtbank op de in het navolgende in deze uitspraak beschreven inefficiënte handelingen, die een tijdige besluitvorming konden bemoeilijken en waarvoor door gemachtigde geen (plausibele) verklaring is gegeven.
13. Zo heeft eiser zijn Wob-verzoeken in de meeste gevallen ‘verkapt’ ingediend, zodat de herkenning van het Wob-verzoek kan worden bemoeilijkt. Van belang hierbij is dat in deze brieven bij ‘Betreft’ nimmer de woorden ‘Wob-verzoek’ of woorden van gelijke strekking zijn gebruikt. In het onderhavige geval heeft eiser bij ‘Betreft’ de woorden ‘verzoek betreffende CJIB nummer [nummer] ’ gebruikt. Dat uit de inhoud van de brief vervolgens wél blijkt dat het om een Wob-verzoek gaat, doet volgens de rechtbank in zoverre niet af aan de mogelijke bemoeilijking van de herkenning van het verzoek. Van bestuursorganen hoeft immers niet te worden verwacht dat zij elk poststuk integraal lezen om ze vervolgens te kunnen sorteren om ze naar de juiste afdeling onder de juiste noemer door te zenden, terwijl van een professionele rechtsbijstandverlener toch mag worden verwacht dat hij duidelijk en zo specifiek en volledig mogelijk is in zijn omschrijving van het onderwerp van de brief. De rechtbank overweegt dat eiser met zijn handelwijze moet hebben geweten dat het de praktische werkbaarheid en daarmee de tijdige besluitvorming onnodig kan bemoeilijken. Hoewel het eiser zelf is die het Wob-verzoek heeft ingediend, is het de gemachtigde van eiser die de procedures (samen met eiser) voortzet.
14. In het verlengde van rechtsoverweging 13 acht de rechtbank van belang dat, behalve de Wob-verzoeken, ook de ingebrekestellingen die de gemachtigde van eiser veelvuldig aan verweerder heeft verzonden, in de meeste gevallen ‘verkapt’ zijn ingediend. Zo is bij ‘Betreft’ in deze brieven nimmer de term ‘ingebrekestelling’ opgenomen, maar zijn termen als ‘klacht’, ‘rappel’, ‘uitblijven besluit bezwaarschrift’, opgenomen, zoals ook in deze zaak het geval is. De rechtbank wijst erop dat ook hier van een professionele rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij duidelijk, specifiek en volledig is in zijn omschrijving. Deze verkapte wijze van in gebreke stellen bemoeilijkt de herkenning, hetgeen de gemachtigde van eiser moet hebben geweten.
15. Voorts is van belang dat eiser zijn Wob-verzoek met grote regelmaat, ook in het onderhavige geval, onder vermelding van een verkeerd postbusnummer aan verweerder heeft verzonden, terwijl het juiste postadres aan hem in eerdere zaken en de onderhavige zaak is meegedeeld en derhalve bekend was. Verweerder heeft er op gewezen dat eiser zijn correspondentie heeft gericht aan postbus 50000, verweerders algemene postbusnummer voor Mulderzaken. Verweerder wijst erop dat eiser hiermee bekend is en dat hij er ook mee bekend is dat Wob-gerelateerde correspondentie aan postbus 8533 dient te worden gericht. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat het richten van correspondentie aan een onjuist postadres kan leiden tot vertraging in de behandeling. De rechtbank voegt hieraan toe dat ook in dit geval geldt dat hoewel het eiser is die het verkeerde postbusnummer heeft gebruikt, het gemachtigde van eiser is die vervolgens (samen met eiser) verder is gaan procederen.
15.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder onduidelijk of onvolledig is geweest in het aangeven waar correspondentie aan gericht dient te worden of hoe procedures dienen te worden gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat van een persoon die op grote schaal bij deze verweerder procedures voert als de onderhavige mag worden verwacht dat hij correspondentie naar het juiste adres verzendt. Ook hier merkt de rechtbank op dat hoewel het eiser is die het verkeerde postadres heeft gebruikt, het de gemachtigde van eiser is die de procedures (samen met eiser) voortzet.
15.2.
