Rechtspraak 1998-12-16
ECLI:NL:RBLEE:1998:AA3983
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN sector bestuursrecht Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht Reg.nr.: Inzake het geding tussen de Van Heloma-stichting, zetelende te Heerenveen, verzoekster, gemachtigde jhr.mr. T.A.J. van Eysinga, en het college van gedeputeerde staten van Fryslân, verweerder, gemachtigden mr. W. Roerdink en J.P.M. Niessen, beiden werkzaam bij de provincie Fryslân. 1. Procesverloop Bij brief van 1 oktober 1998 heeft verweerder verzoekster meegedeeld haar bezwaarschrift van 14 juli 1998 niet in behandeling te nemen. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 10 november 1998 beroep ingesteld bij de rechtbank. Op dezelfde datum heeft zij zich tevens tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ten aanzien van het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen. Door verweerder is op 19 november 1998 een verweerschrift ingediend. Het verzoek is ter zitting van 14 december 1998 behandeld. Namens verzoekster is ing. E. Oostra verschenen, ter vervanging van bovengenoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij genoemde gemachtigden. 2. Motivering Art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover de beoordeling van het verzoek met zich meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter. De president baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden. Bij brief van 5 april 1998 heeft verzoekster verweerder meegedeeld dat ter plaatse van het perceel Oeble Omwei 5 te Wartena -waarvan verzoekster eigenaresse is- dermate veel oeverafslag plaatsvindt, dat herstel geboden is. Volgens verzoekster is verweerder als vaarwegbeheerder aansprakelijk voor de schade aan de oever. Verzoekster heeft daarom verzocht om overleg over deze problematiek. In reactie hierop heeft verweerder bij brief van 2 juni 1998 aan verzoekster bericht de aansprakelijkheid voor de schade af te wijzen. Naar aanleiding van dit bericht heeft verzoekster op 14 juli 1998 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Op 1 oktober 1998 heeft verweerder verzoekster schriftelijk meegedeeld dat de beweerdelijke schade niet het gevolg is van een bij de bestuursrechter appellabel besluit, zodat tegen de afwijzing van de aansprakelijkheid geen bezwaar en beroep openstaat. De president verstaat deze beslissing aldus dat verweerder beoogd heeft het tegen de brief van 2 juni 1998 gerichte bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. In het verzoekschrift heeft verzoekster de president verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in die zin, dat het bestreden besluit vernietigd wordt en dat de provincie wordt veroordeeld tot vergoeding van de geleden schade à f 44.416,18 of tot betaling van een voorschot ten bedrage van circa f 25.000,00. Ter gelegenheid van de op 14 december 1998 gehouden zitting heeft verzoekster de gevraagde voorlopige voorziening beperkt tot de betaling van een voorschot van f 25.000. Door verweerder is -kort samengevat- aangevoerd dat tegen het besluit van 2 juni 1998 waarbij op het verzoek om schadevergoeding is beslist geen beroep op de bestuursrechter openstaat, omdat er geen sprake is van een schadeveroorzakend besluit waartegen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Verweerder acht de zorg voor de oevers een taak voor de oevereigenaar. Onder betwisting dat de schade aan de oever (alleen) het gevolg is van de scheepvaart, heeft verweerder de aansprakelijkheid voor die schade afgewezen. De president overweegt het volgende. Ingevolge de Vaarwegenverordening Friesland, verder te noemen de verordening, is verweerder belast met het beheer en onderhoud van onder meer vaarwegen die voorkomen op de bij de verordening behorende Staten A en B. In art. 17 lid 3 van de verorden