Rechtspraak 1999-03-12
ECLI:NL:RBLEE:1999:AA3762
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN sector bestuursrecht Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht Reg.nr.: 99 / 200 WOB Inzake het geding tussen 1. de Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee (verkort: de Waddenvereniging), statutair gevestigd te Harlingen, 2. de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, statutair gevestigd te Zeist, verzoeksters, gemachtigde mr.drs. G. Smits, juridisch medewerker in dienst van de Waddenvereniging, en de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder, gemachtigde mr.drs. P.J. Kooiman, werkzaam bij de Directie Juridische Zaken van verweerders ministerie, gevestigd te Den Haag. 1. Procesverloop Bij brief van 16 februari 1999 heeft verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geweigerd om verzoeksters de zogenoemde blackbox-gegevens van de schepen, die zich in de Waddenzee met mechanische kokkelvisserij bezighouden, te verschaffen. Verzoeksters hebben tegen dit besluit op 2 maart 1999 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Op dezelfde dag hebben zij zich tevens tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de gevraagde gegevens alsnog openbaar worden gemaakt. De president heeft met toepassing van art. 8:29 Awb kennis genomen van de in geding zijnde gegevens. Het verzoek is ter zitting van 10 maart 1999 behandeld. Namens verzoeksters en verweerder zijn hun gemachtigden verschenen. Namens de Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Kokkelvisserij U.A. te Kapelle (hierna: de Producentenorganisatie), die als belanghebbende als bedoeld in art. 8:26 lid 1 Awb aan het geding deelneemt, heeft mr.ir. J. Huisman (plaatsvervangend voorzitter) het woord gevoerd. 2. Motivering Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet gebleken is van eventuele beletselen om verzoeksters te kunnen ontvangen. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden. Feiten De president baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten. Bij besluit van 19 augustus 1998 heeft verweerder aan de Producentenorganisatie een ontheffing onder voorschriften op grond van de Natuurbeschermingswet verleend voor het vissen van kokkels in het staatsnatuurmonument Waddenzee. Alle vissers die de mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee beoefenen zijn lid van de Producentenorganisatie. De ontheffing heeft betrekking op de periode 24 augustus 1998 tot 30 november 1998. In art. 11 van de ontheffing is bepaald: "Aan het eind van het seizoen ontvangt de Directeur Noord een integrale uitdraai van blackbox-gegevens van de kokkelschepen die aan de visserij hebben deelgenomen, waaruit kan worden afgeleid op welke locaties is gevist en wat de visintensiteit per quadrant is geweest". Blijkens de stukken registreert de blackbox continu de visposities van het kokkelschip. Aan het einde van het seizoen wordt de informatie van alle kokkelschepen geïntegreerd tot één uitdraai op een kaart. Aan de hand van deze kaart kan worden nagegaan op welke locaties in de Waddenzee door de kokkelschippers is gevist en wat de intensiteit van het vissen op die locaties is geweest. Bij schrijven van 17 december 1998 hebben verzoeksters verweerder verzocht om hen op korte termijn een afschrift van de uitdraai van de blackbox-gegevens toe te zenden. Verweerder Het standpunt van de Producentenorganisatie Namens de Producentenorganisatie is opgemerkt dat bij ongeclausuleerde openbaarmaking het risico groot is dat verzoeksters de in geding zijnde informatie gaan gebruiken voor gerechtelijke procedures, die erop gericht is om de kokkelvisserij in de Waddenzee onmogelijk te maken. Als de informatie openbaar gemaakt wordt zal het visplan misschien veranderd worden. De beoordeling van het geschil De president ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of verzoeksters een spoedeisend belang als bedoeld in art. 8:81 lid 1 Awb bij de gevraagde voorlopige voorziening hebben. De president beantwoordt deze vraag bevestigend. Verzoeksters hebben naar zijn oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat de gegevens, waarvan openbaarmaking is verzocht, op enigerlei wijze van belang kunnen zijn voor het overleg op 17 maart 1999. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het verzoek wegens het ontbreken van spoedeisend belang af te wijzen. Ten aanzien van de inhoudelijke aspecten van het verzoek overweegt de president als volgt. In art. 3 lid 1 Wob is bepaald dat een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Op grond van art. 1 aanhef en onder a Wob wordt onder bestuurlijke aangelegenheid verstaan: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan. Ingevolge art. 3 lid 3 Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11. Op grond van art. 3 lid 1 van de richtlijn inzake milieu-informatie moeten de Lid-Staten waarborgen dat overheidsinstanties gehouden zijn om op verzoek milieu-informatie beschikbaar te stellen aan iedere natuurlijke of rechtspersoon, zonder dat deze een belang behoeft aan te tonen. In lid 2 wordt vermeld onder welke omstandigheden de Lid-Staten kunnen bepalen dat een verzoek om milieu-informatie niet ingewilligd behoeft te worden. Tussen partijen is niet in geschil dat de blackbox-gegevens aangemerkt kunnen worden als milieu-informatie in de zin van de richtlijn. De president ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Bij Wet van 12 maart 1998 tot wijziging van de Wet openbaarheid van bestuur is de richtlijn inzake milieu-informatie in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd (Stb. 1998, 180). Deze wijziging is op 8 april 1998 in werking getreden. In art. 10 lid 2 aanhef en onder d Wob is bepaald dat het verstrekken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen. De president is voorshands van oordeel dat de dgrond van art. 10 lid 2 Wob niet te herleiden valt tot één van de uitzonderingsmogelijkheden die in art. 3 lid 2 van de richtlijn inzake milieu-informatie genoemd worden. De president vindt steun voor dit oordeel in de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wob in verband met de implementatie van de richtlijn. Hierin is door middel van een overzicht aangegeven op welke wijze de uitzonderingsgronden van de richtlijn in de Nederlandse wetgeving zijn verwerkt (Kamerstukken II 1995-96, 24 613, nr. 3, blz. 3). Art. 10 lid 2 aanhef en onder d Wob komt niet in dit overzicht voor. Ook overigens valt niet in te zien dat de d-grond in overeenstemming is met art. 3 lid 2 van de richtlijn. Dit oordeel betekent echter niet zonder meer dat verzoeksters reeds op grond hiervan recht hebben op openbaarmaking van de blackbox-gegevens. Hiervoor is vereist dat art. 3 lid 2 van de richtlijn rechtstreekse werking heeft. Hoewel de president geneigd is om in dit geval rechtstreekse werking aan te nemen, is hij van oordeel dat het karakter van de voorlopige voorzieningen-procedure minder geschikt is voor een beslissing op dit punt. Dit klemt te meer nu toewijzing van het v