Nu gemachtigde van eiser vele bestuursrechtelijke procedures heeft gevoerd, onder andere over Wob-verzoeken en het niet tijdig nemen van een besluit, wordt hij, zoals eerder al gezegd, geacht te beschikken over ruime kennis en ervaring op het gebied van het bestuursrecht en de Wob en de Wahv in het bijzonder.
16. Ter zitting is door verweerder opgemerkt dat het CJIB het zaakoverzicht reeds aan eiser had verstrekt voordat eiser in bezwaar is gegaan tegen het primaire besluit. In het bezwaarschrift heeft (de gemachtigde van) eiser echter volhard in zijn verzoek om toezending van het zaakoverzicht.
Overwegingen
De rechtbank verwijst in dit kader tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3118).
11.1.
Eiser stelt dat hij onderzoek verricht naar de werkwijze van verweerder. Hij wilde bekijken in hoeverre sprake is van standaard afwijzingen van administratieve beroepen; hoe de administratieve beroepen eruit zien indien deze door een burger of een jurist worden ingediend; welke informatie verweerder opstelt bij een procedure in het kader van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en welke informatie daarin is terug te vinden en in welke gevallen de CVOM over onderliggende stukken (zoals de foto) beschikt. Aanleiding voor dit onderzoek zijn de mediaberichten over de zaken die misgaan bij het opleggen van verkeersboetes zoals onder andere de boetes die door de RDW worden geconstateerd. Maar ook andere zaken die misgaan. Eiser stelt daarom op www.rechtspraak.nl te hebben gekeken naar uitspraken die te maken hebben met de Wahv en vervolgens de onderliggende stukken te hebben opgevraagd met betrekking tot die gepubliceerde uitspraken.
11.2.
Verweerder stelt dat het onderzoek zoals hiervoor is weergegeven ongeloofwaardig is. De bronverzameling en de toelichting daarop suggereert volgens verweerder dat eiser een kwantitatief onderzoek uitvoert, terwijl dit niet blijkt uit de feiten. Eiser heeft immers slechts verzocht om informatie bij 21 dossiers, terwijl verweerder jaarlijks 446.000 administratieve beroepschriften ontvangt. Volgens verweerder kan eiser op deze manier nooit een totaalbeeld krijgen, terwijl hij wel suggereert een totaalbeeld te willen krijgen.
11.3.
Met de voorhanden zijnde informatie over het onderzoek is het voor de rechtbank niet mogelijk te achterhalen of sprake is van een oprecht onderzoek of dat het onderzoek een middel zou zijn om verzoeken op basis van de Wob te verantwoorden, zoals verweerder in feite stelt. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder wel in zoverre, dat de onderzoeksvragen en de probleemstelling met de informatie uit 21 dossiers niet gedegen beantwoord kunnen worden, omdat deze bronverzameling daarvoor te gering is en geen significante onderzoekwaarden zal opleveren.
12. Voorts overweegt de rechtbank dat, gelet op de ruime kennis en ervaring van eiser en diens gemachtigde, ervan moet worden uitgegaan dat zij ermee bekend zijn dat zij de gevraagde documenten betreffende de opgelegde verkeersboete op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 11, vierde lid en 19, vierde lid, van de Wahv hadden kunnen opvragen. Dat zij hier niet voor gekozen hebben wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest om het informatieverzoek op de Wob te baseren, hetgeen overigens ook door gemachtigde wordt bevestigd. Gezien de kennis en ervaring van eiser en diens gemachtigde moet er tevens van worden uitgegaan dat zij ermee bekend waren dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, anders dan een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de voormelde Wahv-bepalingen gebaseerd informatieverzoek, er toe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan, in geval van niet-tijdige besluitvorming, aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Voor zover door gemachtigde van eiser is betoogd dat met een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de Wahv-bepalingen gebaseerd verzoek de (voor het deugdelijk kunnen aanvechten van een verkeersboete) beoogde informatie niet tijdig dan wel niet zo spoedig mogelijk kan worden verkregen, wijst de rechtbank op de in het navolgende in deze uitspraak beschreven inefficiënte handelingen, die een tijdige besluitvorming konden bemoeilijken en waarvoor door gemachtigde geen (plausibele) verklaring is gegeven.
