Rechtspraak 1999-11-30
ECLI:NL:RBLEE:1999:AA5025
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN Beknopt Vonnis Uitspraak d.d. 30 november 1999. Parketnummer 17/080347-98 en hierbij gevoegd parketnummer 17/085431-99. VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de ter terechtzitting gevoegde zaken van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [verdachte] geboren [1949] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats], thans gedetineerd in P.I. Almere Binnen te Almere, Caissonweg 2. De rechtbank heeft gelet op de ter terechtzitting gehouden onderzoeken van 6 april 1999, 22 juni 1999, 20 september 1999 en 16 november 1999. De verdachte is ter terechtzitting van 6 april 1999, 22 juni 1999, 20 september 1999 en 16 november 1999 verschenen, bijgestaan door mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam. TELASTELEGGING: Aan dit vonnis zijn door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van de dagvaardingen gehecht, waaruit de inhoud van de telasteleggingen geacht moet worden hier te zijn overgenomen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 juni 1999 gevorderd dat met betrekking tot de zaak onder parketnummer 17/080347-98 een door hem op schrift gestelde vordering nadere omschrijving tenlastelegging (art. 314a Wetboek van Strafvordering) zal worden toegelaten, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd. GEVOERDE VERWEREN: De raadsman heeft ter terechtzitting van 20 september 1999 met betrekking tot parketnummer 17/080347-98 betoogd dat primair de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens flagrante schending van de rechten van verdachte en subsidiair tot bewijsuitsluiting alsmede de vruchten daarvan, en heeft daartoe onder meer het navolgende aangevoerd: 1.1. De basis waarop het pro-actieve onderzoek is gestart, is te smal nu slechts sprake is van oudere/onbetrouwbare CID-tips afkomstig uit het gehele land zonder enige samenhang en een onderzoek in de zaak Bangma in 1997 Tevens blijkt uit het dossier niet dat volgens de officier van justitie [verdachte] toen al kon worden aangemerkt als verdachte en had de start van het pro-actief onderzoek niet moeten plaatsvinden nu gehandeld is in strijd met de nieuwe wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden. Uit het dossier kan worden afgeleid dat op verschillende momenten bij verschillende CID’s informatie binnenkwam dat [verdachte] zich zou bezig houden met de invoer van hasj met behulp van schepen. De in deze informatie weergegeven feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat [verdachte] aangemerkt kon worden als verdachte. Gelet op de taakstelling van de politie met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving, onder meer inhoudende de werkelijke voorkoming, de opsporing en beëindiging van strafbare feiten is er geen aanleiding aan te nemen dat op grond van de hiervoren aangegeven informatie jegens [verdachte] geen nader onderzoek mocht worden opgestart gericht op het vaststellen van de juistheid danwel onjuistheid van die binnengekomen informatie. Voor het enkele opstarten van een dergelijk onderzoek was en is niet nodig dat het een grondslag moet vinden in een formele wet. Zulks is slechts onder omstandigheden noodzakelijk voor de uitoefening van bepaalde bevoegdheden gedurende dat onderzoek. Wel is noodzakelijk dat aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit moet worden voldaan. Nu echter het in deze zaak ging om ernstige strafbare feiten is de rechtbank van oordeel dat deze beginselen niet zijn geschonden. 1.2. Gedurende het pro-actieve onderzoek is sprake geweest van een stelselmatige observatie door middel van videocamera's en peilzenders, zodat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene geen sprake meer is. De artikelen 2 Politiewet en 141 Wetboek van Strafvordering bieden geen basis voor een dergelijke observatie. Er is derhalve gehandeld in strijd met het Zwolsman-arrest (NJ 1996/249), de ar Er wordt op 18 december 1998 via mobiele telefoongesprekken gecommuniceerd tussen [verdachte] en het visserijbedrijf [medeverdachte], eigenaar van de [naam]. Vervolgens wordt geconstateerd dat de [naam] uitvaart. Op 22 december 1998 wordt vanuit de lucht waargenomen, dat de [naam] zich op zee in de directe omgeving van de van hashtransport verdachte sleepboot de Canute bevindt. Men neemt een sleeplijn waar tussen de schepen. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan ook jegens de [naam] een redelijk vermoeden van schuld ontstaan met betrekking tot mogelijke betrokkenheid bij een hasjtransport. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman. 1.7. Uit de stukken blijkt niet van een machtiging tot binnentreden met betrekking tot de entering van De [naam] ([NUMMER]), derhalve is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Blijkens het door verbalisant E. van Dee d.d. 2 juni 1999 op ambtseed opgemaakte aanvullend proces-verbaal onder nummer 02061999.1130.2012, is door J. Sikkema, hoofd-inspecteur van politie, aan verbalisant verklaard, dat hij onder meer een machtiging voor het binnentreden ter aanhouding van de opvarenden van de [NUMMER], genaamd "De [naam]" heeft opgemaakt. Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat door de coördinator van deze actie op zee, C.J. Keller, aan verbalisant is verklaard dat hij de machtiging tot binnentreden ter aanhouding voor de [NUMMER] heeft ontvangen. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat, ondanks het feit dat de onderhavige machtiging kennelijk is zoekgeraakt en daarmee aan het dossier ontbreekt, geen redelijk belang zich verzet tegen de aanname dat de entering van het schip rechtmatig is geschied nu niet is gebleken dat verdachte daardoor in zijn verdediging zou zijn geschaad en dient het verweer van de raadsman te worden verworpen. 1.8. Het schip De Canute is geënterd op het Duitse continentale plat zonder toestemming van de Duitse instanties, derhalve heeft genoemde entering onrechtmatig plaatsgevonden en dienen de vruchten daarvan niet door te werken. De entering van de Canute heeft blijkens het door E. van Dee, inspecteur van politie opgemaakte proces-verbaal nummer 25081999.1100.2012, d.d. 14 september 1999 plaatsgevonden op het Duitse continentale plat. De raadsman heeft gesteld dat deze entering onrechtmatig heeft plaatsgevonden nu deze zonder toestemming van de Duitse autoriteiten is geschied. Op grond van het Zeerechtverdrag van 1992 behoort het continentaal plat tot de volle zee en derhalve niet tot het territoir van een staat. De betreffende kuststaat kan hier slechts rechten uitoefenen die betrekking hebben op de exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plateau. Een schip op volle zee valt op grond van genoemd Verdrag uitsluitend - behoudens een uitzondering die hier niet relevant is - onder de jurisdictie van de vlaggestaat. Nu de Canute is geënterd met toestemming van de vlaggestaat Belize heeft deze entering rechtmatig plaatsgevonden. Het verweer van de raadsman faalt derhalve. 1.9. Ten aanzien van het schip De Guerrero is sprake van een vrijwillige terugtred door de later aangehouden verdachten en ontbreekt tevens, evenals in de zaken met betrekking tot de Judith en de Blue Spirit een deskundigenrapport ten aanzien van de hasj. Derhalve kunnen de desbetreffende feiten niet bewezen worden verklaard. Nu de luiken van de Guerrero door de betrokkenen zijn opengezet om aan een aanhouding te kunnen ontkomen en de ontdekking van een grote hoeveelheid hasj aan boord van het schip te verijdelen, is geen sprake van een vrijwillige terugtred door betrokkenen. Het ontbreken van deskundigenrapporten met betrekking tot de vraag of er sprake was van hasj op de door de raadsman aangevoerde schepen acht de rechtbank niet noodzakelijk nu uit de afgelegde getuigenverklaringen voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat er sprake was van hasj en er ten aanzien van de betrokkenen op de Guerrero een veroordeling te Spanje terzake hasjsmokkel is gevo van genoemde wet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II, opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededaders, ten behoeve van onder andere het transport van die hashish een vaartuig (een sleepboot, genaamd Tajfun, later genaamd Canute) heeft aangekocht en bemanning voor dat vaartuig heeft aangezocht en/of laten aanzoeken en/of aangesteld en/of laten aanstellen en op/in dat vaartuig die hashish voor de kust van Marokko heeft geladen en/of laten laden, en met dat vaartuig en die hashish naar de Noordzee is gevaren en op volle zee, die hashish vanaf dat vaartuig heeft overgeladen en/of laten overladen op het hiervoor genoemde vaartuig "[naam]", en met laatstgenoemd vaartuig heeft koers gezet in de richting van de Nederlandse kust, althans de Nederlandse territoriale wateren, in elk geval in de richting van Nederland, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2. primair: ZAAK GUERRERO hij in de periode gevormd door de maanden augustus 1997 tot en met juni 1998, te Workum, in de gemeente Nijefurd, en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland en/of aan boord van het onder Britse vlag varend vaartuig, genaamd "Guerrero", ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 13.000 kilogram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde hashish een middel, als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d van genoemde wet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II, opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededaders, ten behoeve van onder andere het transport van die hashish genoemd vaartuig "de Guerrero" heeft aangekocht of laten aankopen en aan dat vaartuig reparaties heeft verricht en/of laten verrichten en bemanning voor dat vaartuig heeft aangezocht en/of laten aanzoeken en/of aangesteld en/of laten aanstellen en op/in dat vaartuig die hashish voor de kust van Marokko heeft geladen en/of laten laden, en met dat schip en die hashish heeft koersgezet in de richting van Noord-Europa, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 3.: ZAAK JUDITH hij in de periode gevormd door de maanden augustus 1998 en september 1998, te Stavoren en/of te Workum, in de gemeente Nijefurd en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht met gebruikmaking van het schip "Judith" en daarop volgend de schepen "Walk About" en "Savoir Vivre" en "Najade" en "Juwentha", (een) handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van de Opiumwet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II; feit 4.: ZAAK BLUE SPIRIT hij in de periode gevormd door de maanden augustus 1998 tot en met oktober 1998, te en in de gemeente Vlieland en/of te Makkum, in de gemeente Wunseradiel, en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht met gebruikmaking van - onder andere - het schip "Blue Spirit" een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van de Opiumwet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II; feit 5.: ZAAK DEELNEMEN AAN EEN CRIMINELE ORGANISATIE hij in de periode van 1 augustus 1997 tot 24 december 1998, te Workum, in de gemeente Nijefurd, en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, heeft deelge