Rechtspraak Rechtbank Leeuwarden 2005-01-27
ECLI:NL:RBLEE:2005:AS4003
Strafrecht
Rechtbank Leeuwarden Sector strafrecht VERKORT VONNIS Uitspraak: 27 januari 2005 Parketnummer: 17/021117-04 VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres] De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 13 januari 2005. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend. TELASTELEGGING Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. BEWEZENVERKLARING Allereerst overweegt de rechtbank ten aanzien van de rechtmatigheid van het gegeven bevel krachtens artikel 98 van de Wet Personenvervoer 2000 - hierna verder te noemen: het treinverbod - het volgende. Uit de redactie van het treinverbod blijkt het te gaan om een bevel gegeven in het kader van toezicht en opsporing ingevolge artikel 87 van de Wet Personenvervoer 2000 -hierna verder te noemen: de Wet. De tekst van het treinverbod is echter niet op alle punten even duidelijk. Zo wordt in de tekst gesproken van een aanwijzing op grond van artikel 72 van de Wet, terwijl een dergelijke bevoegdheid enkel uit artikel 73 van de Wet kan voortvloeien. Voorts is het de rechtbank niet duidelijk wat de steller van het verbod heeft beoogd met "het geven van een aanwijzing om geen gebruik te maken van reizigerstreinen." Immers, een aanwijzing kan moeilijk anders gezien worden dan een beperking of voorschrift ter zake van de uitoefening van een bevoegdheid, terwijl NoordNed B.V. nu juist heeft bedoeld verdachte gedurende een termijn van drie maanden het algehele gebruik van de vervoersvoorziening te ontzeggen. Nu echter het treinverbod het opschrift "treinverbod" bevat en ook elders in de tekst meerdere malen melding wordt gemaakt van het begrip "treinverbod" is de rechtbank van oordeel, mede gelet op de verklaring van verdachte in het proces-verbaal van verhoor, dat hij op de hoogte is geweest van het doel en de strekking van het hem overhandigde verbod. Verder is voor de rechtsgeldigheid van het verbod nog het volgende van belang. Vastgesteld is dat verdachte zich in ieder geval meer dan 50 maal schuldig heeft gemaakt aan het reizen zonder geldig vervoersbewijs, waardoor hij zich even zo vaak schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 70 van de Wet. Verdachte heeft een waarschuwing gekregen met de strekking dat de eerstvolgende overtreding van genoemd artikel zou leiden tot een treinverbod. Verdachte heeft deze waarschuwing genegeerd en zich wederom schuldig gemaakt aan het reizen zonder geldig vervoersbewijs. De vraag is dan aan de orde of hem een preventief vervoersverbod kan worden opgelegd. Op grond van artikel 98 lid 1 van de Wet kunnen de ambtenaren bedoeld in de artikelen 87 en 89 van de Wet de reiziger het gebruik van het openbaar vervoer ontzeggen als hij handelt in strijd met de artikelen 70 tot en met 74 van de Wet. Blijkens de parlementaire behandeling is het op grond van artikel 98 lid 1 van de Wet ook mogelijk om, indien dit noodzakelijk mocht blijken te zijn voor de handhaving van de openbare orde, een reiziger een preventief openbaar vervoersverbod op te leggen (Memorie van Toelichting 26 456, nummer 3). De vraag moet dan worden beantwoord of, gelet op de bedoeling van de wetgever, het alsmaar reizen zonder geldig vervoersbewijs aan te merken kan zijn als een verstoring van de openbare orde. De rechtbank is van oordeel dat dit wel het geval is. Onder treinconducteurs is het een feit van algemene bekendheid dat het betrappen op zwartrijden veelal aanleiding is tot agressieve reacties hetgeen wordt bevestigd in het proces-verbaal van bevindingen van het Korps Landelijke politiediensten. Daarbij wordt verwezen naar een door de NS uitgevoerd onderzoek waaruit blijkt dat in 60 % van de gevallen waarin reizigers op zwartrijden worden betrapt, er sprake is van agressie. Met het oog op die situatie verwijst de rechtbank ook naar het bepaalde in artikel 74 lid 1 van de Wet jo. artikel 52 van het Besluit Personenvervoer waarin bepaald is, dat onder verstoring van de orde onder meer wordt verstaan het verhinderen of belemmeren van de taakuitoefening van het personeel van de vervoerder, wat zeker in het geval van agressie aan de orde is. Op grond van het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat het veelvuldig rijden zonder geldig vervoersbewijs vaak een verstoring van de openbare orde met zich meebrengt en dat een treinverbod als het onderhavige rechtmatig is. Hieraan staat niet in weg het bepaalde in artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, te weten het grondrecht op bewegingsvrijheid. De hier aan de orde zijnde beperking is voorzien bij de wet en beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte aan veiligheid in het openbaar vervoer. Voorts is het voor verdachte mogelijk om zich van andere openbaar-vervoersvoorzieningen dan die van NoordNed te bedienen. De rechtbank acht het onder 1. en 2. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat: 1. hij op 11 november 2004, op het traject tussen Harlingen en Leeuwarden, in de gemeenten Franekeradeel en Littenseradiel en Menaldumadeel en Leeuwarden, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 98 van de Wet Personenvervoer 2000, gedaan door [naam], service en controlemedewerker van NoordNed B.V. en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar van de Nederlandse Spoorwegen en/of NoordNed B.V., die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem op 23 september 2004 had bevolen, om in de periode van 23 september 2004 tot en met 23 december 2004 geen gebruik te maken van de treinen van NS Reizigers B.V. en NoordNed B.V. op de trajecten Leeuwarden-Zwolle v.v. en Leeuwarden-Stavoren v.v. en Leeuwarden-Groningen v.v. en Leeuwarden-Harlingen (Haven) v.v., zich bevonden in een trein van NoordNed BV op genoemd traject en gebruik gemaakt van voornoemde trein; 2. hij op 13 november 2004, op het traject tussen Deinum en Leeuwarden, in de gemeenten Menaldumadeel en Leeuwarden, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 98 van de Wet Personenvervoer 2000, gedaan door [naam] service- en controlemedewerker van NoordNed B.V. en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar van de Nederlandse Spoorwegen en/of NoordNed B.V., die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem op 23 september 2004 had bevolen, om in de periode van 23 september 2004 tot en met 23 december 2004 geen gebruik te maken van de treinen van NS Reizigers B.V. en NoordNed B.V. op de trajecten Leeuwarden-Zwolle v.v. en Leeuwarden-Stavoren v.v. en Leeuwarden-Groningen v.v. Verklaart het onder 1. en 2. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar. Veroordeelt verdachte te dier zake tot: Een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot twee weken niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. M.J. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. B. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 januari 2005. Mr. M.J. Dijkstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 74 — Wet personenvervoer 2000
- Artikel 89 — Wet personenvervoer 2000
- Artikel 98 — Wet personenvervoer 2000
- Artikel 87 — Wet personenvervoer 2000
- Artikel 2 — Regeling vrijstelling protocolplicht
- Artikel 73 — Wet personenvervoer 2000
- Artikel 72 — Wet personenvervoer 2000
- Artikel 70 — Wet personenvervoer 2000
- Artikel 73 — Burgerlijk Wetboek Boek 6
- Artikel 70 — Burgerlijk Wetboek Boek 6
- Artikel 12 — Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1905
- Artikel 72 — Burgerlijk Wetboek Boek 6