13. Zo heeft eiser zijn Wob-verzoeken in de meeste gevallen ‘verkapt’ ingediend, zodat de herkenning van het Wob-verzoek kan worden bemoeilijkt. Van belang hierbij is dat in deze brieven bij ‘Betreft’ nimmer de woorden ‘Wob-verzoek’ of woorden van gelijke strekking zijn gebruikt. In het onderhavige geval heeft eiser bij ‘Betreft’ de woorden ‘verzoek betreffende CJIB nummer [nummer] ’ gebruikt. Dat uit de inhoud van de brief vervolgens wél blijkt dat het om een Wob-verzoek gaat, doet volgens de rechtbank in zoverre niet af aan de mogelijke bemoeilijking van de herkenning van het verzoek. Van bestuursorganen hoeft immers niet te worden verwacht dat zij elk poststuk integraal lezen om ze vervolgens te kunnen sorteren om ze naar de juiste afdeling onder de juiste noemer door te zenden, terwijl van een professionele rechtsbijstandverlener toch mag worden verwacht dat hij duidelijk en zo specifiek en volledig mogelijk is in zijn omschrijving van het onderwerp van de brief. De rechtbank overweegt dat eiser met zijn handelwijze moet hebben geweten dat het de praktische werkbaarheid en daarmee de tijdige besluitvorming onnodig kan bemoeilijken. Hoewel het eiser zelf is die het Wob-verzoek heeft ingediend, is het de gemachtigde van eiser die de procedures (samen met eiser) voortzet.
14. In het verlengde van rechtsoverweging 13 acht de rechtbank van belang dat, behalve de Wob-verzoeken, ook de ingebrekestellingen die de gemachtigde van eiser veelvuldig aan verweerder heeft verzonden, in de meeste gevallen ‘verkapt’ zijn ingediend. Zo is bij ‘Betreft’ in deze brieven nimmer de term ‘ingebrekestelling’ opgenomen, maar zijn termen als ‘klacht’, ‘rappel’, ‘uitblijven besluit bezwaarschrift’, opgenomen, zoals ook in deze zaak het geval is. De rechtbank wijst erop dat ook hier van een professionele rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij duidelijk, specifiek en volledig is in zijn omschrijving. Deze verkapte wijze van in gebreke stellen bemoeilijkt de herkenning, hetgeen de gemachtigde van eiser moet hebben geweten.
15. Voorts is van belang dat eiser zijn Wob-verzoek met grote regelmaat, ook in het onderhavige geval, onder vermelding van een verkeerd postbusnummer aan verweerder heeft verzonden, terwijl het juiste postadres aan hem in eerdere zaken en de onderhavige zaak is meegedeeld en derhalve bekend was. Verweerder heeft er op gewezen dat eiser zijn correspondentie heeft gericht aan postbus 50000, verweerders algemene postbusnummer voor Mulderzaken. Verweerder wijst erop dat eiser hiermee bekend is en dat hij er ook mee bekend is dat Wob-gerelateerde correspondentie aan postbus 8533 dient te worden gericht. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat het richten van correspondentie aan een onjuist postadres kan leiden tot vertraging in de behandeling. De rechtbank voegt hieraan toe dat ook in dit geval geldt dat hoewel het eiser is die het verkeerde postbusnummer heeft gebruikt, het gemachtigde van eiser is die vervolgens (samen met eiser) verder is gaan procederen.
15.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder onduidelijk of onvolledig is geweest in het aangeven waar correspondentie aan gericht dient te worden of hoe procedures dienen te worden gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat van een persoon die op grote schaal bij deze verweerder procedures voert als de onderhavige mag worden verwacht dat hij correspondentie naar het juiste adres verzendt. Ook hier merkt de rechtbank op dat hoewel het eiser is die het verkeerde postadres heeft gebruikt, het de gemachtigde van eiser is die de procedures (samen met eiser) voortzet.
15.2.
Nu gemachtigde van eiser vele bestuursrechtelijke procedures heeft gevoerd, onder andere over Wob-verzoeken en het niet tijdig nemen van een besluit, wordt hij, zoals eerder al gezegd, geacht te beschikken over ruime kennis en ervaring op het gebied van het bestuursrecht en de Wob en de Wahv in het bijzonder.
