Rechtspraak 1999-07-06
ECLI:NL:RBLEE:1999:AA5196
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht Reg.nr.: 98/259 WET Inzake het geding tussen [eiser/rijbewijshouder] te [woonplaats], eiser, en de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder, gemachtigde drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij de Divisie Vorderingen van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijs zen. 1. Procesverloop Bij brief van 6 februari 1998 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit strekkende tot gegrondverklaring van eisers bezwaar tegen verweerders besluit van 26 september 1997 met betrekking tot de toepassing van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW)., Tegen dit besluit heeft eiser op 19 maart 1998 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend, De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 2 juni 1999. Eiser is in persoon verschenen. verweerder is -zoals tevoren schriftelijk berichtniet verschenen. 2. Motivering Op 3 september 1997 is eiser, geboren, […] 1919, door de politie aangehouden omdat hij als bestuurder van een motorrijtuig de rijbaan gevolgd heeft tegen de rijrichting in. Eiser reed hierbij het motorvoertuig van de politie recht tegemoet. Het betrof hier een autoweg met. gescheiden rijbanen Eiser heeft tegenover de politie onder meer verklaard dat hij na ongeveer tien à twintig meter had bemerkt dat hij tegen de rijrichting inreed. Hij besloot toen om toch maar tegen de richting van het verkeer in te blijven rijden totdat hij de mini-rotonde zou bereiken. Dat leek hem veiliger dan te stoppen en zijn voertuig op de weg om te keren. Op 10 september 1997 is namens de korpsschef regiopolitie Friesland, basiseenheid Harlingen, mededeling als bedoeld in art. 130 WVW gedaan, inhoudende het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorie(ën) van motorvoertuigen waarvoor aan hem een rijbewijs is afgegeven. Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerder eiser bij brief van 26 september 1997 in kennis gesteld van zijn besluit dat eiser zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid voor het besturen van motorvoertuigen. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat terecht een onderzoek gevorderd is gelet op het bepaalde in art. 6 lid 2 en bijlage 1 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 17 april 1996, Stcr. 1996, nr. 183 (hierna; de Regeling). In beroep is aangevoerd dat eisers gedrag niet van dien aard was dat twijfel aan zijn rijvaardigheid gerechtvaardigd is. Eiser erkent dat hij tegen de rijrichting inreed, maar betwist dat hij hiermee de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht, In dit verband heeft eiser opgemerkt dat de weg vrij was en dat er voldoende ruimte was om tegenliggers te ontwijken. Eiser heeft er niet voor gekozen om te keren om de weg, omdat hij van mening was dat de situatie het snelst verholpen zou zijn wanneer hij naar de dichtstbijzijnde rotonde zou rijden ca. 200 meter verderop. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat in zijn algemeenheid met een enkel feit of een enkele constatering niet zonder meer voldaan is aan de criteria van bijlage 1 onderdeel A van de Regeling voor het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid. Er doen zich evenwel verkeerssituaties voor waarbij volgens verweerder op grond van een enkele constatering wel kan worden geconcludeerd dat voldaan is aan één of meer van de criteria van onderdeel A. Een voorbeeld hiervan is het zogenaamde spookrijden, gezien de fout die de betreffende bestuurder heeft begaan en de evident grote risico's die zijn verkeersgedrag met zich mee heeft gebracht. Het doorrijden door eiser, nadat hij zijn -fout had bemerkt kan vol