16. Ter zitting is door verweerder opgemerkt dat het CJIB het zaakoverzicht reeds aan eiser had verstrekt voordat eiser in bezwaar is gegaan tegen het primaire besluit. In het bezwaarschrift heeft (de gemachtigde van) eiser echter volhard in zijn verzoek om toezending van het zaakoverzicht.
Overwegingen
De rechtbank verwijst in dit kader tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3118).
11.1.
Eiser stelt dat hij onderzoek verricht naar de werkwijze van verweerder. Hij wilde bekijken in hoeverre sprake is van standaard afwijzingen van administratieve beroepen; hoe de administratieve beroepen eruit zien indien deze door een burger of een jurist worden ingediend; welke informatie verweerder opstelt bij een procedure in het kader van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en welke informatie daarin is terug te vinden en in welke gevallen de CVOM over onderliggende stukken (zoals de foto) beschikt. Aanleiding voor dit onderzoek zijn de mediaberichten over de zaken die misgaan bij het opleggen van verkeersboetes zoals onder andere de boetes die door de RDW worden geconstateerd. Maar ook andere zaken die misgaan. Eiser stelt daarom op www.rechtspraak.nl te hebben gekeken naar uitspraken die te maken hebben met de Wahv en vervolgens de onderliggende stukken te hebben opgevraagd met betrekking tot die gepubliceerde uitspraken.
11.2.
Verweerder stelt dat het onderzoek zoals hiervoor is weergegeven ongeloofwaardig is. De bronverzameling en de toelichting daarop suggereert volgens verweerder dat eiser een kwantitatief onderzoek uitvoert, terwijl dit niet blijkt uit de feiten. Eiser heeft immers slechts verzocht om informatie bij 21 dossiers, terwijl verweerder jaarlijks 446.000 administratieve beroepschriften ontvangt. Volgens verweerder kan eiser op deze manier nooit een totaalbeeld krijgen, terwijl hij wel suggereert een totaalbeeld te willen krijgen.
11.3.
Met de voorhanden zijnde informatie over het onderzoek is het voor de rechtbank niet mogelijk te achterhalen of sprake is van een oprecht onderzoek of dat het onderzoek een middel zou zijn om verzoeken op basis van de Wob te verantwoorden, zoals verweerder in feite stelt. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder wel in zoverre, dat de onderzoeksvragen en de probleemstelling met de informatie uit 21 dossiers niet gedegen beantwoord kunnen worden, omdat deze bronverzameling daarvoor te gering is en geen significante onderzoekwaarden zal opleveren.
12. Voorts overweegt de rechtbank dat, gelet op de ruime kennis en ervaring van eiser en diens gemachtigde, ervan moet worden uitgegaan dat zij ermee bekend zijn dat zij de gevraagde documenten betreffende de opgelegde verkeersboete op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 11, vierde lid en 19, vierde lid, van de Wahv hadden kunnen opvragen. Dat zij hier niet voor gekozen hebben wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest om het informatieverzoek op de Wob te baseren, hetgeen overigens ook door gemachtigde wordt bevestigd. Gezien de kennis en ervaring van eiser en diens gemachtigde moet er tevens van worden uitgegaan dat zij ermee bekend waren dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, anders dan een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de voormelde Wahv-bepalingen gebaseerd informatieverzoek, er toe kan leiden dat het aangezochte bestuursorgaan, in geval van niet-tijdige besluitvorming, aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen. Voor zover door gemachtigde van eiser is betoogd dat met een op artikel 7:18, vierde lid, van de Awb of de Wahv-bepalingen gebaseerd verzoek de (voor het deugdelijk kunnen aanvechten van een verkeersboete) beoogde informatie niet tijdig dan wel niet zo spoedig mogelijk kan worden verkregen, wijst de rechtbank op de in het navolgende in deze uitspraak beschreven inefficiënte handelingen, die een tijdige besluitvorming konden bemoeilijken en waarvoor door gemachtigde geen (plausibele) verklaring is gegeven.
13. Zo heeft eiser zijn Wob-verzoeken in de meeste gevallen ‘verkapt’ ingediend, zodat de herkenning van het Wob-verzoek kan worden bemoeilijkt. Van belang hierbij is dat in deze brieven bij ‘Betreft’ nimmer de woorden ‘Wob-verzoek’ of woorden van gelijke strekking zijn gebruikt. In het onderhavige geval heeft eiser bij ‘Betreft’ de woorden ‘verzoek betreffende CJIB nummer [nummer] ’ gebruikt. Dat uit de inhoud van de brief vervolgens wél blijkt dat het om een Wob-verzoek gaat, doet volgens de rechtbank in zoverre niet af aan de mogelijke bemoeilijking van de herkenning van het verzoek. Van bestuursorganen hoeft immers niet te worden verwacht dat zij elk poststuk integraal lezen om ze vervolgens te kunnen sorteren om ze naar de juiste afdeling onder de juiste noemer door te zenden, terwijl van een professionele rechtsbijstandverlener toch mag worden verwacht dat hij duidelijk en zo specifiek en volledig mogelijk is in zijn omschrijving van het onderwerp van de brief. De rechtbank overweegt dat eiser met zijn handelwijze moet hebben geweten dat het de praktische werkbaarheid en daarmee de tijdige besluitvorming onnodig kan bemoeilijken. Hoewel het eiser zelf is die het Wob-verzoek heeft ingediend, is het de gemachtigde van eiser die de procedures (samen met eiser) voortzet.
14. In het verlengde van rechtsoverweging 13 acht de rechtbank van belang dat, behalve de Wob-verzoeken, ook de ingebrekestellingen die de gemachtigde van eiser veelvuldig aan verweerder heeft verzonden, in de meeste gevallen ‘verkapt’ zijn ingediend. Zo is bij ‘Betreft’ in deze brieven nimmer de term ‘ingebrekestelling’ opgenomen, maar zijn termen als ‘klacht’, ‘rappel’, ‘uitblijven besluit bezwaarschrift’, opgenomen, zoals ook in deze zaak het geval is. De rechtbank wijst erop dat ook hier van een professionele rechtsbijstandverlener mag worden verwacht dat hij duidelijk, specifiek en volledig is in zijn omschrijving. Deze verkapte wijze van in gebreke stellen bemoeilijkt de herkenning, hetgeen de gemachtigde van eiser moet hebben geweten.
15. Voorts is van belang dat eiser zijn Wob-verzoek met grote regelmaat, ook in het onderhavige geval, onder vermelding van een verkeerd postbusnummer aan verweerder heeft verzonden, terwijl het juiste postadres aan hem in eerdere zaken en de onderhavige zaak is meegedeeld en derhalve bekend was. Verweerder heeft er op gewezen dat eiser zijn correspondentie heeft gericht aan postbus 50000, verweerders algemene postbusnummer voor Mulderzaken. Verweerder wijst erop dat eiser hiermee bekend is en dat hij er ook mee bekend is dat Wob-gerelateerde correspondentie aan postbus 8533 dient te worden gericht. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat het richten van correspondentie aan een onjuist postadres kan leiden tot vertraging in de behandeling. De rechtbank voegt hieraan toe dat ook in dit geval geldt dat hoewel het eiser is die het verkeerde postbusnummer heeft gebruikt, het gemachtigde van eiser is die vervolgens (samen met eiser) verder is gaan procederen.
15.1.
Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder onduidelijk of onvolledig is geweest in het aangeven waar correspondentie aan gericht dient te worden of hoe procedures dienen te worden gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat van een persoon die op grote schaal bij deze verweerder procedures voert als de onderhavige mag worden verwacht dat hij correspondentie naar het juiste adres verzendt. Ook hier merkt de rechtbank op dat hoewel het eiser is die het verkeerde postadres heeft gebruikt, het de gemachtigde van eiser is die de procedures (samen met eiser) voortzet.
15.2.
Nu gemachtigde van eiser vele bestuursrechtelijke procedures heeft gevoerd, onder andere over Wob-verzoeken en het niet tijdig nemen van een besluit, wordt hij, zoals eerder al gezegd, geacht te beschikken over ruime kennis en ervaring op het gebied van het bestuursrecht en de Wob en de Wahv in het bijzonder.
16. Ter zitting is door verweerder opgemerkt dat het CJIB het zaakoverzicht reeds aan eiser had verstrekt voordat eiser in bezwaar is gegaan tegen het primaire besluit. In het bezwaarschrift heeft (de gemachtigde van) eiser echter volhard in zijn verzoek om toezending van het zaakoverzicht.